Het ondemocratische van onze democratie

In de grondwet is er met geen woord sprake over politieke partijen, wat natuurlijk niet wegneemt dat kandidaat-volksvertegenwoordigers zich om praktische reden, zowel voor als na de verkiezingen, mogen verenigen in een bepaalde politieke stroming
Uiteraard is het grondwettelijk mogelijk zich als 'onafhankelijke', dus tot geen enkele politieke partij behorend, kandidaat aan de kiezer voor te stellen, maar gezien de hoge kosten en organisatorische rompslomp die zowel een verkiezingscampagne als de parlementaire werking met zich meebrengt, is dat in de praktijk in feiten onbegonnen werk.
Als gevolg daarvan kunnen wij in regel dus enkel kiezen voor kandidaten welke een bepaald partijprogramma onderschrijven, en zich bijgevolg, eens verkozen, bij de uitoefening van hun mandaat zich er toe verbonden hebben de betrokken partijlijn en de richtlijnen van de partijtop na te leven.
Dat maakt de gekozen parlementsleden weliswaar in theorie de 'gekozenen des volk', zoals dat grondwettelijk voorzien is, maar in de praktijk zijn zij de vertegenwoordigers van de politieke partijen. In (en buiten) het parlement treden zij op als spreekbuis en/of 'stemknopduwer'. Het zijn dus niet zijzelf, maar de partij die bepaalt wat er al dan niet gezegd en/of gestemd wordt.
Zelfs al hebben wij een voorkeurstem op een bepaalde kandidaat uitgebracht, wij kiezen dus geen persoon als vertegenwoordiger, maar een partij.
Omdat sinds de helft van vorige eeuw in België geen enkele partij de meerderheid meer haalt, dienen verkiezingen in dit land, in tegenstelling tot wat men de burger voorhoudt, niet om een bepaald soort beleid, laat staan om een regering, of eerste minister te kiezen, maar wordt hij ter stembus geroepen om enkel de machtsverhouding tussen de verschillende partijen te bepalen. Vanaf de dag na de verkiezingen, gaan de partijkopstukken dan onder mekaar uitmaken welke parlementaire meerderheidscoalitie er tot stand komt. Een compromis-regeerprogramma wordt opgemaakt, en ministerposten worden verdeeld. Ten slotte wordt de regeringsamenstelling en haar programma door de vertegenwoordigers van de meerderheidspartijen in de "kamer van volksvertegenwoordigers" goedgekeurd.
Om de grondwettelijke schijn hoog te houden laat men één en ander weliswaar de de Koning bevestigen, maar die handelt uiteraard volledig volgens aangeven van de partijvoorzitters.
Zoals in vele landen is, onder het mom van de politieke versplintering tegen te gaan, sinds jaren een 'kiesdrempel' ingesteld, waardoor de stemmen voor partijen welke minder dan 5% van de kiezers wisten te bekoren, automatisch verdeeld worden onder de andere partijen.
Daardoor worden alle burgers die voor de niet-kiesdrempelhalende partijen hebben gestemd, samen met al deze die om welke reden ook, blanco, of ongeldig hebben gestemd, vertegenwoordigd door partijen voor wie ze geenszins hebben willen stemmen.
Samen met de feitelijkheid dat, afhankelijk van de regio, en al naargelang het daar gehaalde aantal stemmen, er nogal relatief grote verschillen zijn tussen het benodigde aantal stemmen voor een kamer- of senaatzetel, maakt de kiesdrempel en het ontbreken van vertegenwoordiging van blanco- en ongeldig-stemmers, dat er nogal wat vragen kunnen gesteld worden over het democratisch gehalte van dit systeem.
Maar dat zou al bij al, gezien dit 'afgewassen' democratisch systeem wereldwijd verbreid is, nog te pruimen zijn, indien het daar zou bij blijven. Men is echter in dit land heel wat verder is gegaan in het "dé-democratiseren" van ons politiek systeem..
In België is men, sinds begin van de jaren zeventig van vorige eeuw, als gevolg van de (terechte) Vlaamse ontvoogdingstrijd, via de verschillende staatshervormingen, er in geslaagd ons federaal democratisch systeem zodanig uit te hollen dat men, samen met een taalgrens, als gevolg van de taalsplitsing van de politieke partijen, eveneens een 'politieke grens' tussen de taalgemeenschappen heeft ingesteld.
Daardoor werd de democratische keuzevrijheid van de kiezer beperkt tot enkel de regionale partijen van zijn eigen regio. Als gevolg daarvan wordt hij, wat ook de verkiezingsuitslag moge wezen, zowel via het parlement als de regering voor de helft vertegenwoordigd en geregeerd door partijen voor wie hij NIET heeft kunnen stemmen.
In geen enkel ander land ter wereld bestaat het parlement en de regering uitsluitend uit regionale partijen, eenvoudigweg omdat het zowel ondemocratisch als onzinnig is dat partijen die enkel verantwoording hebben af te leggen tegenover een bepaalde regio, toch de andere regio's meebesturen.
De feitelijke politieke, culturele en maatschappelijke twee- (drie-) deling van dit land, evenals de huidige reeds meer dan een jaar durende politieke impasse, en onvermogen een federale regering te vormen, zijn daar het logische gevolg van.
Omdat de 'grootste' partij van dit land, met amper 17.4% van de stemmen, en de tweede grootste (13.7%), samen 31.1% van de stemmen, wegens hun ideologische tegengesteldheid, tot geen akkoord kunnen komen, en de andere partijen om (regionale)electorale reden zich niet van één van beiden durven ontdoen, wordt hier bewezen dat ook de verkrachting van de democratie zijn grenzen heeft.
Wij leven hier niet, zoals voorstanders van een ver doorgedreven federalisering beweren, in een land met twee verschillende democratieën, maar in een land zònder democratie, of op zijn minst, een ondemocratische democratie.
Dat de logica van een federale kieskring voor federale verkiezingen geen ingang vindt, kan deze vaststelling alleen maar onderstrepen.
Renaat van Poelvoorde






voedsel produceren voor de tien miljard mensen die binnen enkele
decennia deze aardkloot bemesten en vervuilen, het voorlopig nog niet op te
lossen probleem zal worden, zijn blijkbaar zorgen voor later. Wij huldigen
daarvoor tegen beter weten in dankbaar de 'Dehaene-theorie': "pas een oplossing
zoeken voor de problemen als ze zich stellen".


Het enige waar men zonder al te veel tegenstand, ja, zelfs met steun van grootverdiener tot 'jan modaal' kan op besparen, zijn de uitgaven tegemoetkomingen, voordelen en voorzieningen die in hoofdzaak moeten dienen om de minderbedeelden te vrijwaren van relatieve armoede of om hun armoedig bestaan te verzachten. 


In 1830 creëerden Engelse, Franse, en Duitse politici, met twee lappen grond welke geografisch deels bij Nederland en deels bij Frankrijk hoorde een nieuw land dat men de naam België gaf. Men benoemde een werkloze Duitser uit een adellijke familie tot Koning, en bezegelde daarmee de vrede tussen drie vijanden die eeuwenlang mekaar hadden bestreden.
voornaamste stad van een ander gewest (Brussel). In drie van de zes faciliteitenrandgemeenten woont een grote meerderheid van Franstaligen, die conform de taalwetten in het Nederlands (zouden moeten) bestuurd worden door Franstalige burgemeesters en Schepenen. De Franstalige inwoners ervan kunnen bovendien bij de federale verkiezingen voor kandidaten in een ander (Brussels) gewest kiezen. 



