oud jaar

Guus Geluk.
Iemand die altijd geluk heeft.
Hij moet ieder dubbeltje drie keer omkeren.
Hij moet heel zuinig met zijn geld omgaan.
Berouw komt steeds te laat.
Als je van een verkeerde daad spijt hebt is het leed al geschied.
Iedereen moet zijn eigen zaken regelen.
Als elk zijn werk doet dan worden de koeien ook
Hij spitst de oren.
Hij heeft alle aandacht.
Dat is genoeg voor een heel weeshuis.
Dat is eigenlijk te veel.
Op naar morgen




















