dag
de dag joeg me
vroeg uit de veren
een kus zei doeg
ik hoefde niet
weder te keren
dagde dag joeg me
vroeg uit de veren
een kus zei doeg
ik hoefde niet
weder te keren
ik zeg nietik zeg niet
wat je al weet
pak het ook
niet in
het blijft dan
zichtbaar
het is immers
niet een schaduw
die ik bemin
Ichteen open blik was gericht
op uiterlijk gewicht
ik verloor tijdelijk zicht
op een innerlijk gedicht
werd in een droom gelicht
waar zwaartekracht om niet is gezwicht
voor pronkend schaduwlicht:
ik raakte gaandeweg ontwricht
*
de dag stuurde een bericht,
“van ijdelheid wordt u beticht,
als verblind door een nakend wicht,
hervat derhalve uw aardse plicht “
Vooruitzichteen bloem draagt bloesem
in het avondrood
verzacht het ademend lood
vertraagt een onbekende dood
het daglicht schijnt zich
toch wijder te verspreiden
zelfs over een grijze berg heen
die al metselend gedacht
een toekomst dicht
ergens gloort het weten
groter dan de zwaartekracht
waarvoor een droom
menselijkerwijze zwicht
het eeuwige bewegen
gaat verder dan mijn droge huid
het is in doorgaand zaad gelegen
soms gaat het zelfs bij mij te rade
ik draag nu al de buit, vooruit
het lijkt dat ik
in hoop mag baden
Hemelbedstormen jagen water op
tot onstuitbare krachten
tegelijk en niet alleen
in herhalende nachten
komen dromen de ziel bestuiven
vol met opspelende wenken
snellen mijn cellen voorbij
zonder te groeten, te wuiven
of aandacht aan mijn ego te schenken
alsof ze samenspannen
om dwaze geesten uit te bannen
en slechts doelgericht naar
onbevangenheid wenken
scheuten schieten door mijn lijf
als ik mijn dorre droogte zie
hoe is het zover gekomen,
door wie of wat
gaan bevroren weerstanden
plots
weer vol
met maagdelijke warmte denken
opdat nu al een te vroege lente schreeuwt
terwijl mijn winter toch geeuwt?
roept er dan een muze of
zuigt een bevrijdende leegte,
zo maagdelijk uitgespreid,
waarin oplichtende beelden vibreren
in mijn hemelbed met pauwenveren
Morgenik treur niet om
verleden seizoenen
als immer
zijn zij vergankelijk
ik blijf ze echter wel benoemen
hoe tel ik anders mijn dagen
op de meetlat van gedachten
die vooruitzichten dragen
en nog op onbekende
gevoelens wachten
zullen mijn herinneringen
nog verder vervagen?
“ the past will start again tomorrow”
het heden zal zeker
de spreidzit verzachten
Stillevenin volheid van leegte
vormt een opgerekte schaduw
smalle strakke strepen over zand,
in uiteinden verbonden,
wijzend naar een verhoogd terras
daar, verder, onder azuur
waar zicht in ongrijpbaarheid landt
een transparant glas,
verguld met aangeslagen licht,
reikt over eigen lengte heen
opweg naar een bindend slot
echter door de zonnestand van heden
lijken karaf en liggende loper
in de ruimte samen alleen
alwaar een desolate sfeer
over stilte schreeuwt
bedekt de strakke blauwe kroon
een einderloos korrelig tapijt
dat onverstoorbare hitte geeuwt
en bijgevolg alles nog in heelheid vrijt
Een wijle ten grondeals gevoel
mijn levenslust
naar binnen trekt
en ondraaglijk lijkt
roept de aarde
terwijl zwaarte mij toedekt
ik val dan neer,
haast stotend, ten gronde
splijt uiteen
in stervende delen
van koude rillend
aan overmacht gebonden
kijk stuurs nabije verte in
gedragen door lijfelijke steunen,
verscheurende schreeuwen
doen mijn hart kreunen
het is mogen raken aan de moeder
voorbij haar is er geen diepte meer
ik toon mijn tranen aan haar boezem
zuig haar liefde, keer op keer
*
na volle overgave
spannen mijn vingers zich aan
kracht rijst verstild op
hoor mijn adem
om evenwicht vragen
ik mag me weer,
zo voel ik,
aan opstaan wagen
Spiegelende beeldenhet regende
toen ik afdaalde
langs ons pad
met ingesleten treden
het was al lang geleden
dat wij hier waren
heb het lang gemeden
ik was het zelf
die deze weg
als het ware vergat
ik ruik nog de zomer van toen
met zoemende muggen
maar hoor ook de kwetsbare
stilte tussen ons beiden
je sprak in
sprankelende blikken
over jouw luchtige dromen
en ik,
ik dwaalde over mijn heide
zag edelherten gracieus
in galop voorbij komen
*
water en licht weerspiegelen
nu de dagen die mijn leven
allengs verder dragen
Praalgrafuit de ranke glazen tombe
ontspruit een hemels bloesem
groots toont de schepping
schoonheid van stervende blaren
opdat de ziel gevoelde eeuwigheid
blijvend in ons kan bewaren.
diffuus licht
besprenkelt
dit panorama
en verspreidt de geur
van onvergankelijk goud
welke sierlijk met knoppen
lijkt verweven:
kunst is daardoor nimmer oud
sober gekroond
met strekkende sepalen
draagt dit doorschijnend glas
de ademende melancholie
van een veranderlijke aarde
zo kan het telkens weer
van tedere dromen verhalen
Axel Gezahoog op de poten
elegant in zijn draf
wat hebben wij
van hem genoten
hij is niet meer
Axel Geza ging
en wel terug naar af
in zijn jeugdige jonkheid
zo soepel en ongedwongen
haast springerig van aard
lief, de onhandige staanders
van deze edele Vizsla
waarvan de schoonheid
telkens werd bezongen
na zoveel jaren is hij gegaan
wel als Heer van Stand
met een vergrijsde baard
door 's mensen hand geholpen
al slapende naar de andere kant
Tragiek in duelhet was stil
in het lawaai
van afwezige ogen
geluiden van hun ziel
beroerden ons aller hart
toch brak het ijs
toen na klanken
van gedeelde smart
‘t licht zich af kon stemmen
op het heden
ieder werd
op zijn unieke wijze
verder vrijelijk
in eigentijdse cadans
medegezogen
opdat zo weer
de toekomst
kon worden beleden
In volheid gedompeldik voel het zachte
van stilgevallen blaren
waar onder een tapijt
van vergankelijke kleuren
het rusten is begonnen
en mijn ziel zich
al stervende bereidt
op een mogelijk baren
tussen het grijs van boven
en de melange van benee
voel ik me even zo heel
opgenomen
in een immense zee
alsof ik mezelf
met al het zijnde deel


Nabij Zeusop het dode punt
van de boulevard
nabij een ijzeren wapen
van weleer
staart hij ver weg
concerteren
schreeuwende meeuwen
in lawaai van golvend geweld
melodieën in een witblauwe sfeer
hij ziet in de verte
gedachten passeren
schepen, af en aan,
doch op wisselende afstand
in de herinnering
wel te verstaan
haren, dun door de jaren
en uitgedroogde lippen
vangen het zilte zout
zijn sigaret stoomt
in draaiende richting
en geeft een mistig panorama
van warmte naar koud
aan het einde van de aarde
verstommen dan geleidelijk
onbetrouwbare beelden
voor even
daar weet hij van
ervaart hij de naakte eeuwigheid
op deze plek
los gewaad van een
schaduwrijk achterland
vindt hij zijn gepolijste vrijheid
totdat hij weer
naar de onweerstaanbare
realiteit wordt geleid
de voeten geaard in klevend zand
http://www.youtube.com/watch?v=gYCmsn-hNI4
Het afscheidrode ogen
verkleinen
in het donker
zij sterven in de nacht
genadevolle tellen
worden door eeuwigheid verpacht
harteloos verlaat uit mij
een vloed van schuimend wellen
wat heb ik vaak
de getijden veracht
als de kleuren van jouw stem
weer mijn verwachting kwellen
Gevleugelde snarenje straalt voor mij
in gracieuze lijnen gekleed
en bewegend in schaduwkleuren
jouw sprankelende geuren
daarvan heb ik enkel weet,
wil dat ze in me wonen
je ingetogen charme
geeft betoverende ogen
gedragen in een tedere tred
de kaaklijn, soms met haren bedekt,
doet mij ontroeren
schept mijn beelden;
schoonheid wordt in mij opgewekt
een zachte stem
kleurt het licht van je ziel
dat vertelt van frèle voelbaarheid
jouw gezicht verwondert,
je bent naar mij geleid
Knusgrijs getinte heuvels tekenen zich af
op de ramen van mijn doorzonkamer
ook al is de zomer reeds lang op zijn retour
en de dag allengs meer bekort
is het stof nog kraakhelder zichtbaar
op mijn vinylen vloer en dressoir
de hoge zetels hebben, door
het oktoberlicht beschenen,
nog niets aan waardigheid verloren
het gobelin bloeit als nooit te voren
alhoewel de zitting tot het verleden behoort
kan deze weelde mij nog zo bekoren
en ik, overeenkomstig mijn aard, in stilte
van achter mijn vertrouwde begonia’s
naar een buiten vol klinkers staar
Als het blad nog groen kleurtNaarmate de tijd voortschrijdt
En ik nog vaker de ochtenden tel
Dan wel dagen overwin op het licht
Doorzie ik de beslagen schoonheid
Van ieder elegant vrouwelijk wicht
Ook al ziet men mij als oud vel
Dat steeds dichter de aarde nadert
Dan denk ik heimelijk doch opgelucht
Wacht maar totdat de roest ook jullie betast
En uw spannend vlees opzichtelijk adert
Men mag de bloemen echter niet
Te vroeg laten verleppen
Het moet gezegd
U ruikt nog immer naar meer;
Opwindend zijn derhalve uw stappen
Helaas kom ik adem te kort
Om de vreugd van de jeugd
Nog onbescheiden te behappen
Die wordt immers steeds meer
In vergeten dromen gelegd
Engelen in het oosterhoutMorgen zie ik engelen
In het oosterhout
Zij worden op doeken gedragen
Herken ik dan de eenvoud
Van enkel zwijgende vrouwen
Uit mijn verbeeldende lagen
Zij omarmen mij zonder te raken
Verwarmen met open ogen
In licht waarvan de dichter
Woorden wil maken
Zij spreekt
Oorspronkelijk
In galmen van gewelven
Ik luister en droom
Overbrug haar adem
Naar mijn hart
Om kleuren en klanken
Uit mijn Hemel te delven
Morgen zie ik engelen
In het oosterhout