Schaduw
ik schrijf de nacht
vol met geruis;
het lawaai van stilte
als ik de bevroren menigte
naar een volle leegte sluis
roep nog
met verstijfde lippen,
de ogen zien naar binnen
rest mij de schaduw
die het geketend waken
zal beminnen
Schaduwik schrijf de nacht
vol met geruis;
het lawaai van stilte
als ik de bevroren menigte
naar een volle leegte sluis
roep nog
met verstijfde lippen,
de ogen zien naar binnen
rest mij de schaduw
die het geketend waken
zal beminnen
Verlichtenhet is werkelijkheid
die men van binnen
door begeestering ervaart
en zich komende dagen
fijn besnaard
over ons verspreidt
gelijk een duif verbindingen legt,
zich aan het ongrijpbare wijdt
dat licht schenkt
aan elkanders zielenwegen
opdat leven liefde zegt
en naar het voelbare inzicht wenkt
Alles spreekt voor zichen de wind zegt mij
ga over dit pad
luister hoe het veld zingt
voel de boom
en zie, ze wuift met een blad
zelfs gestorven hout, ginds,
kent de mooiste droom
ook als gij de vlonders betreedt
die in kunstige lijnen
u boven de aarde heffen
zullen waterspiegelende bochten
die weet hebben van komen en gaan
u in het ommetje weer treffen.
het is riet dat de stilte leidt
naar oprechte verwondering
die om geen enkel antwoord vraagt
en waar de kleurrijke ijsvogel
zijn opgeviste prooi
naar hoger oever draagt
http://www.gedichten.nl/nedermap/gedichten/gedicht/183779.html?zoekresultaat=ja
Ik huisde in de nachtik was even weg
van de straat
het buurten
van jou
jullie
de ziel kleefde
aan blinde gedachten
in mijn lijf
aan het niets in de leegte
men vertelde van de zon
een tropische dag
maar de slaap
suste mij, onophoudelijk,
drie etmalen lang
tot stijve spieren toe
de aarde was ik
niet verder dan de zetel
waarin ik huisde
en hij, er op er af,
die bij me sliep
en soms nipte aan mijn neus
hij was mijn buitenwereld
Blijf maarblijf maar thuis fluistert de wind
in mijn beide oren
vandaag kom ik
niet meer langs
denk maar aan mensen
die je toe behoren
ze vertellen
over het weer en meer
regen, kwellen
of de zon en maan
die iets over liefde vertellen
het eelt op hun ziel
de kinderen die bellen
mij zal je niet horen vandaag
ik word elders verwacht
op velden van eer
daar wordt stilte door mij gevuld
het steunt de wandelaar
als ik zijn ontzielde herinnering verzacht
en hij even geen woorden duldt
zie ook wel dat deuren
overal, ondanks diverse tinten,
zo grijs blijven kleuren
of dat het voorhang
de afwezigheid bewaakt
en dubbel glas
als het toneel wel zichtbaar is
de wereld geluidloos buitensluit
bij het ontbreken van
de dragende takken
is het de natte snuit
van een kleine viervoeter
die blij mijn milde lippen raakt
en pindakaas ruikt
Zij, die luistertkeer je tot ons
gij mooi mens
voeg schoonheid toe
zo is ieders wens
met je kleurrijke schaduw
en warme lach
woorden zijn niet nodig
je bent niet schuw
doch zie in je ogen
een rijkdom aan stilte
die ik zozere mag
je kijkt ons aan
ieder, een voor een
blijf
jammer
je moet spoedig gaan
en ziet nog eenmaal om
over ons allen
en toch naar ieder
dag, donkere vrouw
je luisterde naar
ons dichterlijk gemijmer
even, daarna
was ik
in korte rouw
Duizend druppelsik drijf naar zoete wateren
vanuit het verdorde land
waar het aangeslagen meer
nog steeds zout is gekleurd
omringd met vergankelijk riet
mijn tijd lijkt daar verbeurd
de stroming zingt kussend
zowel ter linker- als rechter zijde
de strelende oeverkant
fluistert zacht over het groen
dat wacht in het verschiet
kilte verliest een ondoorzichtig vlies
het is zonnelicht
dat barende warmte biedt
ontelbare fladderende wieken
verspreiden de geuren
die steeds sterker naar de verte rieken
alwaar de dageraad op mij wacht
morgen, morgen zo hoop ik
zal jij mij met tedere blikken
uit duizend druppels opbeuren
Aan de Dommelhier stroomt onze trots
al in de Oude Vrijheid gekend
door haar wederkerende loop
en sponzig ademend water
een levende ader
als weerbare kracht erkend
is veelzijdig en uitdagend
draagt haar schoonheid
waardevol op weg naar later
Bij vlagen van de windik zie vanachter mijn raam
de armen van de boom
gewichtig heen gaan
en weer terug
zelfs iets verder dan vooreerst
de bladeren wuiven
naar dode scheuten
die nog steeds,
en dat voelt als eeuwig,
messcherp op mijn
bezielde huid staan
beschermen
al dat in mij ademt
tegen de wereld
in het buiten
het kan ook zijn
dat mijn profane
tabernakel
het licht verbant
als geblindeerde ruiten
mijn handen grijpen naast
de doorgaande beweging
of zie ik niet
dat de wind mij draagt
met sprakeloze vertedering
(zie ook youtube)
Overgavegeloven in onze eigen verrijzenis
is verder zien
dan wij kunnen denken
door het ritme van lente, zomer,
herfst en winter
wil de schepping juist
vertrouwen en rust schenken
tijdens schaduwrijke momenten
waarin wij ons leven hier
zo vaak met anderen delen
is nieuw licht te ontdekken
omdat onvoorwaardelijke liefde,
door Gods woord
en de handen van onze naaste,
opnieuw verlangen
en overgave
bij ons wil opwekken
als wij daar op
kunnen vertrouwen
en niet
met angsten
voor de dood
worden bestoven
dan zijn we in staat
in een eeuwig leven,
na ons aardse bestaan,
te geloven
(Geschreven in opdracht. In het kader van een Paasviering)