

Lawine
soms overvalt ons een lawine van pijn
die het uitzicht doet verdwijnen
overmacht schijnt dan heerser te zijn
het doet onze verwachting ondermijnen
niemand ontkomt aan
schaduwen van het bestaan,
hoe edel de mens ook is,
ieder wordt ooit geslagen
met een worstelend gemis
als ze niet meer worden gesproken
ademen woorden slechts in stilte
men sluit elkaar dan in de armen
en tracht te delen in de immense kilte
geen mens ontkomt aan
schaduwen van het bestaan
het nodigt ons ook uit,
elk op eigen wijze,
met de naaste verder
onderweg mee te gaan
Enfin
mijn haar
nog immer lang,
over oren op weg
naar schouder
verdunt in allerijl,
havens komen in zicht,
op het slagveld
ruist het voorlaatste riet
het wordt er kouder
is het vizier
op mijn zwanengezang
gericht
raakt dan ook
de geest gekweld,
wordt mijn kijken
naar nog meer staren overgeheld
dicht ik almaar dichter dan verlicht
en strooi ik verder naar de einder uit
totdat er zes geschaafde vierhoeken
uit een catalogus worden besteld
ja, zo'n winteravond
deelt geen lentegebaren
enfin,
zo overdenk ik het geringste
en tracht de aanval op de uitval
van een pronkjuweel
met ledigheid te verklaren,
tokkelend langs mijn
ijdele citersnaren
dat wel!
Naamloos
als een woord
een voor een
zijn letters verliest
blijft leegte achter
het is de stilte
die dan zonder vorm
naamloos bevriest
Dagen
even fijn
aan niets denken
naar buiten wenken
er wordt langzaam
licht geboren;
huizen in ochtendgloren
zo hou ik het vandaag
wil rustig mijn wereld openen
laag voor laag
dag
de dag joeg me
vroeg uit de veren
een kus zei doeg
ik hoefde niet
weder te keren
ik zeg niet
ik zeg niet
wat je al weet
pak het ook
niet in
het blijft dan
zichtbaar
het is immers
niet een schaduw
die ik bemin
Icht
een open blik was gericht
op uiterlijk gewicht
ik verloor tijdelijk zicht
op een innerlijk gedicht
werd in een droom gelicht
waar zwaartekracht om niet is gezwicht
voor pronkend schaduwlicht:
ik raakte gaandeweg ontwricht
*
de dag stuurde een bericht,
“van ijdelheid wordt u beticht,
als verblind door een nakend wicht,
hervat derhalve uw aardse plicht “
Vooruitzicht
een bloem draagt bloesem
in het avondrood
verzacht het ademend lood
vertraagt een onbekende dood
het daglicht schijnt zich
toch wijder te verspreiden
zelfs over een grijze berg heen
die al metselend gedacht
een toekomst dicht
ergens gloort het weten
groter dan de zwaartekracht
waarvoor een droom
menselijkerwijze zwicht
het eeuwige bewegen
gaat verder dan mijn droge huid
het is in doorgaand zaad gelegen
soms gaat het zelfs bij mij te rade
ik draag nu al de buit, vooruit
het lijkt dat ik
in hoop mag baden
Hemelbed
stormen jagen water op
tot onstuitbare krachten
tegelijk en niet alleen
in herhalende nachten
komen dromen de ziel bestuiven
vol met opspelende wenken
snellen mijn cellen voorbij
zonder te groeten, te wuiven
of aandacht aan mijn ego te schenken
alsof ze samenspannen
om dwaze geesten uit te bannen
en slechts doelgericht naar
onbevangenheid wenken
scheuten schieten door mijn lijf
als ik mijn dorre droogte zie
hoe is het zover gekomen,
door wie of wat
gaan bevroren weerstanden
plots
weer vol
met maagdelijke warmte denken
opdat nu al een te vroege lente schreeuwt
terwijl mijn winter toch geeuwt?
roept er dan een muze of
zuigt een bevrijdende leegte,
zo maagdelijk uitgespreid,
waarin oplichtende beelden vibreren
in mijn hemelbed met pauwenveren
Morgen
ik treur niet om
verleden seizoenen
als immer
zijn zij vergankelijk
ik blijf ze echter wel benoemen
hoe tel ik anders mijn dagen
op de meetlat van gedachten
die vooruitzichten dragen
en nog op onbekende
gevoelens wachten
zullen mijn herinneringen
nog verder vervagen?
“ the past will start again tomorrow”
het heden zal zeker
de spreidzit verzachten
Stilleven
in volheid van leegte
vormt een opgerekte schaduw
smalle strakke strepen over zand,
in uiteinden verbonden,
wijzend naar een verhoogd terras
daar, verder, onder azuur
waar zicht in ongrijpbaarheid landt
een transparant glas,
verguld met aangeslagen licht,
reikt over eigen lengte heen
opweg naar een bindend slot
echter door de zonnestand van heden
lijken karaf en liggende loper
in de ruimte samen alleen
alwaar een desolate sfeer
over stilte schreeuwt
bedekt de strakke blauwe kroon
een einderloos korrelig tapijt
dat onverstoorbare hitte geeuwt
en bijgevolg alles nog in heelheid vrijt
Een wijle ten gronde
als gevoel
mijn levenslust
naar binnen trekt
en ondraaglijk lijkt
roept de aarde
terwijl zwaarte mij toedekt
ik val dan neer,
haast stotend, ten gronde
splijt uiteen
in stervende delen
van koude rillend
aan overmacht gebonden
kijk stuurs nabije verte in
gedragen door lijfelijke steunen,
verscheurende schreeuwen
doen mijn hart kreunen
het is mogen raken aan de moeder
voorbij haar is er geen diepte meer
ik toon mijn tranen aan haar boezem
zuig haar liefde, keer op keer
*
na volle overgave
spannen mijn vingers zich aan
kracht rijst verstild op
hoor mijn adem
om evenwicht vragen
ik mag me weer,
zo voel ik,
aan opstaan wagen
Spiegelende beelden
het regende
toen ik afdaalde
langs ons pad
met ingesleten treden
het was al lang geleden
dat wij hier waren
heb het lang gemeden
ik was het zelf
die deze weg
als het ware vergat
ik ruik nog de zomer van toen
met zoemende muggen
maar hoor ook de kwetsbare
stilte tussen ons beiden
je sprak in
sprankelende blikken
over jouw luchtige dromen
en ik,
ik dwaalde over mijn heide
zag edelherten gracieus
in galop voorbij komen
*
water en licht weerspiegelen
nu de dagen die mijn leven
allengs verder dragen
Praalgraf
uit de ranke glazen tombe
ontspruit een hemels bloesem
groots toont de schepping
schoonheid van stervende blaren
opdat de ziel gevoelde eeuwigheid
blijvend in ons kan bewaren.
diffuus licht
besprenkelt
dit panorama
en verspreidt de geur
van onvergankelijk goud
welke sierlijk met knoppen
lijkt verweven:
kunst is daardoor nimmer oud
sober gekroond
met strekkende sepalen
draagt dit doorschijnend glas
de ademende melancholie
van een veranderlijke aarde
zo kan het telkens weer
van tedere dromen verhalen
Axel Geza
hoog op de poten
elegant in zijn draf
wat hebben wij
van hem genoten
hij is niet meer
Axel Geza ging
en wel terug naar af
in zijn jeugdige jonkheid
zo soepel en ongedwongen
haast springerig van aard
lief, de onhandige staanders
van deze edele Vizsla
waarvan de schoonheid
telkens werd bezongen
na zoveel jaren is hij gegaan
wel als Heer van Stand
met een vergrijsde baard
door 's mensen hand geholpen
al slapende naar de andere kant
Tragiek in duel
het was stil
in het lawaai
van afwezige ogen
geluiden van hun ziel
beroerden ons aller hart
toch brak het ijs
toen na klanken
van gedeelde smart
‘t licht zich af kon stemmen
op het heden
ieder werd
op zijn unieke wijze
verder vrijelijk
in eigentijdse cadans
medegezogen
opdat zo weer
de toekomst
kon worden beleden
In volheid gedompeld
ik voel het zachte
van stilgevallen blaren
waar onder een tapijt
van vergankelijke kleuren
het rusten is begonnen
en mijn ziel zich
al stervende bereidt
op een mogelijk baren
tussen het grijs van boven
en de melange van benee
voel ik me even zo heel
opgenomen
in een immense zee
alsof ik mezelf
met al het zijnde deel

Nabij Zeus
op het dode punt
van de boulevard
nabij een ijzeren wapen
van weleer
staart hij ver weg
concerteren
schreeuwende meeuwen
in lawaai van golvend geweld
melodieën in een witblauwe sfeer
hij ziet in de verte
gedachten passeren
schepen, af en aan,
doch op wisselende afstand
in de herinnering
wel te verstaan
haren, dun door de jaren
en uitgedroogde lippen
vangen het zilte zout
zijn sigaret stoomt
in draaiende richting
en geeft een mistig panorama
van warmte naar koud
aan het einde van de aarde
verstommen dan geleidelijk
onbetrouwbare beelden
voor even
daar weet hij van
ervaart hij de naakte eeuwigheid
op deze plek
los gewaad van een
schaduwrijk achterland
vindt hij zijn gepolijste vrijheid
totdat hij weer
naar de onweerstaanbare
realiteit wordt geleid
de voeten geaard in klevend zand
http://www.youtube.com/watch?v=gYCmsn-hNI4

