kaars

Iemand iets naar het hoofd smijten.
Iemand iets verwijten.
Het veld ruimen.
Verloren hebben.
Iemand een tand trekken.
Iemand oplichten.
Dat gaat uit als een nachtkaars.
Dat loopt ongemerkt af.
Wat ziet zij er opgetakeld uit.
Zij heeft zich te overdreven behangen met sieraden opzichtige kleding enz.


















