Zien
draag mijn handen
onderweg naar daar
ik zie in de verte,
de liefde ligt klaar
schiet op,
aarzel niet
het is een
hemels gebaar
Ziendraag mijn handen
onderweg naar daar
ik zie in de verte,
de liefde ligt klaar
schiet op,
aarzel niet
het is een
hemels gebaar
Hoe ver is dichtbijhoe ver woont
de mens in buren
ook al voelt men
bij het passeren
elkaars huid schuren
de afstand
wordt groter
als woorden interen
en ogen slechts inblikken
raak mij niet meer
ook in mij
roept een stem
om in te schikken
Binnenste Buitendiffuus word ik belicht
deze morgen
de zon wil mij verrijken
vraagt mij
naar buiten te kijken
stof en vette vingers
hinderen het zicht
het is goed zo
om alles zuiver te zien
kan men beter naar binnen
zijn gericht
bovendien verleidt de zon;
aan de andere kant
van mijn venster
toont celcius
een ander land
Achillesik ga maar
roept mijn gevoel
nog langer hier
verblijven
gekluisterd aan een
onaantastbaar doel
is teren op
starre beelden,
vastgespijkerd
aan ijle lucht
ze zullen eerder,
wat komt en gaat,
aan stijfheid rijgen
hoe kwetsbaar
is mijn hiel
onder deze
verlopen zucht
Zachte zijdemijn vingers
die in geuren wenken
strelen heur haren
aanvoelend als van zijde
haar borsten bewegen
in zacht zuchten
die meer dan schoonheid schenken
en niet in afstand vluchten
terwijl de huid als pril gras
schemert in een open weide
ogen als zwarte kralen
bespelen in andante
het ritme van het hart
verborgen achter voile
mij zoekend als vragende verwante
in verdreven schaduwrijke smart
Achter de wolkende handen reiken niet verder
dan het kloppen van mijn hart
de armen nog verder strekken
verlicht ook niet beklemmende smart;
ooit kon fluisteren warmte opwekken
je aangezicht verstart
verwachting vordert verwarring,
denken raakt overdadig gehard
en wordt hoop
een aftreksel van bedeling
terwijl de lente toch
blauw de aarde bedekt
vogels ons
liefdevol begroeten
en een kinderlach
zo vaak de pijn toedekt
hoe kan ik jouw gestolde tranen
morgen in de zon ontmoeten
Werkelijkwat is toekomst
als de avond al valt
kan ik morgen nog zien
als voorstelbaar
zoals ik in mijn jeugd
naar dat wat komt
nog als onbevangen en
eeuwigheid ervaar
mijn vel
rimpelt, verdroogt
doch de ogen
zien de schoonheid
almaar meer
gedragen door wortels van
ervarend verjaren
die het heden
maar ook verleden;
mijn levensweg steeds
beter doen verklaren
minder gebonden
of misleid
door dromerig verlangen
verlost van de drang
die de voortplanting berijdt
de waarde
ligt steeds meer
in het gezicht
van het einde
dwingt zelfs
het huidig ademen
als werkelijkheid te zien
ben zo meer
op diepte,
en echtheid gericht
zelfs als ik de sterfelijkheid
in toenemende mate
met liefde bedien
Programma's mmv voordrachtenPh. Van Wichel (1610-1675) – vioolsonate I (viola d’amore + klav + cello)
J.S.Bach (1685-1750)
- Andante in f BWV 964 (klavecimbel, naar Andante uit 2e viool-solosonate BWV 1003)
- Andante in f uit 2e viool-solosonate BWV 1003 (vioolsolo)
- Adagio in G, BWV 968 (klavecimbel, naar Preludium uit 3e viool-solosonate BWV 1005)
*pauze
G.F. Handel (1685-1759) – vioolsonate op.1 nr. 10 (viool + klav + cello)
Corelli (1653-1713) – sonates op.5 nr.5 en op.5 nr. 8 (viool + klav + cello)
- sonate op.5 nr.12 “La Follia” (viola d’amore + klav + cello)
T.Albinoni (1671-1751) – vioolsonate VI in B (viool + klav + cello)
J.S.Bach (1685-1750) Adagio in Es, uit: Toccata BWV 916 (klavecimbel)
H.I.F. von Biber (1644-1704) – vioolsonate VI (viool + klav +
cello)
5 augustus 2012
Concert te Deventer met orgel/barokviool/viola d'
amore
( activiteit tijdens jaarlijkse
Boekenmarkt)
Locatie en tijd : In
planning
o.a.Organist : Axel Wenstedt uit
Sint-Oedenrode
Mmv : Julius Dreyfsandt zu
Schlamm, dichter
Concept muziekprogramma :
viola d’amore en
orgel Ph. Van Wichel (1610-1675) – vioolsonate
I
orgel C.Ph.E.Bach (1714-1788) – variaties op La Folie d’Espagne WQ 118 (1781) orgel
viola d’amore en orgel A. Corelli sonate op.5 nr.12 “La Follia”
J.S.Bach (1685-1750)
orgel - Andante in f BWV 964 (naar Andante uit 2e viool-solosonate BWV 1003)
vioolsolo - Andante in f uit 2e viool-solosonate BWV 1003
orgel - Adagio in Es, uit: Toccata BWV
916
viola d’amore en orgel - Adagio in b BWV
1019a
viool en orgel T.Albinoni (1671-1751) – vioolsonate VI in B
viool en orgel H.I.F. von Biber (1644-1704) – vioolsonate
V1
30 juni 2012
1)
Concert voor Orgel, Saxefoon en
Poëzie
Orgel: Smitsorgel uit 1839 Sint-Martinuskerk,
Sint-Oedenrode
Aanvang: 15.30
o.a.Orgel : Axel Wenstedt uit Sint-Oedenrode
Saxefoon
: Jo Hennen
Mmv : Julius Dreyfsandt zu Schlamm,
dichter
Concept muziekprgramma :
Orgel
solo
J.Cage (1912-1992)-Organ 2 / ASLSP "As slow as possible“ 1’27’’ 05-09-2001 tm 05-07-2012
Froberger Tombeau de Blancheroche
Rameau La Poule
Anoniem (Spanje +-1650)- “Cancion para la Corneta con el Eco”
Schubert : Gloria en Credo uit Deutsche Messe
orgel + saxofoon:
GPCima 1610 sonate voor zink en orgel
Bach 1e gambasonate
Paule Maurice - Des Alyscamps Láme Soupire uit Tableaux de Provence (saxofoon alt en orgel)
Ryo Noda -Improvisation II voor Saxofoon Alt Solo
Misschien voor orgel nog : Fr.Couperin - Les Fastes de la grande et ancienne
Mxnxstrxndxsx
(voor dichter en klavecimbel)
2)
Concert voor Orgel en
Poëzie
Orgel : Smitsorgel uit 1838 Sint-Willibrorduskerk,
Markt, Deurne (Ned)
Aanvang : 20.30
uur
Organist : Piet Groenendijk uit Son
en Breugel
Mmv : Julius Dreyfsandt zu Schlamm,
dichter
Muziekprogramma:
Koralen van
Bach :
BWV 654
BWV 655
BWV
658
BWV
663
BWV
666
BWV
667
BWV 668.


Lawinesoms overvalt ons een lawine van pijn
die het uitzicht doet verdwijnen
overmacht schijnt dan heerser te zijn
het doet onze verwachting ondermijnen
niemand ontkomt aan
schaduwen van het bestaan,
hoe edel de mens ook is,
ieder wordt ooit geslagen
met een worstelend gemis
als ze niet meer worden gesproken
ademen woorden slechts in stilte
men sluit elkaar dan in de armen
en tracht te delen in de immense kilte
geen mens ontkomt aan
schaduwen van het bestaan
het nodigt ons ook uit,
elk op eigen wijze,
met de naaste verder
onderweg mee te gaan
Enfinmijn haar
nog immer lang,
over oren op weg
naar schouder
verdunt in allerijl,
havens komen in zicht,
op het slagveld
ruist het voorlaatste riet
het wordt er kouder
is het vizier
op mijn zwanengezang
gericht
raakt dan ook
de geest gekweld,
wordt mijn kijken
naar nog meer staren overgeheld
dicht ik almaar dichter dan verlicht
en strooi ik verder naar de einder uit
totdat er zes geschaafde vierhoeken
uit een catalogus worden besteld
ja, zo'n winteravond
deelt geen lentegebaren
enfin,
zo overdenk ik het geringste
en tracht de aanval op de uitval
van een pronkjuweel
met ledigheid te verklaren,
tokkelend langs mijn
ijdele citersnaren
dat wel!
Naamloosals een woord
een voor een
zijn letters verliest
blijft leegte achter
het is de stilte
die dan zonder vorm
naamloos bevriest
Dageneven fijn
aan niets denken
naar buiten wenken
er wordt langzaam
licht geboren;
huizen in ochtendgloren
zo hou ik het vandaag
wil rustig mijn wereld openen
laag voor laag
dagde dag joeg me
vroeg uit de veren
een kus zei doeg
ik hoefde niet
weder te keren
ik zeg nietik zeg niet
wat je al weet
pak het ook
niet in
het blijft dan
zichtbaar
het is immers
niet een schaduw
die ik bemin
Ichteen open blik was gericht
op uiterlijk gewicht
ik verloor tijdelijk zicht
op een innerlijk gedicht
werd in een droom gelicht
waar zwaartekracht om niet is gezwicht
voor pronkend schaduwlicht:
ik raakte gaandeweg ontwricht
*
de dag stuurde een bericht,
“van ijdelheid wordt u beticht,
als verblind door een nakend wicht,
hervat derhalve uw aardse plicht “
Vooruitzichteen bloem draagt bloesem
in het avondrood
verzacht het ademend lood
vertraagt een onbekende dood
het daglicht schijnt zich
toch wijder te verspreiden
zelfs over een grijze berg heen
die al metselend gedacht
een toekomst dicht
ergens gloort het weten
groter dan de zwaartekracht
waarvoor een droom
menselijkerwijze zwicht
het eeuwige bewegen
gaat verder dan mijn droge huid
het is in doorgaand zaad gelegen
soms gaat het zelfs bij mij te rade
ik draag nu al de buit, vooruit
het lijkt dat ik
in hoop mag baden
Hemelbedstormen jagen water op
tot onstuitbare krachten
tegelijk en niet alleen
in herhalende nachten
komen dromen de ziel bestuiven
vol met opspelende wenken
snellen mijn cellen voorbij
zonder te groeten, te wuiven
of aandacht aan mijn ego te schenken
alsof ze samenspannen
om dwaze geesten uit te bannen
en slechts doelgericht naar
onbevangenheid wenken
scheuten schieten door mijn lijf
als ik mijn dorre droogte zie
hoe is het zover gekomen,
door wie of wat
gaan bevroren weerstanden
plots
weer vol
met maagdelijke warmte denken
opdat nu al een te vroege lente schreeuwt
terwijl mijn winter toch geeuwt?
roept er dan een muze of
zuigt een bevrijdende leegte,
zo maagdelijk uitgespreid,
waarin oplichtende beelden vibreren
in mijn hemelbed met pauwenveren
Morgenik treur niet om
verleden seizoenen
als immer
zijn zij vergankelijk
ik blijf ze echter wel benoemen
hoe tel ik anders mijn dagen
op de meetlat van gedachten
die vooruitzichten dragen
en nog op onbekende
gevoelens wachten
zullen mijn herinneringen
nog verder vervagen?
“ the past will start again tomorrow”
het heden zal zeker
de spreidzit verzachten
Stillevenin volheid van leegte
vormt een opgerekte schaduw
smalle strakke strepen over zand,
in uiteinden verbonden,
wijzend naar een verhoogd terras
daar, verder, onder azuur
waar zicht in ongrijpbaarheid landt
een transparant glas,
verguld met aangeslagen licht,
reikt over eigen lengte heen
opweg naar een bindend slot
echter door de zonnestand van heden
lijken karaf en liggende loper
in de ruimte samen alleen
alwaar een desolate sfeer
over stilte schreeuwt
bedekt de strakke blauwe kroon
een einderloos korrelig tapijt
dat onverstoorbare hitte geeuwt
en bijgevolg alles nog in heelheid vrijt