

Nabij Zeus
op het dode punt
van de boulevard
nabij een ijzeren wapen
van weleer
staart hij ver weg
concerteren
schreeuwende meeuwen
in lawaai van golvend geweld
melodieën in een witblauwe sfeer
hij ziet in de verte
gedachten passeren
schepen, af en aan,
doch op wisselende afstand
in de herinnering
wel te verstaan
haren, dun door de jaren
en uitgedroogde lippen
vangen het zilte zout
zijn sigaret stoomt
in draaiende richting
en geeft een mistig panorama
van warmte naar koud
aan het einde van de aarde
verstommen dan geleidelijk
onbetrouwbare beelden
voor even
daar weet hij van
ervaart hij de naakte eeuwigheid
op deze plek
los gewaad van een
schaduwrijk achterland
vindt hij zijn gepolijste vrijheid
totdat hij weer
naar de onweerstaanbare
realiteit wordt geleid
de voeten geaard in klevend zand
http://www.youtube.com/watch?v=gYCmsn-hNI4
Het afscheid
rode ogen
verkleinen
in het donker
zij sterven in de nacht
genadevolle tellen
worden door eeuwigheid verpacht
harteloos verlaat uit mij
een vloed van schuimend wellen
wat heb ik vaak
de getijden veracht
als de kleuren van jouw stem
weer mijn verwachting kwellen
Gevleugelde snaren
je straalt voor mij
in gracieuze lijnen gekleed
en bewegend in schaduwkleuren
jouw sprankelende geuren
daarvan heb ik enkel weet,
wil dat ze in me wonen
je ingetogen charme
geeft betoverende ogen
gedragen in een tedere tred
de kaaklijn, soms met haren bedekt,
doet mij ontroeren
schept mijn beelden;
schoonheid wordt in mij opgewekt
een zachte stem
kleurt het licht van je ziel
dat vertelt van frèle voelbaarheid
jouw gezicht verwondert,
je bent naar mij geleid
Knus
grijs getinte heuvels tekenen zich af
op de ramen van mijn doorzonkamer
ook al is de zomer reeds lang op zijn retour
en de dag allengs meer bekort
is het stof nog kraakhelder zichtbaar
op mijn vinylen vloer en dressoir
de hoge zetels hebben, door
het oktoberlicht beschenen,
nog niets aan waardigheid verloren
het gobelin bloeit als nooit te voren
alhoewel de zitting tot het verleden behoort
kan deze weelde mij nog zo bekoren
en ik, overeenkomstig mijn aard, in stilte
van achter mijn vertrouwde begonia’s
naar een buiten vol klinkers staar
Als het blad nog groen kleurt
Naarmate de tijd voortschrijdt
En ik nog vaker de ochtenden tel
Dan wel dagen overwin op het licht
Doorzie ik de beslagen schoonheid
Van ieder elegant vrouwelijk wicht
Ook al ziet men mij als oud vel
Dat steeds dichter de aarde nadert
Dan denk ik heimelijk doch opgelucht
Wacht maar totdat de roest ook jullie betast
En uw spannend vlees opzichtelijk adert
Men mag de bloemen echter niet
Te vroeg laten verleppen
Het moet gezegd
U ruikt nog immer naar meer;
Opwindend zijn derhalve uw stappen
Helaas kom ik adem te kort
Om de vreugd van de jeugd
Nog onbescheiden te behappen
Die wordt immers steeds meer
In vergeten dromen gelegd
Engelen in het oosterhout
Morgen zie ik engelen
In het oosterhout
Zij worden op doeken gedragen
Herken ik dan de eenvoud
Van enkel zwijgende vrouwen
Uit mijn verbeeldende lagen
Zij omarmen mij zonder te raken
Verwarmen met open ogen
In licht waarvan de dichter
Woorden wil maken
Zij spreekt
Oorspronkelijk
In galmen van gewelven
Ik luister en droom
Overbrug haar adem
Naar mijn hart
Om kleuren en klanken
Uit mijn Hemel te delven
Morgen zie ik engelen
In het oosterhout
Op weg naar eindeloos
ik verpoos nimmer meer
in een diepe gedachte
dat gaat allengs aan mij voorbij
een vierend touw slingert thans
met eeuwige bewegende beelden
of draagt een haast uitgerekte veer
mij nu doorheen het verleden,
de mij toegevallen wonden en weelde,
doorzakkend naar een verlengde diepte
en traag terug langs gestapelde ramen
van verlangens en tranen van weleer
zo vergaat de dag in fasen
van even zijn en vertekende dromen
waarbij niet is gezegd
dat de dood zich hardhandig
nu al naar mij uitstrekt
wellicht is het meer ontbinden
waarin werkelijkheid wordt opgewekt
en vrijheid vanaf heden
alles vanzelf laat komen
het is vragen verstaan
zonder de weg te moeten duiden
het ademen losjes laten gaan
langs onverharde paden
en ik geen behoefte meer heb
om antwoorden in te luiden
soms enkel nog om de geest
van ballast te ontladen
ik verpoos nimmer meer
in diepe gedachten
weet enkel dat de nacht
mij ooit zal boeien
of de morgen nog komt
is slechts hoop in
mijn aards verwachten
Als de hemel daalt
ook al oogt de lucht zomers blauw
en het late groen nog steeds
tot verbeelding spreekt
vult mijn adem de geest al met belegen dauw;
ik word deels van de hemel losgeweekt
de voeten dragen schaduw zwaar
als het gras in zijn lengte gaat berusten
ook de ochtend die steeds meer verlaat
verkort mede het licht op gangbare lusten
neen, het zijn niet de jaren
die mij nog steeds worden gegund
maar wederkerende gebaren
van vervagende seizoenen
die het ongevraagd maar wel van nature
op mijn vliedende tijd hebben gemunt
Wonderlijk
tussen spiegelende wimpers,
koolzwart getint,
kijken herfstbruine ogen
verlegen van mij weg
een broze blik
zoekt dragende aarde
maar lijkt er niet te geraken
ook niet als ik jouw warme zucht
voorstelbaar in mijn handen leg
misschien door
de vochtige glans
uit vertedering
door een glimlach
die ik je schenk
lippen als breekbare takken
vullen elkaars zwijgen
haast tastbaar
en roze van gevoel
is dat de bloesem
waarnaar ik
al zoekend wenk
Al gaande
ik loop mee
met jou en de tijd
samen in een pas
die ongelijkmatig oogt
maar ons zeker leidt
zo het diepste dat beoogt
onderweg naar daar
waar ‘samen’ ons roept
met wuivende hand,
haast onzichtbaar ver,
waar wellicht geluk
ruimhartig teder baadt
langs een paradijselijk strand
voel de loop van mijn rimpels
van links naar rechts
andersom
soms ook wel gekruist
ik zie die van jou,
rivieren van voortschrijdend gaan,
ze schilderen bewogen,
eigenlijk als van zelve,
het verlangen
dat in ieder huist
ga met me mee
naar de bloesem
van tastbaar bestaan
Overbruggen(Waterdag 2011 Gedichtenroute)
waar de hand van een mens
beider oevers met hout verbindt
ontwaart men ook sierlijke snaren
die tezamen als verheffend instrument
door waarneembare trillingen
hoge bomen aan de overzijde bemint
en iedereen in het stromend water
zelfs de eeuwige beweging herkent
Licht
pril licht
schuurt speels
met schaduw over stenen
zelfs de lantaarn
al gebogen
in de nacht
toont ook nu bescheiden
op het toneel
van de opkomende zon
de rust van de ochtend
is voelbaar aanwezig
mijn eerste as smeult nog na
als wierook van vroege aarde
Een nieuwe morgen
ik ben de dag zo moedig moe
als de nacht zwerft door mijn bloed
en ledematen zijn verzuurd
die door zwaartekracht worden beboet;
heeft deze enkele reis te lang geduurd
komt mij nu enkel nog rusten toe
ach nee, de woestijn kent soms overdaad
gesponnen over jaren heen
verdronken soms in oude glorie
ook al zijn ze voor de ander van steen
mijn gevoel is nog kort van memorie;
het zichtbaar verleden bewaren
is in mijn hedendaags ademen
nog steeds een maat
ik sta nu op de zevende trede
hijg voor de achterkant
van de waarheid uit
het is mijn levensbede;
wat komt toont zich zacht
soms schreeuwend luid
de trap kent nog
vele hemelse passen
maar nu ben ik even de dag
zo moedig moe
mag ik mijn morgen
weer in onschuld wassen?
In't voorbijgaan
ik kom even voorbij
om ieder gedag te zeggen
ben nog steeds onderweg
om mijn ziel te verplaatsen
en elders een nieuwe zaligheid
aan te leggen
de einder komt in zicht
mijn hart ontwaart nieuw licht
schouders dragen
de laatste lasten
*
wilde dit melden
mocht je mogelijk
in vragend duister tasten
ik kwam voorbij
om te groeten
het gaat jullie goed,
al mijn lieve zoeten
Zoals een man zijn weg zoekt (n.a.v overlijden Dick Panman)
onderweg naar liefde
ervaart hij zicht
op hemel en aarde;
het verlangen naar morgen
onderwijl hij het sterven baarde
uitersten
van binnenuit
grenzeloos gebonden
aan geest en eeuwige bruid
ogen puilend
als sprekende monden
onder een donker gerande einder
het gezicht
is als een doorzichtbaar vlies
over schreeuwende voorbije
korte en lange jaren
de man, mens
dichter en zo meer
rust zal hem
bedaren
zijn eeuwige liefde
zal de kenner
in't hart bewaren
http://www.youtube.com/watch?v=2jixY_X6bnY
Liefde
zie ik liefde in je ogen
als tranen beter weten
voel ik warmte
indien schaduw rimpels kleurt
voel ik je diepe bestaan
wanneer woorden worden gemeten
en vertrouwen flinterdun geurt
ben ik doof
als jij je adem tot me richt
hoor ik dan een echo
die ik mezelf in ongeschreven
geluiden alsmaar toedicht
ik hou van schoonheid
die verwondering vertaalt
in sprakeloze zinnen
en draag het zachte
wil het onzichtbare beminnen
zo ervaar ik mijn weg
langs kronkelige lanen
waar volmaakte bomen
naargelang hun aangeboren dracht
zichzelf in eigenheid beamen
ook al beschutten zij soms
mijn aardse dromen
Vluchtheuvel
het huis is een vluchtheuvel
waar zelfs gewenning loert
het hoofd vol maar vullen niet
de lege kamers van boven en hoger
niet omdat de vorige een schaduw achterliet
mijn wortels mogen hier niet aarden
worden nog eens naar elders vervoerd
ach, draag ik ze niet al jaren
hebben ze ooit vaste grond gekend
zo dichter bij het eind
probeer ik het opnieuw
of blijft het toch enkel aanvaarden
Jij, die blijft
wij hebben gewacht
terwijl jij reisde
onderweg naar
jouw naam
en een wijle
dreef onder
een bonzend
moederhart
waar je
als vederlicht gewicht,
in een veilige duisternis,
te samen uit ons
in enkelvoud bent gestart
zo telden wij
de verwachtingsvolle uren
in blijdschap af
naar jouw dagen
die zouden worden
geboren
maar toen je eenmaal
de zon zag schijnen
"op die ene dag"
bleek de nacht al zo nabij
door jouw zijn,
en met de pijn
in de ziel gekerfd
zal je tot onze
eeuwige liefde behoren
(niet autobiografisch)
Overbruggen
waar de hand van een mens
beider oevers met hout verbindt
ontwaart men ook sierlijke snaren
die tezamen als verheffend instrument
door waarneembare trillingen
hoge bomen aan de overzijde bemint
en iedereen in het stromend water
zelfs de eeuwige beweging herkent

