Ethica I, prop. 33
Res nullo alio modo, neque alio ordine a Deo produci potuerunt, quam productae sunt. (E1p33)
Een korte, krachtige zin, die we lezen dicht bij het einde van het eerste hoofdstuk van de Ethica, dat geheel gewijd is aan God. Laten we een voorlopige vertaling maken en zien waar ons dat voert.
‘De dingen konden niet op een andere manier, noch volgens een andere ordening door God voortgebracht worden dan ze voortgebracht zijn.’
Vooreerst is het belangrijk op te merken dat Spinoza hier niet spreekt over de God van het christendom, het joodse geloof of de islam. Voor hem is God niet de transcendente Schepper van al wat is, maar ‘al wat is’, of de Natuur, of het universum enzovoort. In plaats van a Deo, ‘door God’, lezen we dus beter ‘door de Natuur’. Maar dat is een pleonasme, twee keer hetzelfde zeggen, want de Natuur is niets anders dan (het tot stand komen van) de dingen, res. We kunnen dus a Deo gewoon weglaten. Dat biedt het voordeel dat we ons niet laten afleiden of zelfs misleiden door onze christelijke achtergrond en een hele filosofische traditie die een verschil maakt tussen God en zijn schepping. Bij Spinoza is dat verschil er niet: Deus, sive Natura; de twee zijn uitwisselbaar, identiek, maar dan in die zin dat de hele nadruk komt te liggen op de Natuur. God wordt nog enkel bij manier van spreken vermeld. Dat is geen esoterisch taalgebruik van Spinoza, dat wil zeggen dat hij wel ‘God’ zegt maar in feite iets anders bedoelt. Nee, hij was ervan overtuigd dat hij het Godsbegrip had uitgezuiverd en uitgeklaard en dat hij het zo had gered. Hij spreekt in de Ethica voortdurend over God, zijn God, van de eerste bladzijde tot de laatste. Met de aanvulling sive/seu Natura, komt Deus slechts vier keer voor bij Spinoza, in twee paren (E4praef, E4p4d). Hij vond het dus niet eens nodig om die fundamentele gelijkstelling meer dan louter terloops te vermelden, in een concrete context; ze blijkt immers overduidelijk uit alles wat hij over God en de Natuur te zeggen heeft.
Een tweede dragend woord is res, vrouwelijk meervoud in het Latijn. De dingen, dus. Welke dingen? Alle dingen, al wat er is. Meer algemeen en meer absoluut kan Spinoza het niet stellen: res. Toch moeten we een bijzonder belangrijke nuancering aanbrengen. Het gaat om dingen die echt bestaan: ze zijn productae, voortgebracht, ze zijn er. Meteen zijn alle dingen uitgesloten die niet bestaan, zoals dingen die onmogelijk kunnen bestaan, zoals een driehoek waarvan de drie hoeken geen twee rechte hoeken vormen, of een cirkel waarvan alle punten niet even ver van het middelpunt liggen. Of dingen die zouden kunnen bestaan, maar in de praktijk niet bestaan: een cirkel met een straal van 1000 kilometer, bijvoorbeeld. Of dingen die alleen in onze verbeelding bestaan: een eenhoorn, een engel, een cycloop. Of dingen die in strijd zijn met de natuurwetten: dat een mens plots zomaar zou kunnen zweven, of iets zou kunnen verplaatsen zonder enige inspanning. Voor onze verdere redenering is het belangrijk dat we dit goed voor ogen houden: Spinoza spreekt hier enkel over (al) wat werkelijk bestaat.
Spinoza vermeldt modo (manier) en ordine (ordening). De dingen zijn gemaakt of tot stand gekomen op een bepaalde manier en volgens een bepaalde ordening. Het zijn twee zeer algemene woorden, die gekozen zijn omdat ze samen zo allesomvattend zijn. Heel specifiek zal Spinoza dit niet uitwerken: hij schrijft geen fysica, zegt hij. Wat hij bedoelt, is dat de dingen op een bepaalde manier tot stand gekomen zijn en volgens een bepaalde ordening, namelijk de natuurwetten, en dat een andere manier en een andere ordening niet konden: nullo alio, ‘geen enkele andere’. Alleen zoals ze in feite ontstaan of gemaakt zijn, zo kon het, anders niet.
Dat is een uiterst krachtige uitspraak. Je vraagt je meteen af: en waarom niet? Of: wat heeft dat voor consequenties?
Waarom niet? Hier zitten we bij een kerngedachte van Spinoza. De Natuur is geen gokspel. Er zijn onveranderlijke natuurwetten, die altijd en overal gelden. Als er iets gebeurt, dan heeft dat een oorzaak. En die oorzaak heeft weer een oorzaak, en zo verder. Als we heel slim waren (en dat zijn we niet, waarschuwt Spinoza ons), dan zouden we de hele voorgeschiedenis van een ding of een gebeurtenis kunnen achterhalen, steeds verder terug, zonder ooit op iets onverklaarbaars te stoten. De Natuur is integraal verklaarbaar; er zijn geen mirakels. Met onze beperkte kennis als mensen zullen we daarin natuurlijk niet slagen, niet als individu en misschien ook wel niet als mensheid, daarvoor krijgen we wellicht te tijd niet. Niemand heeft altijd alles door, verre van. We gaan voort op indrukken of op onze verbeelding en komen zo tot verkeerde conclusies of voorlopige inzichten, die we later moeten bijstellen. Maar de werkelijkheid, res, die is in principe volkomen logisch verklaarbaar.
Spinoza zegt dat de reeks van oorzaken oneindig is. Dat doet de wenkbrauwen fronsen. Hoezo, oneindig? Als we meer dan dertien miljard jaar teruggaan, tot bij de Big Bang, dan zitten we toch aan het begin van alles? Het is een vraag die Spinoza zich hier niet gesteld heeft. Hij bedoelde alleen maar dat alles in principe een oorzaak heeft, dat er nooit iets kan zijn dat geen oorzaak heeft, dat niet kan verklaard worden door de vaste natuurwetten. De Natuur is geen gokspel, er kan niet plots iets gebeuren of iets opduiken dat totaal onverklaarbaar is. Er zijn hoogstens dingen die wij nog niet kunnen verklaren, die we misschien nooit zullen kunnen verklaren, maar dat betekent helemaal niet dat ze onverklaarbaar zijn, natuurlijk. Voor Spinoza is de Natuur oneindig in beide richtingen, of zelfs in alle richtingen, de Natuur is tijdloos, dus kan je oneindig ver teruggaan.
Kon het dan niet anders? Nee, dat is duidelijk, zegt Spinoza. Alles gebeurt volgens onveranderlijke natuurwetten. Als die wetten anders waren geweest, dan hadden we een andere Natuur gehad; maar we hebben nu deze, en er kunnen er geen twee tezelfdertijd zijn, dat zou wat moois zijn… het zou ook volkomen in tegenspraak zijn met de fundamentele verklaarbaarheid van de Natuur. In de moderne kosmologie zegt men wel dat er misschien wel een oneindig aantal universa zijn, waarvan ons exemplaar er slechts één is. Dat is misschien wel zo, maar we kunnen er niet veel mee aanvangen, aangezien we met die andere universa geen contact kunnen hebben; we hebben die ook niet nodig om ons exemplaar te verklaren. Zolang we niet echt weet hebben van die andere universa, bestaan ze niet echt, maar enkel in onze (al dan niet logische) veronderstellingen, in onze verbeelding. Nee: onze natuurwetten zijn onveranderlijk en ze kloppen ook, ze zijn samenhangend. Je kan niet zomaar ergens iets veranderen aan die wetten, alles moet erin passen, er zijn geen uitzonderingen mogelijk. Anders waren er twee verschillende ‘Naturen’, maar dat kan evident niet, want de Natuur is al wat er is en dat kan je geen twee keer hebben, dat is absurd, natuurlijk.
Men heeft deze stelling vaak aangegrepen om aan te tonen dat Spinoza een determinisme huldigt. Als alles alleen maar kon gebeuren zoals het gebeurd is, dan lag en ligt alles bij voorbaat vast. De reeks van oorzaken en gevolgen die ertoe geleid heeft dat alles is zoals het is, was de enig mogelijke reeks. Er is geen enkele manier waarop die kon beïnvloed worden door wie of wat dan ook. De natuurwetten bepalen het verloop van de Natuur, van het meest algemene tot het meest gedetailleerde. We komen daarop nog terug.
De Natuur is dus volmaakt, zegt Spinoza. Ook dat moeten we nu niet verkeerd gaan begrijpen. We zien om ons heen dat de Natuur helemaal niet volmaakt is, integendeel: er is meer dan genoeg onheil in de wereld, zodat we zelfs zeggen dat het volmaakte niet van deze wereld is. Spinoza is allerminst blind voor het onvolmaakte en voor dat onheil, dat hij ook aan den lijve ondervonden heeft. Maar dat is onheil voor ons, wij ervaren het als onheil, terwijl het helemaal niet als onheil bedoeld is. De Natuur bedoelt helemaal niets, niets goeds en niets slechts. De natuurwetten zijn gewoon wat ze zijn, neutraal, onwrikbaar, onverbiddelijk eender voor iedereen, overal en altijd.
Is Spinoza dan toch een determinist? Laat ons voorzichtig zijn met dergelijke uitspraken. Als we spreken over de meest fundamentele dingen, past het om schroomvallig te werk te gaan.
We hebben bij het begin van onze redenering gezegd dat de natuurwetten enkel gelden voor wat er werkelijk is. Darwin zou dat enthousiast bijgetreden zijn; hij ging precies op zoek naar die achterliggende oorzaken, die ons tot dan toe ontgaan waren, naar de natuurwetten die te gronde liggen aan de biologische evolutie, die tot dan toe onverklaarbaar was en dus ontkend werd. Maar naast al wat er is, zijn er ook dingen die wel mogelijk zijn, maar die toch niet gebeuren en vooral: die niet gebeurd zijn. En dat ze niet gebeurd zijn, dat heeft ook een oorzaak, die even bepalend is als de oorzaken van wat er wel gebeurd is. En dus moeten we wel zeggen dat hoewel het niet anders gelopen is met de Natuur dan het in feite gelopen is, het toch in principe ook anders had gekund.
Let wel: het gaat enkel om wat mogelijk is binnen de geldende natuurwetten, want daaraan valt niet te ontsnappen. Het eenvoudigste voorbeeld is elk van ons. Wij zijn het resultaat van een (oneindige) voorgeschiedenis, met menselijke en voormenselijke en dierlijke en voordierlijke voorouders, helemaal tot aan de Big Bang. Maar wij bestaan niet noodzakelijk, er is niets in ons dat aanspraak kan maken op enige noodzakelijkheid, alleen de Natuur is noodzakelijk in zijn totaliteit; wij zijn echter gewoon het resultaat van materiële oorzaken. En met die materiële oorzaken is er van alles mogelijk binnen de natuurwetten. Die zijn namelijk zo complex en divers, dat het voor de meeste zaken zelfs onmogelijk is om ons aan enige voorspelling te wagen. Het kan vriezen, het kan dooien.
Er zijn zoveel factoren waarmee men rekening moet houden, en zoveel gradaties in de invloed die elke van die factoren heeft, dat men niet eens kan zeggen of bepaalde oorzaken ook een bepaald gevolg zullen hebben. Als wij een kind ‘maken’, dan kan het een jongen of een meisje zijn, of zelfs een tussenvorm; het kan voldragen zijn of voortijdig aan zijn einde komen; het kan bij de geboorte levensvatbaar zijn of niet, gehandicapt of niet enzovoort. Voor elk van die mogelijkheden is er een volmaakt verklaarbare reden, helemaal binnen het kader van de natuurwetten, maar er zijn zoveel factoren die daarin meespelen, dat elke ouder bang afwacht. Er zijn dus ook mensen die niet geboren worden, en die onder iets andere omstandigheden wel hadden kunnen geboren worden. Het kon dus wel degelijk anders. We hadden er ook niet kunnen zijn.
Denk aan de gebeurtenissen die ertoe geleid hebben dat op zeker moment alle grote zoogdieren op aarde uitgestorven zijn, wellicht ten gevolge van de inslag van een enorme asteroïde. Dat die toen hier insloeg is volledig verklaarbaar volgens de natuurwetten, anders ware het niet gebeurd. Maar stond het vanaf het begin der dingen (wat dat ook moge betekenen) vast dat het zou gebeuren? Natuurlijk niet: er zijn miljoenen factoren die dat hadden kunnen verhinderen, en eentje zou al genoeg geweest zijn. Op elk moment kunnen er allerlei dingen gebeuren, of niet gebeuren, allerlei factoren werken samen en het resultaat is even onvermijdelijk als onvoorspelbaar. Dat heeft niets met het toeval of het fatum te maken, maar met wat men probabiliteit of waarschijnlijkheid noemt.
Nu de mens er is, kunnen we zeggen dat er een zeer grote waarschijnlijkheid was dat er ooit een mens zou zijn. Maar is het ook mogelijk dat er geen mensen zouden geweest zijn, of dat die er grondig anders zouden uitgezien hebben. Reken maar! Er is binnen de natuurwetten niets dat van bij de aanvang van het leven liet veronderstellen dat er ooit ‘mensen’ zoals wij zouden zijn. Of giraffen. Of vogelbekdieren. Steeds binnen de natuurwetten was het perfect mogelijk dat wij acht vingers hadden, of een staart enzovoort. Het is niet gebeurd, maar het heeft niet veel gescheeld.
De belangrijkste reden voor dit alles is dat de natuurwetten niet abstract zijn. Ik heb het niet over woorden, zegt Spinoza, ik probeer de dingen zelf te verklaren. Het zijn de wetten waaraan de dingen, de materie zelf onderhevig is. De tektonische platen schuiven overeen met een kracht die niet in mensentermen uit te drukken is. De materie evolueert volgens de natuurwetten, oorzaak en gevolg, maar elk gevolg is weer een oorzaak. De natuur werkt op zichzelf in. Dat is het meest spectaculair bij levende wezens. Die ontwikkelen een activiteit die het aanschijn van de aarde en van het leven op aarde grondig veranderd heeft. En hoe hoger de levensvorm, hoe groter de invloed. Een beverpaar kan een beek afdammen, wij doen het op veel grotere schaal. We ontsnappen niet aan de natuurwetten, maar wij zetten ze wel naar onze hand.
Spinoza zegt nergens iets dat op determinisme lijkt. Hij zegt alleen dat de natuurwetten onwrikbaar zijn, of ‘eeuwig’ en dat ze ook logisch zijn, dat de dingen niet zomaar gebeuren. Maar binnen het strakke kader van de natuurwetten is er enorm veel mogelijk, en slechts een zeer klein gedeelte van wat mogelijk is, gebeurt ook echt.
Wie dus uit deze stelling van Spinoza afleidt dat alleen wat kan gebeuren, ook gebeurt, vergist zich schromelijk. Spinoza zegt enkel dat als er iets gebeurt, het alleen maar zo kon gebeuren. Als de oorzaken anders waren geweest, dan was er iets anders gebeurd, misschien onmerkbaar anders, maar toch anders. Hij zegt nergens dat iets anders niet had kunnen gebeuren, tenzij dat strijdig is met de natuurwetten. Hij zegt ook niet dat het moest gebeuren, alleen dat als het gebeurt, het wel zo moest gebeuren, en niet anders.
Dat heeft enorme gevolgen. Wie aanneemt dat alles noodzakelijk gebeurt en dat iets anders niet mogelijk is en het nooit was, negeert niet alleen de natuurwetten, die wel degelijk andere mogelijkheden inhouden, maar ontzegt uiteindelijk de mens alle vrijheid. De mens heeft dan geen enkele invloed meer op de gebeurtenissen, die helemaal onderhevig zijn aan een Hoger Wezen, dat alles bepaalt: de God van het christendom, het jodendom of de islam, het polytheïsme van het hindoeïsme enzovoort. De Natuur van Spinoza past niet in dit rijtje, omdat er hier geen hoger wezen is, er is alleen de Natuur. En binnen die Natuur gelden alleen de natuurwetten en binnen die natuurwetten is er oneindig veel mogelijk op oneindig veel mogelijke manieren, zegt Spinoza, waarmee hij overduidelijk aantoont dat deze stelling 33 uit het eerste hoofdstuk van de Ethica niet kan gelden als een bewijs voor welk determinisme dan ook, maar enkel moet begrepen worden als een benadrukken van de fundamentele rationaliteit van het universum.
Spinoza probeert de mens te bevrijden van de angsten van een primitief bestaan, van een slafelijke onderwerping aan de machtswellust van anderen, van de terreur van godsdienstig fanatisme. Indien hij daarvoor enkel een materialistisch determinisme in de plaats had gezet, dan is het zeer twijfelachtig dat hij vooral op hoogstaande persoonlijkheden een zo diepe en blijvende invloed zou uitgeoefend hebben en dat nog steeds doet; het zou nog veel minder waarschijnlijk geweest zijn dat de bestaande godsdiensten zich zo fel tegen zijn opvattingen zouden verzet hebben. Spinoza biedt ons wel degelijk een echt alternatief, dat gebaseerd is op onze authentieke vrijheid, maar dat ons ook voor onze onontkoombare verantwoordelijkheid plaatst.







