|
Blz 24.
maand werd dit ontslag door den gemeenteraad aangenomen en in dezelfde zitting de heer Stanislas De Meutter met algemeene stemmen tot hulponderwijzer aangesteld.
"Stanislas ging over tot de groote klas,
En Jan, zijn broeder, die door Stanislas
In 't schooldoen iets wat onderwezen was,
Die deed in vaders plaats de kleine klas."
Mijnheer Stanislas De Meutter was een bekwaam en ijverig onderwijzer. Ook was hij een buitengewoon muzikant; geen wonder dus dat hij in de klas zich veel, zeer veel, misschien te veel bezighield met den zang. Bijna dagelijks weergalmden in de school allerlei Vlaamsche en Fransche liederen. Toen mijnheer de Inspecteur Troost de eerste maal na zijne benoeming tot ridder der Leopoldsorde, te Schrieck in de school kwam, werd hij door de leerlingen verwelkomd door een gelegenheidslied, dat Stanislas zelf gedicht en getoonzet had. Onder het bestuur van mijnheer De Meutter ging de school van Schrieck zoo zeer vooruit, dat de vrije scholen der omliggende gehuchten, bij gebrek aan leerlingen, hunne klassen sloten. In den prijskamp van 1857 bekwam zij een accessit en twee eervolle meldingen en in dien van het jaar 1861 vier accessits en eene loffelijke melding.
Jammer dat die goede onderwijzer langzamerhand een tweede Schools werd en op 't einde onmatig gebruik maakte van sterken drank, waardoor hij zich eene ziekte kweekte, die hem, na zes maanden lijdens, den 26 Mei 1864 ten grave sleepte. Dit laatste jaar genoot hij als onderwijzer eene jaarwedde van 730 fr. en als gemeenteontvanger, welke bediening hij sedert 1856 bekleedde, eene jaarlijksche somme van 350 fr.
Was er destijds gebrek aan onderwijzers? Wij weten het niet. Althans er bood zich binst het jaar geen enkel postulant aan en het was slechts in zitting van 27 April 1865 dat de heer Van Eepoel Theophile, weerom een gediplomeerd leerling der normaalschool van Lier, benoemd werd van hulponderwijzer in de gemeenteschool van Schrieck. Intusschentijd, van af October 1863, had Jan De Meutter, in de school de plaats ingenomen van zijnen broeder Stanislas en hij zelf was in de kleinste klas vervangen door Henri, de oudste doch minst geleerde der nog overblijvende zonen, met den titelvoerenden hoofdonderwijzer. Met de komst van mijnheer van Eepoel mocht Henri te huis blijven en Jan ging terug tot de kleine klas.
Mijnheer Van Eepoel bleef hier, met eene jaarwedde van 750 fr., slechts een jaar werkzaam: hij vertrok naar Gelrode, waar hij de bediening van hoofdonderwijzer waarnam tot in 1879, in welk jaar hij benoemd werd tot Inspecteur van het lager onderwijs voor het schoolkanton Zottegem, welk verheven ambt hij hedendaags nog bekleedt.
Van April tot Juni waren de gebroeders De Meutter weer in de school werkzaam
Blz 25.
op denzelfden voet als vroeger.
Het moet er destijds nog al gegaan hebben in de Schriecksche school, waar twee onbekwame meesters zich met het onderricht onledig hielden. Zo lezen wij onder andere in eenen brief van den heer Gouverneur, dagteekenende 25 April 1866: "L'enseignement primaire à Schrieck devrait être entièrement réorganisé. Il est à désirer que le sieur De Meutter, que son âge avancé et son état maladif empêchent de remplir encore les fonctions d'instituteur, sollicite sa mise à la pension et soit remplacé par un titulaire capable." Op 25 Juni van hetzelfde jaar ontving het gemeentebestuur op nieuw een schrijven van dezen hoogen ambtenaar, waarin gezegd werd: "Le conseil comprendra, j'espère, qu'il y a ici un devoir à remplir; il doit inviter le sieur De Meutter, père, sa démission et au besoin, l'y obliger ... Je suis tellement convaincu de la nécessité de donner une bonne organisation à l'enseignement en cette commune que je suis déterminé à agir d'office, si le conseil tarde à prendre lui-même des mesures." En eindelijk op 28 November 1866 komt mijnheer de Gouverneur nogmaals op de zaak terug en schrijft onder andere: "Cette situation ne peut être tolérée un moment de plus. Il faut que l'instituteur De Meutter donne immédiatement sa démission. ... Le conseil devra, sans aucun retard, procéder à la nomination d'un instituteur et prendra un candidat diplomé. ... Je désire recevoir une réponse satisfaisante dans la quinzaine au plus tard. Je prendrai des mesures d'office, si le conseil continue à s'abstenir!" Daarop gaf de oude koster zijn ontslag als hoofdonderwijzer der gemeenteschool, en wij weten wie er tot zijn opvolger werd aangesteld.
Wij vergaten te melden dat intusschentijd een nieuwe ondermeester benoemd was, namelijk mijnheer De Meutter Felix, die in dienst trad den 1 Juni 1866. Deze was niet een kosterszoon, maar geboortig van Itegem, en later onderwijzer te Beersel. Hij bezat evenals mijnheer Eug. Van Hoof, thans onderwijzer bij de middelbare school te Leuven, die hem met November 1873 opvolgde, een diploma bekomen bij 't Rijks normaalschool van Lier. Beide waren in de school werkzaam onder het bestuur van mijnheer Viskens, en daar bij hen "Zulke meester, zulke knecht" waarheid was, hoeven wij niet aan te stippen met welke nauwgezetheid, met welken iever deze heeren de opvoeding der hun toevertrouwde kleinen ter herte namen. De eerste eindigde hier met een traktement van 950 fr. en de tweede met eene wedde van 1250 fr. 't Was met deze laatste som dat de opsteller dezes als hulponderwijzer alhier begon den 1 April 1879. In zitting van 6 October 1884 werd zijn traktement tot 1450 fr. geklommen, verminderd op 1100 fr. en voor het jaar 1893 opnieuw met 100 fr. vermeerderd. In zitting van 4 Januari 1894 bevorderd zijnde tot hoofdonderwijzer werd hij als hulponderwijzer
Blz 26.
vervangen door mijnheer t’Servranckx Hendrik, vroeger in dezelfde hoedanigheid werkzaam in de gemeenteschool van Zoerle-Parwijs. De heer t’Servranckx had de drie leergangen der Vrije Katholieke normaalschool van Mechelen met goeden uitslag gevolgd en mocht een knap ondermeester genoemd worden, in wiens klas bijzonder veel tucht heerschte. Hij begon met 1100 fr. en bekwam, ingevolge der laatste onderwijswet, ten jare 1896 honderd frank opslag.
Benoemd den 17 Aug. 1899 volgde de tweede ondertekenaar dezer verhandeling, met eene jaarwedde van 1200 fr., den heer t’Servranckx op den 1e October van hetzelfde jaar.
Stippen wij nog aan dat, bij het openen der gemeentemeisjesschool, deze bestuurd werd door de Eerw. Zusters, welke respectievelijk 1800 fr. en 1050 fr. jaarwedde genoten; doch bij het invoegentreden der wet van 1879 dienden deze hun ontslag in en namen het bestuur in handen der Vrije Katholieke jongens- en meisjesscholen. Daar de gemeente weigerde in hunne vervanging te voorzien, stelde het Gouvernement van ambtswege als gemeenteonderwijzeres aan: mejuffer Victoria Weyns, gediplomeerde hulponderwijzeres te Merchtem. Met eene jaarwedde van 1800 fr. bleef juffrouw Weyns, later Madame Van der Borght geworden, hare bediening hier gewetenvol vervullen tot October 1884, toen zij, ten gevolge van afschaffing harer bediening, in beschikbaarheid gesteld werd.
Wij vergaten te spreken over de bekwaamheid der tegenwoordige onderwijzers; of beter gezegd, wij verzuimden zulks met opzet. "Eigen lof stinkt", en daarom laten wij liefst aan anderen en aan het nageslacht de taak den huidigen toestand te beoordeelen.
Om hetgeen wij in den loop dezer verhandeling over de ontwikkeling van het lager onderwijs in onze gemeente reeds zegden, eenigszins te volledigen, willen wij nog aanhalen:
1- Op 6 Juni 1895 werd er in de school een matigheidsgenootschap gesticht.
2- Op 15 Mei 1898 kwam een schoolbond tot bescherming der dieren tot stand.
3- Het schoolsparen in 1882 begonnen, ging in den laatsten tijd met reuzenstappen vooruit, zoodat op den dag van heden 92 leerlingen der gemeenteschool een spaarboekje bezitten.
4- De schoolmutualiteit, op 2 December gesticht, telt 28 leden.
Als slot laten wij hieronder, tot verdere vollediging van het voorlaatste en als beantwoording van het laatste punt der opgave, volgen :
Blz 27.
A. Aantal leerlingen voorkomende op de lijsten van het kosteloos onderwijs.
Schooljaar---Jongens--Meisjes--Totaal
1843-44.-------19.-------13.-------32.
1848-49. -------57.-------46.-------103.
1853-54. -------68.-------37.-------105.
1858-59. -------72.-------66.-------138.
1863-64. -------73.-------72.-------145.
1868-69. -------79.-------88.-------167.
1873-74.-------110.-------113.-------223.
1878-79.-------134.-------136.-------270.
1883-84.-------136.-------140.-------276.
1888-89.-------144.-------154.-------298.
1893-94.-------163.-------154.-------317.
N.B. Met het schooljaar 1894-95 en volgende was het onderwijs voor allen kosteloos.
B. Bevolking der gemeenteschool.
Jaren / Op 30 Juni (Jongens) / (Meisjes) / (Totaal) / Op 31 December (Jongens) / (Meisjes) / (Totaal)
1847.-------52.-------93.-------145.-------54.-------100.-------154.
1848.-------64.-------84.-------148.-------93.-------90.-------183.
1849.-------65.-------80.-------145.-------43.-------98.-------141.
1850.-------33.-------81.-------114.-------63.-------77.-------140.
1851.-------45.-------62.-------107.-------65.-------70.-------135.
1852.-------42.-------77.-------119.-------89.-------80.-------169.
1853.-------81.-------60.-------141.-------100.-------90.-------190.
1854.-------67.-------52.-------119.-------88.-------84.-------172.
1855.-------71.-------53.-------124.-------89.-------102.-------191.
1856.-------73.-------81.-------154.-------123.-------115.-------238.
1857.-------98.-------92.-------190.-------?-------?-------?
1873.-------?-------?-------?-------145.-------135.-------280.
1874.-------113.-------103.-------216.-------132.-------146.-------278.
1875.-------126.-------137.-------263.-------139.-------146.-------285.
1876.-------139.-------140.-------279.-------151.-------147.-------298.
1877.-------147.-------137.-------284.-------162.-------143.-------305.
1878.-------147.-------134.-------281.-------151.-------145.-------296.
1879.-------147.-------0.-------147.-------16.-------0.-------16.
1880.-------18.-------0.-------18.-------19.-------0.-------19.
1881.-------14.-------0.-------14.-------14.-------0.-------14.
1882.-------13.-------0.-------13.-------17.-------0.-------17.
1883.-------24.-------0.-------24.-------28.-------0.-------28.
1884.-------geen klas---------------------158.-------11.-------169.
1885.-------138.-------9.-------147.-------141.-------7.-------148.
1886.-------143.-------7.-------150.-------149.-------9.-------158.
1887.-------153.-------4.-------157.-------157.-------4.-------161.
1888.-------152.-------3.-------155.-------150.-------3.-------153.
1889.-------141.-------2.-------143.-------151.-------2.-------153.
1890.-------160.-------2.-------162.-------154.-------2.-------156.
1891.-------164.-------2.-------166.-------168.-------2.-------170.
1892.-------170.-------1.-------171.-------170.-------0.-------170.
1893.-------172.-------0.-------172.-------172.-------0.-------172.
1894.-------175.-------0.-------175.-------174.-------0.-------174.
1895.-------173.-------0.-------173.-------177.-------0.-------177.
1896.-------164.-------0.-------164.-------177.-------0.-------177.
1897.-------156.-------0.-------156.-------175.-------0.-------175.
1898.-------166.-------0.-------166.-------178.-------0.-------178.
1899.-------160.-------0.-------160.-------177.-------0.-------177.
1900.-------163.-------0.-------163.-------193.-------0.-------193.
Aanmerking Over de ontbrekende jaren 1858-1872 niets gevonden.
Blz 28.
C. Aantal Diploma's, behaald in de officieele prijskampen.
Jaren / Diploma's
1878.-------8.-------1884.-------1.-------1887.-------5.-------1890.-------1.-------1893.-------7.
1879.-------3.-------1885.-------1.*-----1888.-------5.-------1891.-------5.-------1894.-------5.
1883.-------1.-------1886.-------3.-------1889.-------3.-------1892.-------3.-------1895.-------2.
*De uitslag was overal betrekkelijk. Thibaut Jos. leerling der gemeenteschool van Schrieck, was de eerste van het schoolkanton Herenthals en de tweede van het hoofdschoolgebied Mechelen.
Aanmerking: a) Voor de uitslagen van vroegere jaren, zie onze verhandeling; b) bij gebrek aan leerlingen nam de school van Schrieck geen deel aan den wedstrijd in de jaren 1880, 1881 en 1882.
D. Uitslag van den wedstrijd in Godsdienst.
Jaar. / Eerediploma's / Accessits. / Eervolle meldingen. / Meldingen.
1889.-------3.-------1.-------3.-------8.
1890.-------0.-------5.-------1.-------1.
1891.-------2.-------2.-------0.-------3.
1892.-------1.-------2.-------2.-------2.
1893.-------1.-------3.-------3.-------1.
1894.-------0.-------3.-------2.-------2.
1895.-------4.-------3.-------3.-------2.
1896.-------0.-------1.-------4.-------9.
1897.-------1.-------3.-------5.-------4.
1898.-------6.-------2.-------3.-------3.
1899.-------2.-------3.-------7.-------4.
1900.-------2.-------8.-------2.-------2.
Schrieck, den 6 April 1901.
J Op de Beeck.
V. De Belser
Blz 29.
De Belgische afdeeling van het Nederlandsch Bestendig Commiteit der lichamelijke opvoeding heeft den wensch uitgedrukt, buiten den speeltijd en de spelen alle dagen aan de leerlingen der lagere scholen eenige gymnastische oefeningen te zien geven.
Het model-programma kent thans een uur gymnastiekles toe per week aan elken graad. Daarenboven schrijft het voor na elke uur les eenen zang of eenige gymnastische oefeningen en gedurende de speeltijden dikwijls gymnastische spelen te doen uitvoeren.
Moet het statu-quo nog behouden blijven? Welke veranderingen dienen in omgekeerd geval aan het thans gevolgde programma gebracht worden?
Dat een goed gymnastisch onderwijs eenen heilzamen invloed uitoefent op 't lichaam, den geest en 't hart der kinderen, en dus ook op hunne gezondheid, op de school en de samenleving, is algemeen erkend. Om wille van dit alleszins opvoedend vermogen, dient aan dit onderricht de beste zorgen besteed. Gaarne zouden wij derhalve met den hierboven uitgedrukten wensch instemmen, maar eenerzijds vrezen we dat dagelijksche turnlessen, naast het voordeel dat haar eigen is, ernstig nadeel zullen opleveren voor de overige vakken van 't programma, en van den anderen kant meenen we, dat de huidige stoffelijke inrichting van vele plattelandsche scholen de volledige uitvoering van het programma zal verhinderen.
Trachten wij deze twee punten wat uiteen te zetten.
I. Voorerst zijn we van gevoelen dat, ten minste in de buitenscholen, waar één onderwijzer voor twee, soms drij afdeelingen staat, de overige leervakken onder de uitvoering eener dagelijksche gymnastiekles moeten lijden en dit om de volgende redenen: 1. De tijd van boven bedoelde lessen van gymnastiek buiten de uitspanning en den speeltijd te geven wordt onttrokken aan den tijd voor de overige vakken bestemd, tenzij men 't getal klasuren vermeerdere. 2. Hoe gaat het doorgaans in onze turnlessen? Gewoonlijk vangen deze aan, wanneer na twee of meer lessen of stille oefeningen de aandacht der knapen begint te verzwakken door vermoeidheid van geest. De onderwijzer door gedurig spreken ook min of meer afgemat, is bij deze lessen weer verplicht uitleg te geven, voor te doen, te bevelen. Bij vlugge leerlingen gaat dat goed van de hand en dit geeft hun moed; maar voor abnormalen, die in alle klassen te vinden zijn en niet gansch verwaarloosd mogen worden, is hij gedwongen dit alles vijf, ja, soms tienmaal te herhalen om tot eenen bevredigenden uitslag te geraken. Zulke gymnastische les is een afbeulend werk. Zeker kan de onderwijzer zich hier, evenals in vele herhalingslessen door zijne
Blz 30.
bekwaamste leerlingen doen vervangen, maar 't al eischt immer 't nazicht, de tusschenkomst van den onderwijzer. Afgemat naar lichaam en geest – de ondervinding leert het ons genoeg – moet de onderwijzer zijne overige lessen in de klas gaan voortzetten. Waar haalt hij de noodige sterkte, frisch- en opgewektheid en ijver om die lessen aantrekkelijk en vruchtdragend te maken? Voor de twee dagen ter week, waarop wij onze turnles geven, hebben wij getracht het onderricht in de overige vakken zoo te regelen, dat de gymnasles door eene andere, die minder inspanning vergt, voorafgegaan of gevolgd wordt, maar voor elken dag schijnt zulke wijziging ons moeilijk, ja, onmogelijk.
Ons besluit is dat andere leervakken bij de invoering van dagelijksche lessen van gymnastiek verliezen – tenzij het getal klasuren vermeerderd worde. Overigens aan verschillende andere vakken van 't leerprogramma, o.a. aardrijkskunde, geschiedenis, teekenen, gezondheidsleer, zang, landbouw, waar van de kennis even noodzakelijk is, kan ook dagelijksch geene les, kunnen wekelijks geen 3 uren besteed worden.
Maar buiten de nadeelen van tijdsverlies voor de overige vakken, – en door verzwakte gesteltenis des onderwijzers, vrezen we, dat dagelijksche turnlessen ook nadeelig zullen werken op 't gemoed der kinderen. Hebben wij er altoos naar aangelegd om onze twee wekelijksche lessen van gymnasitiek aangenaam te maken voor de knapen, toch hebben wij ook meermaals opgemerkt, dat deze lessen, om wille van daarin voorkomende moeilijkheden of om eenen gebrekkigen uitslag, gedurende twee of drij opeenvolgende dagen hernomen, zoo zeer verveelden aan de kinderen, dat deze het einde der les met eenen luiden zucht van tevredenheid begroetten. Worden die leerlingen nu tot dagelijks turnen verplicht, dan kan die verveling plaats maken voor afkeur, ontevredenheid, morren en wanorde buiten en binnen de school. En niet zelden zal zich de ontevredenheid der kinderen op de ouders overslaan.
II. Gebrek aan stoffelijke inrichting. Wordt door dagelijksche lessen van gymnastiek aan de uitvoering van 't programma den noodigen tijd gegund, welke thans daartoe ontbreekt, dan nog vrezen we dat de stoffelijke inrichting der meeste buitenscholen daartoe een hinderpaal zal blijven. Immers, in vele scholen ontbreekt eene voldoende speelplaats, in bijna allen eene overdekte gaanderij of turnzaal, met de hoogst noodige toestellen, welke laatste ons 't hoofdmiddel schijnen, om het gymnastisch onderwijs voor de kinderen aantrekkelijk en doeltreffend te maken.
Om de hieraangehaalde redenen zijn wij voorstanders van het statu-quo. Echter zagen wij in 't programma de bewegingen en oefeningen b.v. degene
Blz 31.
aangewezen in den L. G. onder nr 2 en die in de vrije spelen gedurig van toepassing zijn, gaarne vervangen door meerdere vrije spelen. Deze spelen zouden in elk der drij graden als eene toepassing zijn op de bijzonderste lessen, geschikt wezen voor de lichamelijke, verstandelijke en zedelijke vorming des kinds en van lieverlede en ongemerkt de plaats van meer ruwe, gevaarlijke en onbetamelijke spelen innemen.
Schrieck, den 26 Maart 1904.
Duid de beste middelen aan om de leesles in den aanvankelijken graad aantrekkelijk en vruchtdragend te maken.
Tusschen de verplichte leervakken, die 't art. 4 der huidige wet op het lager onderwijs voorschrijft, bekleedt het lezen en schrijven in den lageren graad de eerste plaats. 't Lezen is immers het hoofdzakelijkste middel tot het erlangen en 't uitbreiden van alle andere kennissen, die later in 't werkelijk leven voor iedereen onontbeerlijk zijn. Dit is zoo waar, dat wij meermaals een ongeletterde vader of eene ongeleerde moeder hoorden zeggen: "Onze jongen kan al lezen 'lijk een advokaat, – als zij ons daarmee wilden bedoelen: 'Nu hij lezen kan, zal hij de rest van zelfs leeren – zijnen weg wel maken en eens een heele man worden." – En des niettegenstaande treffen wij overal – op zekere plaatsen zelfs een aanzienlijk getal leerlingen aan, die de school verlieten zonder dat zij goed konden lezen en zonder dat zij den lust tot lezen er uit meedroegen.
Om daarin eenigszins te voorzien, schrijft het modelprogramma van 1 mei 1897 de te volgen gang met toelichtingen voor. Maar een slaafsch, mekanisch en onberedeneerd uitvoeren van de voorschriften zou nog tot geenen doelmatigen uitslag leiden.
Wijl in den L. G. den grondslag tot de zoo onontbeerlijke kennis van het lezen moet gelegd worden, dient de onderwijzer daar vooral zijn onderwijs aantrekkelijk en vruchtdragend te maken. Ons dunkens heeft hij daartoe algemeene en bijzondere middelen aan te wenden. Onder de eerste zal ik noemen:
A. Vereischten in den persoon des onderwijzers:
1.-De onderwijzer moet altijd en in alles toonen dat hij het wel meent met de knapen en dat hij slechts hun welzijn betracht.
2.-Zich steeds minzaam, vrolijk en werkzaam toonen.
3.-Op zachten toon eene klare, eenvoudige, levendige taal spreken; eentonig- ruw en barschheid vermijden.
Blz 32.
4.-Zijn gezag weten te handhaven tegenover alle karakters.
5.-Bij alle lessen de vereischte levendigheid en warmte vertoonen.
6.-Behendiglijk de geneigdheden en gevoelens der knapen weten te baat te nemen om de aandacht geboeid te houden.
Ter bereiking van dit laatste punt zoo noodzakelijk tot het slagen bij alle onderricht, willen wij hier nog enkele middelen aangeven:
a) Alle noodeloos gerief moet van de lessenaars en uit de handen der leerlingen verdwijnen;
b) de lessenaars moeten van stof, water (besprenkeling des zomers) gereinigd zijn;
c) de overige gezondheidsvoorschriften dienen stipt nageleefd te worden om lichaam en geest niet te bezwaren;
d) geene les worde begonnen voordat de leerlingen in de vereischte houding gereed zijn tot luisteren;
e) niet sprekend in de klas rondloopen, maar eene vaste standplaats kiezen, van waar men elke leerling kan in 't oog zien;
f) alle oorzaak van stoornis van wege de kinderen onmiddellijk doen ophouden door eenen strengen blik of een kort woord;
g) niet dulden dat de knapen van plaats veranderen;
h) bij algemeene verslapping der aandacht de les staken of de kinderen op een ordewoord doen rechtstaan en weer neerzitten.
B. Vereischten in de leerstof:
1.-In den kinderwereld en in de omgeving der knapen blijven;
2.-Leerstof kiezen, die in den smaak valt van 't kind en afgemeten is naar zijne krachten, of waarin eene vrolijke strekking voorkomt, en die niet tot het kinderachtige of platte vervalt.
3.-'t Min behaaglijke verbinden met iets, waarin de kinderen trek hebben, b.v. eene kleine vertelling; een aantrekkelijk verhaaltje.
4.-De stof zoo kiezen, dat elk volgende onderwijs met het voorgaande op de eene of andere wijze in betrekking staat.
5.-Door aanschouwingsmiddelen (platen in leesboek of voorwerpen in natuur) de leerstof dieperen indruk doen maken op de kinderlijke ziel.
6.-Nooit onvoorbereid naar de klas gaan.
Leggen wij, na deze algemeene middelen, die alle onderricht – zeker dus ook het leeren lezen – aantrekkelijk en vruchtdragend maken, de bijzondere middelen uit, namelijk de methode bloot, die men dient te volgen, om de leerlingen spoedig en gemakkelijk te leeren lezen.
" 't Is er in den L.G. vooral de om te doen de leerlingen werktuigelijk te
Blz 33.
doen lezen. De leergang zal nu eens ontledend, dan weer samenstellend zijn. Ontledend wanneer men de woorden uitspreekt en ze door de leerlingen in hunne bestanddeelen doet ontbinden; samenstellend, wanneer men eerst de letters opgeeft en ze dan tot eene lettergreep, één woord doet vormen. Hoorbare ontleding en zichtbare samenstelling moeten echter bij het aanvankelijk lezen gepaard gaan.
Om volgens het modelprogramma (van 1 Mei 1897 dat voor den L. G. onder II bij de orde der moeilijkheden, eenige nuttige wenken geeft) te werk te gaan, vangt men aan met de klanken en van deze gaat men over tot de vormen. Hierbij volgt de verbinding tot lettergrepen en woorden. Bij elke letter geve men wel acht op den klank en op den vorm; elke klank moet dikwijls gehoord, elke vorm moet dikwijls gezien, nagewezen - en nagemaakt worden. Gelijkende letterteekens, lettergrepen en woorden moeten elkander opvolgen. Alle gebruikelijke samenstellingen moeten aangeduid, doch geene zinnelooze onmogelijke verbindingen zullen gemaakt worden. Men zal nooit te veel in eens willen aanleeren, niet tot nieuwe verbindingen overgaan, wanneer de vorige nog onvoldoende gekend zijn (L. O. jaarg. 1897, bladz. 691).
Men neme wel in acht, dat, zooals het huidig programma zeer wijselijk voorschrijft lezen, schrijven, dicteeren, en in zekere mate opstellen immer moeten samen gaan.
Wanneer het kind een nieuw woord leert lezen, moet het zich daarvan tevens de beteekenis en de spelling eigen maken. Het is noodzakelijk, dat de nieuwe woorden der leesles, voordat het boek geopend worde onder dat drijvoudig oogpunt aan het bord behandeld zijn geworden. De meester zal zich bepalen tot het doen van noodige verbeteringen, het geven van onontbeerlijke ophelderingen. Waar 't zinnen geldt, zal hij door gepaste vragen de beteekenis ervan doen vinden door de leerlingen.
Ziehier eene wijze die ik steeds met vrucht heb gevolgd. De onderwijzer noemt de letter of den klank, een groot getal leerlingen zeggen hem na en herhalen te zamen. Dan schrijft de meester den vorm of den klank op 't bord, na eerst der leerlingen aandacht te hebben gewekt. De kinderen noemen weer de letter of den klank, steken den wysvinger der rechterhand vooruit en volgen langzaam de richting van de hand van den onderwijzer, die de letter nog eens op 't bord voormaakt en schrijven daarna dezelve op hunne lei. Zoohaast de voorstelling eeniger letters goed gevormd is, en eenige letters of klanken goed gekend zijn, worden er verbindingen gemaakt. Voor- en achterverbindingen volgen elkander op en wisselen elkander af. Zoodra mogelijk trachte men aldus woorden te vormen die eene bepaalde beteekenis hebben waarover men hen ondervraagt en ze zoo leert denken en spreken.
Blz 34.
Kennen de leerlingen eenige woorden, dan worden spoedig kleine volzinnen gemaakt en zoo komt men langzamerhand tot leeslesjes in samenhangenden tekst. De oefeningen geschieden natuurlijk eerst op 't bord en vervolgens (zoo mogelijk) in 't boek. Men lette daarbij op, dat de leerlingen met den wijsvinger (griffel) al de woorden volgen. Daarna worden zij gedicteerd.
Men zal van de eerste oefeningen af de gewestelijke uitspraak vermijden, de kinderen aan eene zuivere uitspraak, aan eene wel gearticuleerde – en genoegzaam nadrukkelijke taal gewennen, en den zang- of schooltoon uitroeien. Deze aanbevelingen zijn van 't hoogste belang, want indien zij wel uitgevoerd worden, zullen zij den heilzaamsten invloed uitoefenen op het ontwikkelen van den leeslust en het vormen van eenen goeden stijl bij onze leerlingen.
De gesprekken over den inhoud der les hebben een dubbel doel. Ten eerste gewennen zij de leerlingen aan het ernstig nadenken over het gelezene, iets wat onze aandacht niet genoeg kan wekken. Daarbij leeren zij zich het gelezene eigen maken, het verwerken, zonder hetwelk het lezen van geen nut is, – ja, slechts oppervlakkige geesten kan kweeken.
Eindelijk zijn de leerlingen van jongs af verplicht zich klaar en juist mondeling uit te drukken, iets wat van het hoogste belang is.
Wanneer de onderwijzer in de laagste klas eene wel gearticuleerde, genoegzaame nadrukkelijke taal eischt, zal men in de hoogere klassen, bij het kunstmatig lezen, licht den natuurlijken toon verkrijgen.
Zoogauw mogelijk worden vragen gesteld over den inhoud der leesles, late men den inhoud mondelings weergeven, passe men taaloefeningen toe op de leeslesjes, dicteere men ze, late men keurige stukken van buiten leeren, en alsdan zal het eerste leesonderricht vormend en beschavend zijn." (zie Lager Onderwijs, bladz. 691, jaarg. 1897).
Blz 34.
Schrieck, den 24 Februari 1905.
Heer Bestuurder,
De som van 1.053.13 fr. bestemd voor de erfgenamen Serneels-Gysemans, alsmede de metelen reklaamplaat, zijn mij in besten staat toegekomen. Hierbijgaande zend ik UEd. : 1. vier geteekende reglementen; 2. een bordereel van storting en terugbetaling; 3. eenen verzekerden brief inhoudende 1.500 fr. in banknoten in afzonderlijken omslag; 4. het kwijtschrift van terugbetaling der erfgenamen Serneels-Gysemans.
Minzame groeten.
Victor De Belser, agent der A. H. K.
Bordereel v. stort. en terugbet. van 16 Februari 1905 tot 24 Februari 1905.
Schrieck, den 3 Maart 1905.
Heer Bestuurder,
De ondergeteekende heeft de eer UEd., per bijgaanden brief te laten geworden: a) Een geteekend reglement; b) het bordereel der stortingen van 24 Februari 1905 tot 3 Maart 1905; c) het bordereel der spaarregels, heden in bewaring; d) in post-mandaat, ene som van 2.200 franken.
Hij is, Heer Directeur,
Uw nederige dienaar,
Victor De Belser, agent der A. H. K.
* De Algemeene Hulp-Kas (A.H.K.) bood financiële ondersteuning aan zieke onderwijzers, weduwen of wezen van leerkrachten. Een "agent" van deze kas was de contactpersoon in een bepaalde regio of gemeente bij wie leraren zich konden aanmelden of via wie de uitkeringen en contributies liepen.
wordt vervolgd
|