de liefde: een definitie?


In de twee boeken die ik gelezen heb van André Comte-Sponville (zie het lijstje hiernaast of doe een zoek), citeert de auteur herhaaldelijk een definitie die Baruch Spinoza (zie https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=454 ) geeft van de liefde: l’amour est une joie qu’accompagne l’idée d’une cause extérieure. Ik heb dat zinnetje bij hem nu zeker wel al honderd keer gelezen en ik versta het nog altijd niet. Comte-Sponville vermeldt het met veel aplomb, alsof het een belangrijk citaat is, iets veelzeggends. Je probeert dat dan te begrijpen, in de context en op zichzelf, maar ik moet mijn onmacht bekennen.
Ik probeer het letterlijk te vertalen: de liefde is een vreugde die de idee van een externe oorzaak begeleidt. Euh? Let wel: qu’accompagne of que accompagne duidt erop dat de ‘idee van een externe oorzaak’ het onderwerp is en de ‘vreugde’ het lijdend voorwerp. De idee van een externe oorzaak begeleidt dus de vreugde, niet andersom, dan zou er staan qui accompagne.
Ik vrees dat we er zo niet uitgeraken, het lijkt me een zeer dense (zoals in densiteit) uitdrukking.
Laten we even teruggaan naar het origineel, in de Ethica, propositio XIII. Je mag het Latijn gerust overslaan, ik zet het hier maar bij voor de volledigheid. De vertaling staat eronder.
PROPOSITIO XIII. Cum mens ea imaginatur, quae corporis agendi potentiam minuunt vel coercent, conatur, quantum potest, rerum recordari, quae horum existentiam secludunt.
DEMONSTRATIO. Quamdiu mens quicquam tale imaginatur, tamdiu mentis et corporis potentia minuitur vel coercetur (ut in praeced. prop. demonstravimus), et nihilominus id tamdiu imaginabitur, donec mens aliud imaginetur, quod huius praesentem existentiam secludat (per prop. 17. P. 2.), hoc est (ut modo ostendimus) mentis et corporis potentia tamdiu minuitur vel coercetur, donec mens aliud imaginetur, quod huius existentiam secludit, quodque adeo mens (per prop. 9. huius) quantum potest, imaginari vel recordari conabitur. Q.E.D.
COROLLARIUM. Hinc sequitur, quod mens ea imaginari aversatur, quae ipsius et corporis potentiam minuunt vel coercent.
SCHOLIUM. Ex his clare intelligimus quid a m o r quidque o d i u m sit. Nempe amor nihil aliud est, quam laetitia concomitante idea causae externae et odium nihil aliud quam tristitia concomitante idea causae externae. Videmus deinde quod ille, qui amat, necessario conatur rem, quam amat, praesentem habere et conservare; et contra qui odit, rem, quam odio habet, amovere et destruere conatur. Sed de his omnibus in seqq. prolixius.
Dit is de klassieke vertaling, die ik plukte van de website van het Spinoza-genootschap:
Wanneer de Geest zich dingen voorstelt, welke het vermogen tot handelen des Lichaams verminderen of belemmeren, tracht hij zooveel mogelijk zich andere dingen te herinneren welke het bestaan van deze eerste uitsluiten.
Bewijs.
Zoolang de Geest zich iets dergelijks voorstelt worden de vermogens, zoowel van den Geest als van het Lichaam verminderd of belemmerd ( gelijk wij in de voorgaande stelling hebben aangetoond ). Niettemin zal hij zich ( vlg. St. XVII D. II ) zooiets zoolang voorstellen tot hij zich iets anders voorstelt dat het tegenwoordig bestaan van het eerste uitsluit, d.w.z. ( gelijk wij daareven aantoonden ): de vermogens van Geest en Lichaam worden zóólang verminderd of belemmerd totdat de Geest zich iets anders voorstelt dat het bestaan ervan [dier belemmering] uitsluit, zoodat ( vlg. St. IX v.d. D. ) de Geest zooveel mogelijk zal trachten zich dit andere voor te stellen of te herinneren. H.t.b.w.
Gevolg: Hieruit volgt dat de Geest afkeerig is zich dingen voor te stellen welke zijn eigen vermogen [kracht] of dat van het Lichaam verminderen of belemmeren.
Opmerking: Wij kunnen thans helder inzien wat Liefde is en wat Haat. Liefde namelijk is niets anders dan Blijheid, vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak, terwijl Haat niets anders is dan Droefheid vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak. Verder begrijpen wij dat wie liefheeft noodzakelijk er naar streeft datgene wat hij liefheeft te bezitten en te behouden, terwijl daarentegen wie haat datgene wat hij haat tracht te verwijderen en te vernietigen. Doch over dit alles later breedvoeriger.
De moeilijkheid ligt in dat ene woord: concomitante; het werkwoord concomitari is laat Latijn en het betekent: aanwezig zijn bij, er bij zijn of horen, begeleiden als een omstandigheid of als een gevolg. De vorm concomitante komt bij klassieke auteurs niet voor, wel het eenvoudiger comitante. Het is de ablatief enkelvoud, zowel voor het mannelijk, vrouwelijk als onzijdig. Concomitante is dan een losse ablatief: ‘in de aanwezigheid van, begeleid door’, of gewoon ‘met, samen met’.
Concomitante idea betekent dan ‘met de idee, terwijl de idee begeleidt’ of ‘bij de gedachte aan’.
Spinoza spreekt in dit hoofdstuk over de emoties en probeert die een voor een te definiëren. Hij stelt dat als men aan iets denkt dat niet goed is voor de werking van de geest en van het lichaam, men geneigd is die gedachten te verdringen en aan andere, betere zaken te denken, zodat lichaam en geest weer optimaal functioneren. En dan zegt hij, heel eenvoudig: als je aan iets denkt dat buiten jezelf ligt en je ervaart daarbij een vreugde, dan betekent dat dat je ervan houdt; en als je droevig gestemd wordt door aan iets te denken dat buiten jezelf ligt, dan betekent dat dat je er niet van houdt, dat je het haat.
Van iets of iemand houden wil dus zeggen dat men er zich goed bij voelt, dat men blij is; iets of iemand haten is niets anders dan er zich slecht bij voelen, niet blij zijn maar ongelukkig.
Wat is daar nu zo diepzinnig aan? Elke filosoof, elke dichter, elke mens met gezond verstand bevestigt sinds mensenheugenis dat het geluk gelegen is in het vermijden van pijn en het vinden van wat aangenaam is, het verwerven van het goede en het uitsluiten van het slechte. De mens, althans de ‘normale’ mens is zo gemaakt: wat hem vreugde verschaft, dat vindt hij of zij goed, wat hem ongelukkig maakt is slecht. Ook de sociobiologie zal die stelling volgaarne bijtreden.
Laten we de passage nu eens opnieuw bekijken. Liefde moeten we hier niet meteen verstaan als het superieure menselijk vermogen om het hoogste geluk te vinden in een complexe relatie met een ander mens, die op alle vlakken bevredigend is, door haar intensiteit en diepgang en die door het uitzicht op onverstoorde continuïteit tot een toestand van vrijwel permanente gelukzaligheid en genot leidt.
Ik heb de indruk dat Spinoza het gewoon heeft over twee basiservaringen, namelijk het ervaren van vreugde en verdriet, genot en pijn, bij het contact van het individu met de wereld. Dat kan allerlei vormen aannemen, maar het gaat steeds om een goed gevoel of een slecht. Als iets bij ons uiterlijke tekenen van vreugde veroorzaakt (lachen, ontspannen, goede bloeddoorstroming, stralende ogen, danspasjes…) dan noemen we de bijhorende emotie: liefde; we houden ervan. Als iets anders droefenis veroorzaakt (met de tegengestelde symptomen), dan noemen we de emotie in onszelf: haat, we haten het. Haat is ook het klassieke antoniem van liefde.
Liefde kenmerkt zich door de vreugde die wij voelen bij het contact met iets of iemand, ook in de confrontatie met onszelf; haat door het verdriet.
Liefde is de vreugde die we voelen. Die vreugde kan opgewekt worden door iets buiten ons, maar ook door iets binnen ons: als wij tevreden zijn met ons lot of met iets dat we gepresteerd hebben, dan geeft dat een goed gevoel. In zijn beschrijving van al de mogelijke emoties maakt Spinoza een onderscheid tussen de emoties die interne en externe oorzaken hebben. Niet dat dat onderscheid veel belang heeft, in die zin dat het ene belangrijker zou zijn dan het andere: het is enkel een hulpmiddel om de verschillende emotie te omschrijven en in te delen. Amor of liefde is dus niet beperkt tot de vreugde met een externe oorzaak: ook tevredenheid met zichzelf is liefde. Als Comte-Sponville enkel dat ene zinnetje citeert, krijg je de indruk dat het in die vorm een definitie is van de liefde, quod non: het is maar één mogelijke vorm naast al de andere.
Liefde is vreugde. Dat is de essentie van wat Spinoza zegt; er zijn drie mogelijke basisemoties: vreugde, verdriet en verlangen. Daaraan beantwoorden respectievelijk liefde, haat en begeerte. Naargelang van het voorwerp van die emoties krijgen we de verschillende specifieke emoties, Spinoza omschrijft er een vijftigtal.
De vreugde is de lichamelijke emotie die vrijwel spontaan opwelt, bij zintuiglijk contact of bij mentale activiteit zoals de herinnering. Liefde is meer: het is het bewustzijn van de vreugde en de affectieve band die ontstaat met wie of wat die vreugde opwekt. Men zal proberen om het voorwerp van de liefde zoveel mogelijk in zijn nabijheid te hebben, zodat de vreugde zoveel als mogelijk opgewekt wordt.
Dit is een zeer moderne gedachte, die door onder meer Antonio Damasio belicht wordt vanuit de experimentele psychologie en de neurologie. Zijn boek Looking for Spinoza (2003) ligt klaar voor lezing, maar ik moet eerst nog zijn voorgaand werk doormaken: The Feeling of What Happens (1999), ik lees ze graag (en het best) in volgorde. Ik las van hem al ‘Het ongelijk van Descartes’, voor de bespreking klik je hier https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=8675
Spinoza had toen al begrepen, op louter intuïtieve en logische gronden, dat het geen zin heeft om, zoals Descartes, een strenge scheiding te maken tussen lichaam en geest, dat er enkel een lichaam is met daarin de hersenen. Het is in dat geheel, dat op ontelbare manieren verweven is in al zijn onderdelen, dat de reacties van het individu op zijn omgeving plaatsvinden. Wat men vroeger (en nu…) als louter geestelijke, psychische, immateriële ‘hogere’ gevoelens beschouwde, blijken fysieke activiteiten te zijn van onze hersenen, in constante dialoog met zichzelf en met de rest van het lichaam. Dat betekent niet alleen een definitieve breuk met elk dualisme, het is ook een doorbraak naar een meer zinvolle, eenvoudiger interpretatie van het menselijk zelfbewustzijn en de werking van de hersenen in het geheel van het lichaam.
Dat mis ik bij Comte-Sponville. Hij gebruikt dit citaat en ook de andere uit de geschriften van Spinoza niet op hun eigen volle waarde, maar past ze in in zijn discours, dat nog (te) zeer aanleunt bij de traditionele manier van denken over de mens. In zijn ‘Ode aan de liefde’ in de laatste hoofdstukken van zijn Petit traité des grandes vertus (klik voor de bespreking hier https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=47332
citeert hij zeer overvloedig Kant, Nietzsche, Augustinus, het Evangelie, Pascal, Plato, Hume, Lucretius, Plotinus, Stendhal, de Rougemont, Wagner, Proust, Sartre, Aristoteles, Montaigne, Gide, Lévi-Strauss, Thomas Aquinas, Bernardus van Clairvaux, Alain, Descartes, Paulus, Simone Weil, Anders Nygren (Eros en Agapè), Franciscus van Sales, Jankélévitch, maar niets van de verworvenheden van de sociobiologie en de evolutionaire psychologie, hoewel zijn boek dateert van 1995, toen het werk van Damasio al verschenen was, naast andere wetenschappelijke studies, waarvan hij toch weet moet gehad hebben. Hij citeert even royaal Spinoza, maar knoopt daar bijvoorbeeld deze dithyrambe aan vast: le plaisir n’est amour, au sens plus fort du terme, que s’il rejouit l’âme, et c’est le cas, spécialement, dans les rapports interpersonnels. La chair est triste quand il n’y a pas d’amour, ou quand on n’aime que la chair.
Daarmee zijn we mijlenver verwijderd van de bijna zakelijke omschrijvingen van Spinoza en dat is niet zomaar een stijlverschil: Spinoza ziet de mens als een geheel, op een erg beschrijvende manier, als een onderdeel van de natuur, er onlosmakelijk mee verbonden, zonder er bovenuit te stijgen, zelfs niet door zijn ‘hogere’ vermogens. Comte-Sponville moet terugvallen op niet nader omschreven klassieke begrippen als de ziel, en romantische omschrijvingen als de diepere zin en betekenis van de dingen en de gevoelens. Het is goed dat we onze klassiekers kennen en Comte-Sponville kent ze als geen ander. Maar dat is niet voldoende: we moeten ook over het muurtje durven kijken en openstaan voor de frisse wind die waait uit openstaande deuren. We moeten de nieuwe wegen durven bewandelen die de vooruitgang van de wetenschappen, ook de humane, voor ons openbreken en vrijmaken.
Je kan geen nieuwe theorieën bouwen op geselecteerde citaten uit het verleden en zeker niet als je, zoals hier het geval is, een citaat compleet uit zijn context rukt om er een betekenis aan te geven dat het niet heeft, met miskenning van de oorspronkelijke, correcte zin. Spinoza zegt simpelweg dit: liefde is vreugde, haat is droefheid, verlangen is begeren.
Vergeet dus maar de irriterende cryptische definitie in de onnodig boursouflé-versie van Comte-Sponville. Laten we het houden bij: de vreugde die je voelt als je aan iets denkt, noemen we liefde.


















