Seksualiteit: wie heeft daar geen mening over? Wie is er niet mee bezig, in gedachten en in de praktijk? Maar de meningen zijn ook hier verdeeld. Niemand zal natuurlijk ontkennen dat er zoiets als seksualiteit is; denk aan de titel van dat hilarische boek Is Sex Necessary? Maar wat is het precies? Het is een complexe kwestie en ik ben niet beter geplaatst dan gelijk welke andere 69-jarige om er uitspraken over te doen.
Het is vaak bij bijzondere gevallen van seksualiteit dat men zich vragen gaat stellen, zoals pedofilie, incest, verkrachting, homoseksualiteit, masturbatie. Dan blijkt dat seksualiteit inderdaad veel ruimer is dan de kwestie van de voortplanting. In onze moderne tijd zijn die twee steeds meer van elkaar gescheiden: seks kan zonder voortplanting, en voortplanting kan zonder seks. Dat eerste was vroeger ook al zo: er zijn altijd al mensen geweest die seks wouden zonder dat er kinderen uit voortkwamen en daarnaar handelden. Seks en alles wat eromheen hangt, is een van de sterkste menselijke drijfveren. Dat die seksuele aandrift, de mogelijkheid om opgewonden te geraken en genot te beleven aan het seksuele bestaat, betekent dat die een voordeel betekent voor wie die heeft. Zonder die neiging of drift zou er allicht geen spontane voortplanting zijn. Wij zijn genetisch gericht op voortplanting en seksueel genot is een middel om dat aantrekkelijk te maken.
Maar eens er een dergelijk systeem aanwezig is in onze genen, gaat dat ook een eigen leven leiden in onze beschaving. Het krijgt vorm en evolueert verder naargelang de omstandigheden en de beleving door de mens. Vergelijk het met drinken: dat is een natuurlijke behoefte en dorst waarschuwt ons voor uitdroging en drank verschaft ons genot, maar als je ziet wat drinken betekent in onze huidige maatschappij…
Als we het hebben over seks, dan bedoelen we niet alleen wat er gebeurt bij de bevruchting. Het begrip is veel ruimer dan dat. Men kan gerust stellen dat alles wat mogelijk is in die context ook gebeurt, of ooit gebeurd is, of ooit wel eens zal gebeuren. En de mogelijkheden zijn even onuitputtelijk als de menselijke nieuwsgierigheid en vindingrijkheid. Als we de menselijke seksualiteit bekijken zoals antropologen en biologen dat doen, dan stellen we een enorme waaier van gebruiken vast, waarbinnen de bevruchting van de vrouw door de man slechts een miniem onderdeel is. Het volstaat het aantal keren dat een mens seks heeft te vergelijken met het aantal kinderen dat een mens voortbrengt om dat in te zien. En dan hebben we het niet eens over de vele uitingen van seksualiteit die niet op de voortplanting gericht zijn, zoals masturbatie, anale, orale, intercrurale seks enzovoort, fetisjisme, sadomasochisme en noem maar op. Ook subtiele, innerlijke vormen en aspecten van seksualiteit zoals verliefdheid, tederheid, bezorgdheid, verlangen, lijden, jaloersheid enzovoort zijn enorm belangrijk voor ons, vaak veel belangrijker dan de ‘eigenlijke’ seks zelf.

Hoewel heel veel mensen allicht meestal seks hebben op de gebruikelijke manier, dat wil zeggen dat ze als man en vrouw intiem genitaal contact hebben in een levenslange monogame relatie, zijn er heel veel mensen die hun seksualiteit anders beleven, op een van de talloze mogelijkheden die daartoe bestaan. En er is wellicht niemand die uitsluitend op die gebruikelijke manier seks heeft. Dat die manier gebruikelijk is, betekent alleen dat ze het meest voorkomt, en niet eens exclusief. Dat ze nooit de enige manier is, bewijst dat andere manieren ook gebruikelijk zijn, in mindere of meerdere mate. De meest gebruikelijke is dus niet automatisch de enige juiste, of de enige natuurlijke vorm, waardoor al de andere vormen meteen ook verkeerd of onnatuurlijk zouden worden.
Zijn alle vormen van seksualiteit dan evenwaardig? Dat is afhankelijk van welke waarde men hanteert bij de beoordeling. Als men vertrekt van ‘voortplanting’ als de hoogste exclusieve waarde, dan zijn evident alle vormen die niet tot voortplanting leiden minderwaardig. Maar wij weten dat seksualiteit op alle punten veel ruimer is dan alleen maar de voortplanting, dat voortplanting zelfs maar een miniem aspect is van de menselijke seksualiteit. Er is dus geen reden om dat aspect als enige norm te gebruiken of op te leggen; dan houdt men immers geen rekening met het grootste deel van de uitingen en vormen en belevingen van de menselijke seksualiteit. Het is dus niet omdat onze voortplanting seksueel gebeurt dat onze seksualiteit uitsluitend voor de voortplanting zou kunnen of mogen gebruikt worden. Vergelijk het nogmaals met eten en drinken: op die manier zorgen we ingevolge genetische impulsen voor onze instandhouding en we beleven daar genot aan, maar we eten en drinken ook voor het genot dat we eraan beleven: Boire sans soif et faire l'amour en tout temps, madame, il n'y a que ça qui nous distingue des autres bêtes (Beaumarchais, Le mariage de Figaro).
Moet men dan alle vormen zonder meer toelaten? Seksualiteit is slechts een van de manieren waarop wij onze eigenheid beleven. Het is niet duidelijk dat daarvoor fundamenteel andere regels zouden gelden dan voor al de andere domeinen van het leven. De mens leeft onvermijdelijk in gemeenschap met andere mensen en vindt daarin ook zijn hoogste ontplooiing; dat samenleven is slechts mogelijk als men onderling bepaalde regels afspreekt die moeten verhinderen dat de vrijheid van de ene belemmerd wordt door die van de andere en die anderzijds zoveel mogelijk bijdragen tot een vreedzame co-existentie en zelfs de samenwerking bevorderen en leiden tot de optimale verwezenlijking van de mogelijkheden van elkeen. Ook voor de beleving van onze seksualiteit zullen we dus tot dergelijke afspraken moeten komen.

De mensheid heeft van bij haar ontstaan dergelijke regels bedacht en wetten opgesteld en ingevoerd met vallen en opstaan. Zo heeft men ontdekt dat incest tussen familieleden in de eerste graad vaak aanleiding geeft tot nakomelingen met defecten. Dat leidde tot een algemeen incestverbod. Maar ook zo’n wet gaat een eigen leven leiden: het wordt een taboe dat een bovennatuurlijke dimensie krijgt en daaraan zijn kracht ontleedt: men ziet niet af van incest omdat men wil vermijden dat er ‘mismaakte’ kinderen komen, maar omdat het absoluut verboden is. Terwijl seks met nauwe verwanten die niet gericht is op de voortplanting vanzelfsprekend ook geen aanleiding geeft tot kinderen met een handicap en dus vanuit alleen dat oogpunt en met uitsluiting van alle andere mogelijke nadelen, toch geoorloofd zou kunnen zijn. Waarom zou de staat moeten tussenkomen wanneer bijvoorbeeld een broer en zus als gehuwden gelukkig samenwonen en ofwel kinderloos blijven, of de nodige voorzorgen nemen om genetische fouten te voorkomen bij hun nakomelingen? Men moet dus spaarzaam zijn met wetten, ook over seksualiteit en misschien zelfs vooral over seksualiteit: men weet immers dat men die wetten moeilijk kan implementeren en dat ingrijpen in het meest intieme van het persoonlijk leven een uiterst delicate zaak is voor een overheid.
Vandaar dat in een democratische rechtsstaat de overheid uiterst tolerant zal zijn op verscheidene belangrijke gebieden en misschien vooral op seksueel gebied, terwijl overheden die niet democratisch zijn vaak uiterst intolerant zullen zijn. Zo heeft men bij ons lang masturbatie verboden, vanuit de gedachte dat dit een onnatuurlijke daad is: het is zelfbevrediging en het is niet gericht op voortplanting. Er werden zelfs wetenschappers gevonden die bereid waren te ‘bewijzen’ dat masturbatie schadelijk was voor de gezondheid, en dat terwijl iedereen wel eens masturbeerde zonder manifeste negatieve gevolgen.
Homoseksualiteit is een ander voorbeeld. Het is van alle tijden en alle streken en men kan maar bezwaarlijk zeggen dat het schadelijk is, behalve wanneer de maatschappij zelf die schade berokkent door wetten die homoseksualiteit verbieden en de betrokken personen stigmatiseren, discrimineren en zo ook emotioneel schaden. Het is daarbij vanuit maatschappelijk oogpunt totaal onbelangrijk of homoseksualiteit een natuurlijk verschijnsel is en als dusdanig onweerstaanbaar, of het resultaat van omstandigheden buiten de wil van de betrokkenen, dan wel een vrije en bewuste keuze. Homoseksualiteit bestaat, en men moet beslissen of men daarover wetten maakt of niet. Die wetten zijn er evident geweest en ze zijn er nog en zelfs wanneer die wetten erg tolerant zijn of dode letter blijven, is er nog steeds een vrij ruim verspreide argwaan tegenover homoseksualiteit, ongetwijfeld hoofdzakelijk als gevolg van eeuwenlange verontwaardigde verbodsbepalingen. Men weet nog altijd niet precies wat de oorzaak is van homoseksualiteit. Alles wijst erop dat het een combinatie is van genetische en omgevingsfactoren, die bij verschillende individuen tot verscheidene resultaten leiden. Maar wat daar ook van zij, men zal met heel sterke argumenten moeten afkomen om homoseksualiteit te kunnen verbieden. Tot nog toe heeft men niets anders kunnen bedenken dan dat het tegennatuurlijk is en niet leidt tot nakomelingen. Op dat laatste punt is er overigens een belangrijke verandering gekomen door het homohuwelijk, kunstmatige inseminatie en adoptie door homoseksuelen.

Menselijk gedrag is uiterst divers. Zoals de Natuur alle mogelijkheden die er zijn ook uitprobeert en er zo een complex Universum tot stand komt, zo doen ook mensen alles wat ook maar enigszins mogelijk is, om welke reden dan ook, met dezelfde complexiteit tot gevolg voor de samenleving. Zoals wij ook de Natuur slechts proberen in te tomen wanneer die manifest schadelijk is voor ons, zoals bij overstromingen, zo moeten we ook het menselijk gedrag slechts indijken en kanaliseren wanneer het schadelijk is voor de betrokkenen, voor anderen of voor de Natuur, of een combinatie daarvan. Zeker in het geval van de seksualiteit moeten we een nauwkeurig onderscheid maken tussen wat toegelaten is en wat wenselijk is. Wij kunnen immers onze wensen, die verschillen van persoon tot persoon, niet tot wetten verheffen waarmee we anderen onze wil opleggen. Het is de overheid die zal beslissen of er wettelijke maatregelen moeten getroffen worden; die zal daarbij met de grootste omzichtigheid tewerk gaan. Zij kan geen autocratische beslissingen nemen op onzekere gronden, maar het is evenmin aanvaardbaar dat zelfs een democratische meerderheid haar wil discriminerend zou opleggen aan een minderheid. Onze seksualiteit is een onvervreemdbaar mensenrecht van elke persoon en iedereen is vrij om die te beleven zoals hij of zij dat wil en kan. De overheid moet daarin enkel tussenkomen zoals in alle andere gevallen waarbij de rechten van individuen manifest onverenigbaar blijken zijn met die van anderen en tot ernstige onoplosbare conflicten leiden. Alleen in die gevallen kan de overheid een beperking van sommige vrijheden opleggen, die iedereen dan ook moet respecteren.
Homoseksualiteit is geen goed voorbeeld van een dergelijk conflict: men kan niet aantonen dat homoseksualiteit als levenshouding of als seksuele activiteit op enigerlei wijze schadelijk zou zijn; zelfs in het extreme geval dat iedereen exclusief homoseksueel zou zijn, kan er vandaag nog steeds voortgeplant worden. Dat was vroeger niet zo, maar het aantal homoseksuelen is nooit zo aanzienlijk geweest dat het een bedreiging betekende voor het voortbestaan van de soort. Als dat het geval zou geweest zijn, zou het immers als kenmerk in de loop van de evolutie weg geselecteerd zijn.
Pedofilie daarentegen lijkt wel degelijk een conflict in te houden. Mede door het inherente leeftijdsverschil gaat het om asymmetrische relaties, waarbij bewuste volwassenen seksueel omgaan met kinderen die zich in een kwetsbare fase van hun ontwikkeling bevinden en die niet zonder meer in staat kunnen geacht worden tot het maken van bewuste en vooral verantwoorde keuzes. Men heeft kunnen vaststellen dat pedofiele contacten op kinderen een traumatische invloed kunnen hebben met negatieve gevolgen tot op latere leeftijd. Er is ook meestal sprake van dwang, verleiding, misleiding, intimidatie en druk door de pedofiele persoon, elementen die weliswaar niet vreemd zijn aan andere relaties, maar die zeker in deze gevallen kunnen beschouwd worden als voldoende bezwarend om er een negatief oordeel over te vellen. De maatschappij zal dan ook maatregelen nemen om pedofiele praktijken af te keuren, te verbieden en te beteugelen. Zij mag zich echter niet bemoeien met het innerlijk leven van pedofiele personen en moet hun vrijheid op dezelfde manier respecteren en waarborgen als bij alle anderen. Het is enkel wanneer die personen een reëel en concreet gevaar betekenen voor de maatschappij dat men tegen hen kan optreden. Dat zal allicht betekenen dat de pedofiele persoon zich zal moeten onthouden van seksuele contacten en zijn specifieke seksualiteit op een andere manier zal moeten beleven.
Dat onze seksualiteit genetisch gestructureerd is, hoeft geen betoog: we worden geboren met mannelijke of vrouwelijke eigenschappen, als man of vrouw. Maar louter fysiologisch is daarin al heel wat variatie mogelijk, zowel wat betreft de primaire als de secundaire geslachtskenmerken. De meer subtiele, mentale aspecten van de seksualiteit (en zegt men niet dat seks tussen onze oren zit?) zijn eveneens ten minste gedeeltelijk genetisch van aard, zoals blijkt uit onderzoek naar bijvoorbeeld homoseksualiteit. Er is dus al op genetische basis een zeer brede waaier van mogelijkheden voor seksuele identiteitsvorming, waarbij mannelijke en vrouwelijke kenmerken in alle mogelijke combinaties voorkomen; elke persoon is uniek en enkel door zeer oppervlakkig te veralgemenen kan men tot bepaalde zichtbare types komen, waarvan de traditionele hetero en de traditionele homo (m/v) er slechts twee zijn. Maar zoals elke hetero verschilt van elke andere, zijn er ook evidente verschillen tussen homoseksuelen.
Het wordt nog complexer wanneer er andere factoren toegevoegd worden aan de genetische: de omgevingsfactoren, die bovendien veranderen naargelang plaats en tijd en zoals de genetische eveneens voor niemand dezelfde zijn, omdat iedereen een andere levensgeschiedenis heeft waarin al de persoonlijke ervaringen diep verweven zijn.
Dat alles maakt dat men werkelijk alle mogelijke combinaties van factoren zal aantreffen, wat dan weer zorgt voor een quasi onbegrensde veelheid van gedragingen, om nog te zwijgen van emoties, op seksueel vlak.
We kunnen dus niet anders dan concluderen dat de seksuele identiteit van een persoon uniek is en dat termen als hetero, homo, transgender, of fetisjist of sadomasochist slechts een zeer algemene aanduiding geven van iemands seksuele activiteiten en een nog vagere weergave zijn van iemands seksuele identiteit, in de mate dat we die zouden kunnen afzonderen van de specifieke algemene identiteit van die persoon. Onze seksualiteit heeft immers een zo sterke impact op onze levenshouding dat men zonder seksualiteit niet van een volledige persoonlijkheid kan spreken: de mens is een seksueel wezen.
Deze opvatting staat haaks op onder meer de christelijke seksuele moraal, die nog steeds uitgaat van wat zij als de natuur van de seksualiteit beschouwt, namelijk haar functie bij de voortplanting. Men zou kunnen zeggen dat de christelijke seksuele moraal enkel daarover gaat: de bevruchting, en geen raad weet met alle andere aspecten van de seksualiteit, die dan weggemoffeld of verboden worden. De rijke complexiteit van elke persoonlijke identiteit wordt dan opgeofferd aan een radicale en onterechte reductie van de seksualiteit tot haar strikt biologisch procreatief aspect. De mens wordt op die manier herleid tot nog minder dan een dier en louter als een soort voortplantingsmachine beschouwd.

Vandaar ons pleidooi om inzake seksualiteit het adagium van Terentius indachtig te zijn: Homo sum, humani nil alienum a me puto (Ik ben een mens en ik beschouw niets menselijks als mij vreemd). Een mens blijft een mens, wat ook zijn seksuele neigingen, voorkeuren of gedragingen zijn. Men moet niet proberen om daar iets aan te veranderen, want dat zal wellicht niet lukken, gezien de complexiteit van de oorzaken van de seksuele identiteit. En welke onbetwistbaar goede redenen zal men kunnen aanvoeren om zelfs maar te proberen iemand van gedacht te doen veranderen? Wat men natuurlijk wel moet doen, is het seksueel gedrag, zoals elk menselijk gedrag, maatschappelijk reguleren. En voor elke mens geldt de opdracht om zich te bezinnen over zijn identiteit en zijn gedrag, ook zijn seksueel gedrag en identiteit.