Flamenco!
Flamenco. Het is een begrip, dat wereldwijd onmiddellijk zowel in klank als beeld felle associaties oproept: dansende flamencodanseressen in kleurrijke zwierige jurken, met strakke zwarte kapsels en hoge hakken, slanke dansers in nauwsluitende zwarte tenues, lange wilde haren en laarzen met harde hakken; opwindende ritmes met virtuoos bespeelde gitaren, castagnetten, ritmisch handgeklap en de onvermijdelijke lange staccato roffels van de hakken op de plankenvloer. Je kan flamenco met niets anders verwarren, zo specifiek is die kunstvorm, die ballet en dans, poëzie, gezongen en instrumentale muziek, percussie, kostuums en theater verenigt in een waar gesamtkunstwerk, waarin elk genre op een unieke manier bijdraagt tot het aangrijpende, opzwepende geheel dat wij vandaag met de sprekende benaming flamenco omschrijven.
Onze beschaving is een vreemd samenspel van de meest uiteenlopende invloeden, die zich door de eeuwen heen op verschillende plaatsen in de wereld verweven hebben tot wat wij nu beleven, zonder dat we goed weten welke die invloeden geweest zijn, waar ze vandaan kwamen en hoe ze tot een bepaal resultaat geleid hebben. Dat is ook zo voor flamenco. Men kan in die uiterst herkenbare specifieke kunstvorm, die zich op een welbepaalde plaats in het zuiden van Spanje, Andalusië, en op een bepaald ogenblik, wellicht sinds het midden van de 19de eeuw, heeft ontwikkeld, elementen ontdekken uit andere kunstvormen uit andere landen en andere tijden. Zeker in een gebied als Andalusië, dat sinds de vroegste dageraad van onze beschaving een kruispunt is geweest van volksverhuizingen, oorlogen en veroveringen en een smeltkroes van beschavingen, zijn er tradities gegroeid uit de meest verscheidene gebruiken en gewoonten, zodat het vrijwel onmogelijk is om op basis van het hedendaagse unieke resultaat de oorspronkelijke elementen te identificeren. Overigens zal men in alle volksmuziek gemeenschappelijke kenmerken vinden, die niet door onderlinge kruisbestuiving zijn ontstaan, maar die spontaan op verschillende plaatsen opgedoken zijn, omdat wij mensen nu eenmaal erg op elkaar gelijken. Maar daar waar een vermenging van talrijke hevige kleuren in de praktijk een erg onaantrekkelijk grijs oplevert, is het vaak zo dat in de kunst de mens erin slaagt om die barre kleurloosheid en dorre smakeloosheid te vermijden door uit het diverse beschikbare materiaal het beste te halen en dat te combineren tot een absoluut originele uitdrukking van wat een mens is en vermag. Dat is zeker het geval voor flamenco.
Flamenco is een kunstvorm van extremen. Elk aspect ervan wordt tot het uiterste gedreven en uitgezuiverd tot zijn essentie. Er is geen plaats voor compromissen, voor minder dan wat mogelijk is. Dat zie je meteen in de fantastische jurken van de danseressen: opvallende kleuren, lange, heel wijde rokken, vaak met franjes en volants, diepe halsuitsnijdingen en strakke corsages, mouwloos of met brede fladderende epauletten, die de lichaamsvormen van de danseressen flatteren en bij het dansen als vurige vlugge vlaggen heen en weer gezwiept worden en uitdagend stiekeme blikken op ranke benen en stevige dijen gunnen. Ook de zang is uitbundig, rauw, zonder enige terughoudendheid of kunstmatige verfijning; flamencogezang is voorwaar geen Schubert, geen slaperig wiegelied of rustig kabbelend verhaaltje. Zowel flamencozangers als zangeressen zingen uit volle borst, met de keelstem, niet met de kopstem, het lijkt vaak meer op primitief geschreeuw dan op geschoolde zangstem. En de melodie en de voordracht zoeken de uithoeken op van het expressievermogen van de menselijke stem: de hoogste noten op maximum volume, de meest welluidende klanken van de heldere, open klinkers en het grauwe huilen van weeë tweeklanken. Vaak wordt een lange melodie plots afgebroken, wanneer de zanger wel buiten adem lijkt en uitgeput door de volgehouden inspanning, en volgt er een spontaan enthousiast applaus van de dansers en de muzikanten, die dan voor een korte of lange even virtuoze instrumentale onderbreking zorgen of een flitsend ballet, of voor een eindeloos lijkende demonstratie van wat een danser of danseres kan doen alleen door met de hakken ongelooflijk complexe en welsprekende ritmes te hameren op de plankenvloer.
Flamenco is een en al emotie, en wel de meest hevige emoties die wij kennen: passionele liefde in al haar aspecten, van de stormachtige verliefdheid en de seksuele drift tot de vreselijke ellende van de onbereikbaarheid, van het conflict tussen de partners, van het onvermijdelijke deprimerende bekoelen van de eerste hevigheid, van het eerste vermoeden van het einde, van de herinnering aan wat voorgoed voorbij is, van de jaloersheid op de rivaal en de moordlust die de geliefde niet terugbrengt, maar verhindert dat een ander haar bezit; flamenco zingt van onze begerigste dromen en onze diepste angst, van onze wellustige verlangens en onze schrijnende wanhoop.
Flamencodanseressen zijn totaal ongegeneerd, ze geven zich helemaal. Hier geen kuise Suzanna’s, geen devote maagden, geen bescheiden oogopslag: deze trotse vrouwen laten fier hun hele lieve lijf spreken, en het verhaal dat ze vertellen is er een van bruisend leven op de rand van het ravijn, in volle overgave, met al de zuiderse uitbundigheid en sensualiteit die ze maar kunnen opbrengen, uitdagend, opzwepend, verleidend, een en al schaterlach, zonder enige gedachte aan gisteren of morgen, helemaal opgaand in het heerlijke nu. Dit zijn geen onderdanige vrouwen: het lijken wel kemphanen in hun weelderige bonte kleuren en de pronkende krommingen van hun ranke of volslanke leden.
Sinds Garcia Lorca is flamenco onafscheidelijk verbonden met het onvertaalbare maar essentiële begrip duende. Het is het complexe, overweldigende gevoel dat uit de beste flamenco straalt, een emotie die te maken heeft met het leven en de dood, meestal in hun meest heftige vormen; met de onnadenkende overgave aan het moment en aan het beleven zelf, aan het irrationele, los van alle overwegingen en bedenkingen; sommigen zien er iets diabolisch in, en een gebondenheid met de aarde, niet met het engelachtige of de hemel. Er is in flamenco zo goed als niets te merken van de gitzwarte doem van een afschuwelijk christendom dat als een loodzware lijkwade over Spanje lag, tenzij van de meest bizarre en gewelddadige excessen ervan, zoals de sadomasochistische boetedoeningen, de vervolgingen en martelingen van inquisitie, de auto da fe.
Flamenco is primitief, rauw, authentiek menselijk, een vlammend ritueel dat niet beperkt en belemmert maar bevrijdt van complexen, aarzelingen, beperkingen en twijfels, en zo de toeschouwer een blik gunt op hoe het leven zou kunnen zijn, maar meestal niet is. Dat moment van ongeremde overgave aan het volle leven te mogen meemaken, kan ons helpen om ons te verzoenen met de harde tegenstelling van de dagelijkse realiteit.
Het past dat we in deze context de begenadigde muzikant Wannes Van de Velde vermelden (1937-2008). Hij kwam op jeugdige leeftijd in contact met de flamencotraditie en werd een volleerd en bezield en gitaarvirtuoos. Hij verdiepte zich in de musicologie van het genre, en mocht zijn uitgebreide kennis doorgeven aan het brede luisterpubliek van het Derde Programma van wat nu de VRT is in een langdurige reeks van radiocauserieën, geïllustreerd met talrijke voorbeelden, zowel gebracht door hemzelf als door de groten van het genre. Het is een aspect van deze ‘dubbele Vlaming’ (Flamenco doble, eenwoordspelingop de dubbele betekenis van flamenco) dat te weinig mensen kennen. Op Youtube zijn er interessante opnames te bewonderen van zijn kunnen op dat gebied.




