|
Blz 1.
Een geschiedkundig overzicht maken van het lager onderwijs in uwe gemeente van af 1831 tot op den huidigen dag.
A. Toestand vóór de wet van 1842.
B. a) Inrichting: 1. Stoffelijke (schoolgebouw, bemeubeling), leermiddelen, woning en tuin des onderwijzers).
2. Opvoedkundige (schoolverordening, programma's, methode, schooltucht, enz.).
3. Onderwijzend personeel (bekwaamheid, jaarwedde, enz.).
b) Ontwikkeling.
c) Bekomen uitslagen onder de wetten van 1842, 1879, 1884 en 1895.
Een terugblik op lang verloopen tijden is altoos leerzaam, want, zoals de dichter zegt:
"In 't verleden ligt het heden,
"In wat is, 't geen worden zal."
Wanneer wij dus een honderdtal jaren in de geschiedenis terugkeeren en den toenmaligen toestand van het onderwijs hier te lande vergelijken met den huidigen staat van zaken, dan moeten wij bekennen, dat de negentiende eeuw, onder opzicht van onderwijs, te recht de eeuw van vooruitgang mag genoemd worden.
Wanneer wij terugblikken en eenen oogslag werpen op dit droevig tijdvak der Fransche regeering, kunnen wij ons licht een denkbeeld vormen van den akeligen toestand der Belgische lagere scholen in 't algemeen, maar bijzonder van die op den buiten. Onze voorouders waren diep verdrukt, verarmd en verslaafd. De jongelingen werden, van hun zestiende jaar af, bij het Fransche leger ingelijfd, om Napoleon in zijne roekelooze tochten tegen de verschillende mogendheden te volgen. Er bleef schier niemand bij de ontroostbare vrouwen dan kinderen, kreupelen en ouderlingen. Deze meesten samen vroeg en laat zwoegen om den akker te bezaaien, te beplanten, en vervolgens de zuurgewonnen vruchten te oogsten. De bekommernis, het gebrek en de armoede waren te groot om aan de school, aan de opvoeding en het onderwijs der kinderen te denken. Het stoffelijk welzijn ontbrak en zedelijk welzijn besefte men niet. Van schoolgaan was er in de meeste plattelandsche gemeenten geen spraak, want de ouders rekenden op den geringen onderstand, dien de kinderen, hetzij op het veld, hetzij in 't huishouden, konden bijbrengen. Het was dus niet te verwonderen, dat de zeldzame scholen, die alsdan in de Fransche Noorderprovinciën bestonden, weinig of niet bezocht werden.
Schriek was een van die rare gemeenten, waar er te dien tijde eene school bestond, doch welke school? Den eersten Pluviôse van het jaar Tien der Republiek,
Blz 2.
(22 Januari 1803) schreef de toenmalige Maire der gemeente Schrieck aan den Sous-Préfect van Mechelen: "Il se trouve dans ma commune une maison d'institution; il y avait un bâtiment d'école, mais par le coup du vent il est abattu jusqu'aux fondements; le maire de cette commune a pris en louage une chambre pour laquelle on donne une somme annuelle de 15,19 fr.; le nombre des élèves est de 180." – Den 15 April 1807 schreef dezelfde Maire: "La commune de Schrieck a une école primaire où l'on apprend à lire, à écrire et à chiffrer, tout en langue flamande; les garçons et les filles sont réunis dans une et même école; dans cette école il y a 104 garçons et 85 filles." En den 15ᵉ der maand April schreef hij nogmaals: "L'école est au neuf à l'an 1811, assez commode."
Zelfs werd er in de Schriecksche school althans in de eerste jaren der verloopen eeuw, des zomers klas gegeven, iets wat op meenige plaatsen het geval was. In eenen Staat van inlichtingen over het jaar 1810, vinden wij dat de lagere school van Schrieck des winters gevolgd werd door 160 leerlingen en des zomers door 20. – Doch, volgens eenen idem over het volgende jaar werd de school des winters bijgewoond door 200 leerlingen en, zoo luidde genoemde staat: "En été il n'y a pas d'élèves." De staat, opgemaakt den 5 April 1813, waaruit wij hierboven eenige inlichtingen neerschreven, vermeldde dat 210 kinderen ter schole gingen, doch enkel gedurende vijf wintermaanden.
Zooals blijkt uit hetgeen wij hooger aanhaalden, leerde men hier alsdan enkel een weinig lezen, schrijven en rekenen, en dit alles, ofschoon onder het Fransch bewind, in de Vlaamsche taal. De Maire, die Franschgezind was, (hij was door 't koopen van zwart goed rijk geworden) en de taal onzer zuiderburen tamelijk wel sprak, las en schreef, zou gaarne het onderricht dezer taal in de school hebben zien invoeren, zooals blijkt uit de volgende aanmerking, door hem zelven op eenen der bovengemelde Staten geplaatst: "Le Maire désirerait que l'instituteur actuel fût remplacé par un instituteur en état d'enseigner le français." Doch Vlaamsche onderwijzers, die Fransch kenden, waren er te dien tijde niet te vinden, en onmogelijk dus de Fransche taal in de Schriecksche school te onderwijzen.
De methode, welke er gevolgd werd, was deze, welke men de oude Spelkunst van Kruisken A, B, C noemde. Dit was een klein eerste leesboek. Het begon aldus: † a, b, c...... x, y, z. Dan kwamen eenige verbindingen van klinker, gevolgd door een medeklinker, ook omgekeerd, als spel- en als leesoefening. Daarna stond het Onze Vader met de andere gewone Gebeden." (J. A. Torfs). Zoodra de leerlingen deze Spelkunde op hun duimpken van buiten kenden, en nog wat meer in het spellen en lezen geoefend waren in andere gedrukte boekjes, leerde men hun brieven en oude geschriften lezen. Wie daarbij nog wat rekenen en schrijven kon, stond als een schriftgeleerde te boek.
Blz 3.
Zoo stonden hier de zaken, toen in 1815, korten tijd na het tractaat van het Schoon Verbond, waardoor onze provinciën met die onzer noorderbroeders vereenigd werden, de Schriecksche school, evenals alle Belgische scholen, gesteld werd onder het beheer der Hollandsche onderwijswet van 1806, eene wet, die, zooals M. Cousin zegde, steunde op zeer wijze grondbeginselen, doch welke in België verkeerd toegepast werden.
Het Hollandsch bestuur deed veel voor de zedelijke en verstandelijke verbetering van het volk: Het richtte het lager onderwijs op goeden voet in; het stichtte de Liersche kweekschool, die vooral onderwijzers voor de steden vormde, alsmede in menige stad Koninklijke Lagere Modescholen, waar de kinderen der rijke familiën het onderwijs ontvingen en waar tevens bekwame onderwijzers voor de landelijke gemeenten voorbereid werden. Het Hollandsch Bestuur deed al wat het kon om zijn onderwijsstelsel, zooals lezen zonder spellen en klassikaal onderricht, in al de gemeentescholen van het rijk der Nederlanden in voege te brengen, doch, niettegenstaande dit alles, ging het onder het Hollandsch tijdvak in Schrieck met het onderwijs nog slechter dan in den Franschen tijd. Het Lager onderwijs bestond er maar in schijn; in werkelijkheid was het om zoo te zeggen nul en van geener waarde. De onderwijzers, die meestal geene andere school gevolgd hadden dan de gebrekkige lagere school van hun geboortedorp, waren onbekwaam en bleven, zoo goed mogelijk, de oude methode volgen. Zoo werd in zitting van 25 September 1822 "de provisionele waarneming van de vacerende school (de school was gedurende twee jaar zonder onderwijzer geweest) binnen de gemeente Schrieck opgedragen aan Jozef De Meutter, oud 20 jaren." In het verslag aangaande het Lager Onderwijs in de gemeente Schrieck, dagteekenende van den 19 Juni 1824 werd Jozef De Meutter beoordeeld als volgt: "De plaats van onderwijzer vacant geworden zijnde, is men verplicht geweest, uit gebrek van anderen, eenen jongeling in de school te gelasten met het onderwijs, welke om zoo te zeggen niets en kent." Toen dit verslag verscheen was er reeds zekere Willem Schools, discipel der kweekschool, en die in het vergelijkend exaam den vierden rang van Schoolonderwijzer bekomen had, tot onderwijzer in de gemeenteschool van Schrieck benoemd, doch alzoo hij geene andere manier van onderwijs erkende als de klassikale methode, en dat men nog de schrijftafelen, leesmachienen, enz. niet voltrokken had, kon deze zijn onderricht enkel beginnen op eersten Augustus." Het schijnt dat deze Schools een bekwame onderwijzer was, doch hij onderwees volgens de nieuwe methode, die Hollandsch was, en dit was de groote oorzaak dat het aantal leerlingen alsals verminderde. In 1817 werd de school des winters gevolgd door 115 leerlingen, in 1826 door 82 (in de zomermaanden enkel door 32), in 1828 door 73 en in het begin van het jaar 1830 nog slechts door 30 en des zomers door 9. – Dat het, in dergelijke omstandigheden met Schools, die het in den
Blz 4.
beginne goed meende, niet opperbest bleef gaan, zulks kan men licht begrijpen. Naarmate het getal leerlingen afnam, verzwakte zijn iever; onder klastijd vond hij in de herberg weleens meer verzet dan in zijne school. Tot overmaat van ongeluk verloor Schools ten jare 1828 zijne vrouw, werd toen eene echte herbergpilaar en op het einde veronachtzaamde hij zoozeer zijne plichten, dat de Burgemeester, de vroegere maire, op eenen staat over de sommen, welke aan den dienst van het onderwijs werden besteed in de kolom van aanmerkingen deze nota plaatste: "De onderwijzer verdient van beroofd te worden van alles wat de gemeente hem heeft toegestaan, wanneer hij is in functie getreden, aangezien hij het onderwijs geenszins ter harte neemt, en den eigen functie van koster slechts gedurende de helft van den tijd zich met het onderwijs nuttig maakt".
Geen wonder dus, dat de omwenteling, die in Augustus van het jaar 1830 te Brussel uitbrak, niet alleen in Luik en in andere groote en kleine steden, doch zelfs hier in Schrieck haren weerklank vond. Naar het voorbeeld der Brusselsche opstandelingen, die de huizen der voornaamste Hollandsch-gezinden verwoestten, werd den eersten Zondag van de maand September de woning (het was maar een huizeken, gedeeltelijk in steen en gedeeltelijk in leem) van den Hollandschen onderwijzer des nachts bestormd en zoo beschadigd zoodanig dat men 's anderendaags 's morgens er kon binnentreden zonder deur of venster te openen. Ook voor Schools, die tot groote armoede vervallen was, het geraadzaam aan kosterij en schoolmeesterij vaarwel te zeggen. Het verliet het dorp, twee kinderen achterlatende, nam dienst in het Hollandsch leger, kwam later, – als deserteur, – zoo zeggen de oude lieden van ons dorp, – terug naar Schrieck waar hij van den arme besteed werd, enz. enz..
Zwijgen wij hierover, want meesten wij al neerschrijven wat wij omtrent den ongelukkige vernomen hebben er kwame wellicht geen einde aan de inleiding onzer verhandeling. Zeggen wij liever, om te voldoen aan de ons opgelegde taak, eenige woorden over den toestand van het lager onderwijs in onze gemeente gedurende den tijd van België's onafhankelijk bestaan.
Als schoolmeester werd Schools vervangen door eenen inwoner der gemeente, namelijk Francis Lambrechts, die tevens gemeentesecretaris was, en als koster door Jozef De Meutter, voornoemd, insgelijks hier geboren en verblijvende.
Ter gelegenheid van de benoeming van den nieuwen onderwijzer, werd een inventaris opgemaakt der meubelen in de school aanwezig. Deze waren: 10 lessenaars, 26 inktpotten, 2 rekenborden, 1 leesletterkastje met lettersplanken, 1 hoekkastje, 9 leestafels, 1 el, 8 maten voor droge waren (25 Ned. kop, enz.), 6 maten voor natte waren (dubbel kan, enz.), 8 gewichten (één houd, enz.).
De school bestond te dien tijde maar uit een enkel lokaal, van 7 meters in 't vierkant en eene hoogte van 3,20 m. Zij was voorzien van vier kleine vensters, twee in den voor-, en twee in den achtermuur en van eene smalle deur, welke uitgaf op de straat. Zij was gebouwd zooals wij in onze inleiding lieten verstaan, ten jare 1807 en in 1811 gansch in 't nieuw gezet.
Blz 5.
Daarenboven had zij in de jaren 1825 en 1826 eene groote verandering ondergaan met voorziening van schoolmeubelen. Zij stond op de plaats, waar de kleine klas der Oude Gemeenteschool, die sinds 1894 tot een ander doeleinde gebruikt wordt, zich hedendaags nog bevindt namelijk op een gedeelte van het kerkhof. Nevens en achter de school was de tuin, insgelijks een deel van het kerkhof, van den vroegeren koster-onderwijzer. Op het deel van dien tuin, dat het dichtst bij de kerk gelegen was, en waar thans het lieve huis van onzen tegenwoordigen Koster staat, zag men de vervallen en onbruikbaar gemaakte kosterswoning. Ten jare 1834 werd er tegen den linkerzijgevel van de school een gebouw bijgezet, hebbende eene lengte gelijk aan de zijde der school en eene breedte van slechts 1,70 m. Dit gebouw was door eenen binnenmuur in twee plaatsen gescheiden. De eene, omtrent het derde van het geheel, diende tot prison, de andere was het wachthuis van de nachtwacht. Een breed deurgat stelde het schoollokaal in gemeenschap met dit laatste deel, met het corps de garde, zooals de menschen dat noemden. Langs een klein vensterken in den zijgevel, mocht er een weinig licht binnendringen. 't Was dit corps de garde, dat later, wanneer de schoolbevolking aangroeide, door de minst gevorderde leerlingen – de verschen, zooals men die noemde – ingenomen werd. In dit plaatsken waren in den beginne noch lessenaars, noch andere meubels; banken uit de kerk werden er als zitplaatsen en de binnenzijde der deur als bord gebezigd.
't Is in dit kleine, weinig verlichte en nog minder verluchte schoollokaal met corps de garde, dat de leergierige jeugd opgestapeld bleef tot in het jaar 1847, wanneer de school vergroot werd. Doch loopen wij thans weer niet te spoedig vooruit en keeren wij terug tot onzen secretaris-onderwijzer, Mijnheer Francis Lambrechts.
Deze was benoemd den 17 September 1830, en nauwelijks had de Burgemeester, nog altijds de Oude Maire, in zijn dagblad gelezen, dat het Hollandsch leger Brussel verlaten had en het Voorloopig Bewind 's lands onafhankelijkheid had uitgeroepen, of den Zondag daaropvolgende werd er door hem aan "den staak", de gewone plaats der afkondigingen, na de hoogmis aan de ingezetenen het verheugend nieuws bekend gemaakt, waarop hij volgen liet: "Den tweeden Maandag van October begint opnieuw de school, thans eene Belgische school. De nieuwe meester zal onderwijzen: Vlaamsche taal, lezen, schrijven, rekenen, aardrijkskunde en beginselen der Christelijke leering, en... dit alles – hier verhief hij de stem – volgens de Oude Wijze." De veldwachter, die zich tusschen de toehoorders bevond, werd uitgenodigd het bericht, betrekkelijk de school, verder onder de Schriecksche bevolking te verspreiden. Het gevolg hiervan was, dat den tweeden Maandag van Octobre er zich 204 groote en kleine knapen en meisjes ter schole aanboden, zoodat de onderwijzer, bij gebrek aan plaats, zich verplicht zag de jongsten door te zenden, met verzoek te wachten tot bij zomertijd. Het gebruik van enkel nieuwe leerlingen ter schole aan te nemen met Paschen, dat hier langen tijd in voege bleef en over twee jaren nog gedeeltelijk bestond, vond wellicht zijnen oorsprong in het aangehaalde feit.
Blz 6.
De school begon dus met de kinderen, welke mochten blijven. Letterkast, lettersplankjes, leestafels en al wat Hollandsch hiet, werd zorgvuldig weggestopt. Kruisken A B C, en andere leerboeken van vroeger tijd, zooals het Kabinet door Fleury, de Nieuwe Nederduitsche Spraak- en Spelkunst door W. Van Aerschot, de Reis naar Jerusalem door Van der Linden, het Leven der H. Maagd, de kleine en groote Catechismus, de Gazetten en Vlaamsche plakbilletten, welke laatste bij den Burgemeester-herbergier aan 1 cent het stuk te verkrijgen waren, de Halve Geschrifte, de Gewone Brieven, de Oude Geschriften kwamen opnieuw voor den dag. Men leerde weer lezen door middel van spellen; alles gebeurde weer voor elken leerling afzonderlijk; in één woord, 't was, zooals de Burgemeester afgekondigd had, heel en gansch de Oude Leerwijze uit den Franschen tijd, die in de Belgische school door den Belgischen onderwijzer gevolgd werd.
Meester Lambrechts was een wekelijk mensch; hij kon het schoolhouden niet uitstaan. Gelukkig dat Riksken, zijn broeder, broederlijke liefde genoeg bezat om een deel van den zwaren last op zich te nemen. In eenen Staat over den toestand der gemeenteschool op den 1 Mei 1831 lezen wij: "De jaarwedde des onderwijzers beloopt ter somme van 25 Nederlandsche gulden; genietende daarenboven 25 gulden voor schadeloosstelling van huishuur. Er is geen aangestelde hulponderwijzer, doch om de onpasselijkheid des onderwijzers is hiertoe geduld Lambrechts Henricus, oud twee en twintig jaren, geboortig van Schrieck, broeder des onderwijzers".
Men ziet van hier hoe het ging in de school, waar de gebroeders Lambrechts in dezelfde zaal gelijktijdig werkzaam waren; waar daarenboven de leerlingen aan elkander hunne indrukken over het geleerde mochten mededeelen; waar de meesters zelven voor het rekenen, bij voorbeeld, den raad gaven: "Als gij het niet kunt, vraagt het dan maar aan eene of eenen die het weet". Het was er soms een geroezemoes om er doof van te worden. Tucht heerschte er niet en de vooruitgang was om zoo te zeggen nul. Ook werd de school op 1 Mei 1831 nog slechts gevolgd door 82 leerlingen. De Lambrechtsen waren nochtans van de domsten niet, wel integendeel. Zoo lezen wij nogmaals in eenen Staat, ingezonden den 18 Juli 1831: "De zedelijkheid van den onderwijzer is loffelijk. Zijn ijver, neerstigheid, bekwaamheid en de wijze waarop hij zijn beroep uitoefent, laten niets te wenschen". Doch Susken was ziekelijk en kon dus niet. En Riksken? Hij liet het maar gaan: hij was onderwijzer tegen dank; hij hield enkel school uit genegenheid voor zijnen broeder. Later, onder de wet van '42, toen de stoffelijke toestand der onderwijzers begon te verbeteren, zegde Riksken Lambrechts aan al wie het hooren wilde dat den onderwijzerspost eene van de moeilijkste van alle plaatsen wezende, men de schoolmeesters niet genoeg kon betalen, want, "ik houd staan, voegde hij erbij, dat een man, die vader en moeder vermoord heeft, eene genoegzame straf zoude onderstaan, indien men hem tegen dank schoolmeester maakte".
Blz 7.
Ook was hij zoo blij als een losgelaten gevangene, toen Jozef De Meutter, de koster, die ondertusschen met Adela, de zuster der gebroeders Lambrechts, het huwelijksbootje was ingestapt, toen zijn zwager, zeg ik, zoo goed was hem, te beginnen van October 1832, op te volgen als ondermeester, of liever als plaatsvervangend onderwijzer, want de onderwijzer-titularis was sinds langen tijd niet meer in de school te zien geweest: de brave man leed aan de tering.
Jozef De Meutter, hij, aan wien in het jaar 1822 de provisionele waarneming van de vacerende school was opgedragen, was weerom schoolmeester, doch ditmaal koster-onderwijzer. En toen eenige maanden later zijn zwager het tijdelijke met het eeuwige verwisselde, dacht er misschien niemand aan dat door dit overlijden de plaats van schoolmeester open viel. Althans de koster was en bleef, zonder definitief mandaat gemeenteonderwijzer tot in 1844. 't Was enkel in dit jaar namelijk den 13 December, dat de heer Jozef De Meutter, die, – zoo staat er geboekt in het register van beraadslagingen van den gemeenteraad – niet voorzien was van eene schriftelijke benoeming, met algemeene stemmen tot het ambt van gemeenteonderwijzer alhier aangesteld werd. Een ministerieel besluit in dagteekening van den 14 April 1845, bekrachtigde bovengenoemde beslissing, en machtigde tevens den heer De Meutter met zijne bediening van onderwijzer degene van koster en organist in de parochiale kerk te blijven cumuleeren, hetgeen hij dan ook deed tot in 1867, wanneer hij als onderwijzer gepensioneerd, en als koster-organist opgevolgd werd door zijnen zoon, die hedendaags deze plaats nog bekleedt.
Koster De Meutter – hij was schoolmeester, ja, doch werd door de menschen nooit anders dan koster geheeten; zelfs zijne leerlingen noemden hem in de school eenvoudig weg "Koster".
Koster De Meutter, zeg ik, had noch normale, noch andere bijzondere studiën gedaan. Hij had enkel ter schole gegaan bij zijnen vader zaliger, die in de eerste jaren van het Fransche tijdvak koster en tevens onderwijzer was te Schrieck. Ook liep zijne geleerdheid niet hoog. Doch ten jare 1832 kon er van hem niet meer gezegd worden, zooals in 1824, dat hij een jongeling was die niets en kende. Gedurende twee jaren, dat hij onder het Hollandsch Bestuur in de school werkzaam was geweest, had hij de ondervinding opgedaan, dat hij nog verre van volleerd was, en zulks was de eerste spoorslag geweest, die hem aanzette onverpoosd, zoo goed en zooveel hij kon, aan zijne verdere volmaking te arbeiden. 't Was vooral in de jaren, wanneer hij diende als tafelgast bij den heer van het kasteel, den Graaf Philip van der Stegen de Schrieck, dat hij in zijne vrije stonden zich met de studie onledig hield. Zelfs raapte hij daar wat Fransch op, zoodat, toen hij de plaats van heerenknecht met die van koster ruilde, hij wel geen Fransch kon spreken of schrijven, doch nogal veel verstond wat men hem in die taal zegde. Ook toen hij onderwijzer was, bleef hij voortstudeeren, en – ofschoon hij er nooit toe geraakte, zoo hoorde ik zeggen, stellingen
Blz 8.
met eenen deeler van drij cijfers, te maken, – bracht hij het door zelfstudie zoo ver, dat hij bij de Schrieckenaars van dien tijd en in zonderheid bij de leden van het gemeentebestuur, de Oude Maire er in begrepen, als een tamelijk bekwame en vooral ijverige schoolmeester geboekt stond. Koster De Meutter spande al zijne krachten in om de kinderen zooveel mogelijk naar de school te lokken. Hij ging van huis tot huis om de ouders aan te sporen hunne kinderen, zooniet des zomers, dan toch des winters naar de school te zenden. Zijne school was dan ook weldra opgepropt met groote en kleine leerlingen. Men mag wel zeggen groote leerlingen, vermits er waren die tot hun 18ᵉ jaar ter schole gingen. Men verzekert mij dat te dien tijde bijna geen kind van Schrieck de school verzuimde, doch daarom kwamen zij niet allen bij den koster. Vele jongens en vooral meisjes van de gehuchten Hazenbergen, Grootloo en Pandoerenhoek gingen naar de bijzondere scholen, die ingevolge de "Vrijheid van Onderwijs", tot stand gekomen waren in den Loozenhoek (gehucht van Keerbergen) en te Grasheide (gehucht van Putte). Daar moest men evenwel betalen als te Schrieck, namelijk vier stuivers per maand; ook leerde men er niet beter, misschien slechter, dan bij den koster, doch de ouders zonden er hunne kinderen naartoe, omdat deze daar kosteloos de boeken der school mochten gebruiken en er pennen en papier kregen voor wat houillie en een bundeltje hout, dat de scholieren onderwege in bosschen en struweelen bijeenzochten en mede ter schole namen.
Mijnheer De Meutter volgde dezelfde methode als zijn voorganger. Bij hem spelde men ook: bé-er-o-o-de – brood ; bé-er-o-e-broe-de-é-er-der - broeder - el-i-é-ef-lïef - broederlief - dé-é-de - broederliefde; enz. De leerlingen kwamen, zooals ten tijde van Maria-Theresia, me getwee en gedrijen, ja soms gevieren te gelijk, hunne les opzeggen bij den koster, die in zijnen bureel-lessenaar gezeten bleef. Behalve de boeken, in 't jaar '30 opnieuw in de school gebracht, gebruikten de kinderen handboeken over rekenkunde, namelijk Jan Brunts Eerste beginselen der Rekenkunde door Anslijn.
Zelfs na 1836 onderwees de koster aardrijkskunde, doch dit onderricht bestond enkel in het opzeggen van lessen, door de leerlingen te huis uit een handboekje van buiten geleerd, nog een werkje van Anslijn. Ook werden door Mʳ De Meutter langzamerhand de broeders en zusters van Anslijn's Reken- en Aardrijkskunde aanvaard, zoodat Kruisken A B C en Cⁱᵉ ten jare 1839 voor goed de school verlieten om plaats te maken voor: Nieuw Spel- of Leesboekje, De Brave Hendrik, De Brave Maria, De Arme Jacob en andere school- en leerboeken door N. Anslijn, gedrukt bij D. Mortier en Zoon te Leiden. De jongste leerlingen brachten den onderwijzer weinig last bij, want vele kinderen kenden, vóór zij ter schole gezonden werden, hun kruisken A. B. C en later de eerste leesboekjes van Anslijn, alsmede de getallen van 1 tot 100, ja zelfs tot 1000 reeds van buiten: zulks leerden zij te huis bij hunne oudere broeders of zusters, en bij gebrek aan deze, bij grootere jongens of meisjes uit de buurt. Kwamen er soms verschen, welke nog niets kenden, die, zooals de koster zegde, van toeten noch blazen
Blz 9.
wisten, dan werden deze toevertrouwd aan de verst gevorderde leerlingen en de moniteurs meesten de ongeletterden op de hoogte brengen. Was Koster De Meutter belet naar de school te komen ter oorzake van eene berechting of van eenen dienst in de kerk, dan hielden deze opperleerlingen klas voor al de leerlingen, en zulks gebeurde nog al dikwijls.
Schrijfboeken waren er voor '42 niet in de school. Wel maakten de leerlingen der hoogste klas nog al dikwijls eene bladzijde schoonschrift, doch telkens op afzonderlijke bladen, waarop zij zelve met liniaal en potlood regels meesten trekken om ze vervolgens door middel van in inkt gedoopte ganzenpennen te bekribbelen. Eens het blaadje vol, kwamen de leerlingen hunne calligraphie aan den koster tonen; de zuiverst afgewerkte mochten mede naar huis genomen worden; de andere gingen des zomers de vuilmand en des winters het vuur in. Dicteeren, opstellen, zingen en andere zaken werden voor '42 niet gedaan in de Schriecksche school. In de school van Mr De Meutter heerschte er nog al stilte. Men vreesde den koster, ja, want hij zag er niet op eens de broek der deugnieten te spannen en de bezemroede te gebruiken.
Koster De Meutter kon geene onbeleefde en luie menschen dulden. Ook drukte hij in de school veelvuldig op de beleefdheid en de werkzaamheid; hij leerde zijne scholieren hoe ze zich in alle omstandigheden in tegenwoordigheid van vreemde personen en overheden meesten gedragen, en dan volgde hij, misschien zonder het zelf te weten, de gezamenlijke leerwijze. Hij verraste schier dagelijks de kinderen na de klassen van den vóór- en den namiddag; hij zag ze na in hun spel en verzekerde zich op den hoek van de eene of de andere straat of zij braaf en beleefd waren. Deze handelwijze deed hare uitwerksels gevoelen, niet alleen op de kinderen, maar ook op de groote menschen. Kwam Mijnheer De Meutter 's Zondags eene herberg binnen, iedereen ontdekte zich beleefd; men zegde: "Dag Koster", en overwoog wel de woorden welke men ging uiten om zich niet te misspreken. Een ander feit: "Op zekeren dag, 't was na '42, dat de schoolopziener Mijnheer Proost, te Schrieck een bezoek had gedaan en Mijnheer De Meutter hem enige stappen uitgeleide deed, kwamen zij eenen werkman tegen, die met eenen kruiwagen huiswaarts keerde. De arme man zette op drie stappen afstand zijnen kruiwagen neder, ten einde den Schoolopziener, dien hij niet kende, en den koster met eerbied te kunnen groeten. Mijnheer Proost kon niet nalaten den onderwijzer hierover geluk te wenschen, zeggende : "Ik bewonder uw gezag. Voor u, ik weet het, is het de schoonste voldoening, de grootste belooning!"
De heer Jozef De Meutter trok van het eerste jaar af als jaarwedde van de gemeente eene toelage van 52,90 fr. Buiten het gebruik van den schooltuin genoot hij daarenboven wegens schadeloosstelling voor huurhuur eene evenzoo hooge jaarlijksche somme; zijne woning stond nochtans op gemeentegoed, doch in den Zomer van 1832, toen hij nog enkel de bediening van Koster waarnam, had Mijnheer De Meutter, op eigen kosten,
Blz 10.
het vervallen huizeken in 1830 door den ongelukkigen Schools verlaten, in steen opgetrokken, zoodat deze woning aanzien werd als het eigendom van den koster en niet als onderwijzerswoning.
Bij koninklijk besluit gegeven te Parijs, den 2 Juli 1836, werd er van af 1 Juli van dat jaar op de fondsen van het Departement van Binnenlandsche Zaken eene subsidie van 100 fr. toegestaan aan den onderwijzer van Schrieck, zoodat tot in 1842 de onderwijzerspost aan den heer De Meutter rond de zes honderd vijftig frank 's jaars opbracht, daarin begrepen de schoolgelden der betalende leerlingen. Het ambt van koster-organist verzekerde hem eene bijwinst, of liever eene hoofdwinst van omtrent 900 fr. Voeg daarbij nog dat hij insgelijks aangesteld was als luider der politieklokken, opwinder der gemeentehorloge en dat hij in zijne hoedanigheid van koster jaarlijks van elk Schriecksch huisgezin eenen goeden nieuwjaar kreeg: de handwerkers gaven eenen halven frank per huishouden, de landbouwers met een paard een half meuken en de boeren met twee paarden een heel meuken graan. Dit was de algemeene regel. Ook zou te dien tijde niemand, uit vrees van de straffen des Hemels op zich te trekken, den koster zonder iets hebben durven doorzenden, wanneer hij met zijnen werkman rondging om de nieuwjaarsgeschenken in te zamelen.
Wat is zulks tegenwoordig alles veranderd! Met Witten Donderdag en Goeden Vrijdag ging daarenboven de koster, weerom vergezeld van zijnen werkman, rond om Paascheieren. Als men dan nog weet, dat vele lieden, wanneer het vette zwijn geslacht werd, een lekker beetje bij Mijnheer Pastoor en dus heel natuurlijk ook bij den koster droegen, dan kan men begrijpen dat, onder stoffelijk oogpunt, de heer Jozef De Meutter geenszins te klagen, althans daartoe veel minder reden had dan menigen van hen die hedendaags met het onderricht en de opvoeding van het opkomend geslacht belast zijn.
Nog eenige bijzonderheden over het tijdperk 1831 - 1842. Kapstokken waren er niet in de school. Naar het voorbeeld van den meester hielden de kinderen onder klastijd klak of muts op het hoofd. Stoof of kachel was er ook niet. Des winters werd er nochtans vuur gemaakt in eenen open haard, doch enkel op die dagen, dat de scholieren brandstoffen meebrachten.
De eerste som gelds na 1831 besteed tot verbetering van het schoolgebouw, beliep 70 fr. En waartoe werd die som gebruikt? Wel, tot het maken en hangen van slagvensters om de zon uit de school te houden. Op Zon-, Feest- en andere verlofdagen, alsmede gedurende gansch den tijd der vacantiën bleven deze vensterluiken gesloten. Gedurende de groote vacantie diende het schoollokaal tot bergplaats van aardappelen en andere veldvruchten.
In 1841 werd het schoollokaal voor de eerste maal gewasschen en gewit.
Er was geene speelplaats. Vóór de klassen en binnen den tijd der uitspanning speelden de leerlingen op de straat. Waterplaatsen waren er niet; bij gebrek aan deze, werd daartoe verkozen den zijgevel van het corps-de-garde, alsmede den leemen muur eener nabijstaande schuur. Tegen de woning van den koster stond een enkel gemak, doch 't was er een met twee brilgaten. Dit stond ten dienste der mannelijke en vrouwelijke scholieren.
't Zag er lief uit, in dien tijd, niet waar?
Hiermede sluiten wij het overzicht van den toestand van het onderwijs in onze gemeente gedurende het eerste elfjarig tijdperk van België's eigen bestaan.
Blz 11.
Als wij nagaan hoe b.v. de kinderen te dien tijde tot het lezen voorbereid werden en deze gebrekkige spel- en verdere methoden vergelijken met de leerwijzen, thans hier in de scholen gevolgd; als wij daarbij overwegen dat er 1842 slechts 28 kinderen gratis ter schole mochten gaan en dat tegenwoordig onderwijs en schoolgerief gansch kosteloos verschaft wordt aan al de scholieren, zoowel aan de kinderen der begoede familiën als aan die der behoeftige ouders; als wij verder inzien dat, in plaats van een enkel lokaal, dat onder alle opzichten gebrekkig was, met eenen enkelen onderwijzer, zooals 't vóór 1842 bestond, Schrieck thans niet alleen eene gemeenteschool, maar ook eene aangenomen meisjesschool bezit, bij welke eene gesubsidieerde bewaarschool gehecht is, dus drie scholen welke onder opzicht van gebouw, meubelen en leermiddelen, weinig of niets te wenschen laten, en waar in de eerste twee onderwijzers (met October aanstaande drij), in de twee drie onderwijzeressen en in de derde twee meesteressen in afzonderlijke lokalen werkzaam zijn; als wij ten slotte nagaan dat het budget van onderwijs, dat in '42 slechts 105,50 fr. bedroeg, thans geklommen is tot 7025 fr., dan moeten wij luidop verklaren dat de vooruitgang op onderwijsgebied gedurende de negentiende eeuw hier in Schrieck enkel waar te nemen was na het in voege treden der wet van 23 September 1842, zooals wij verder zien zullen.
De lezer herzie wat wij in vorige regels zegden over lokaal, meubelen en leermiddelen, en dan herkent hij de gemengde gemeenteschool van Schrieck, waar de hoofd- en hulponderwijzer werkzaam waren van 1842 tot 1847. 't Is in dit laatste jaar dat er aan de school eene merkelijke verandering werd toegebracht. De muur tusschen het eigenlijke schoollokaal en het zoogenaamde corps de garde met prison werd afgebroken en deze drij plaatsen tot eene enkele gemaakt. De muren en de plafonneering werden insgelijks 0,80 m. verhoogd, zoodat dit lokaal toen eene lengte had van 9 m., eene breedte van 7 m. en eene hoogte van 4 m. De vier vensterkens met kleine glazen werden vervangen door zes breede en hooge ramen met groote ruiten, en de smalle waaierlooze deur door eene breedere met glazen waaier. In den linkerzijgevel werden daarenboven nog drij vensters aangebracht, twee smalle en eene breede in vervanging van het lichtgaatje van het afgeschafte wachthuis der nachtwacht. Wat meer is, tegen den rechterzijgevel werd eene tweede klas gebouwd in alles gelijk aan de eerste. Twee groote dubbele glazen deuren in den binnenmuur (den vroegeren zijgevel) stelden en stellen thans nog beide klassen in gemeenschap. In 't midden van dien wand bevond zich de kachel, in 1845 aangekocht, die de twee lokalen te gelijker tijd zou verwarmen. De ingangdeuren bleven nog in den voormuur tot in het jaar, dat de nieuwe klas nogmaals 4,20 m. verlengd werd. Dit gebeurde in 1854. In den Zomer van genoemd jaar werd op het middendeel van het schoolgebouw een verdiep geplaatst, bestemd tot zittingzaal der leden van den gemeenteraad. Na lang zoeken kwam men op het denkbeeld den ingang tot het gemeentehuis langs den achterkant te maken,
wordt vervolgd
|