kerken, kathedralen, boeddha's en dynamiet


Vijftien honderd jaar lang prijkten twee reusachtige Boeddhabeelden in hun nissen in een bergwand van de Bamiyan-vallei in Afghanistan. Het ‘kleinste’ van de twee, toch nog vijfendertig meter hoog, werd in de zachte rotswand gehouwen in het jaar 507. Het was blauw geschilderd, met een gouden aangezicht. Het tweede, grotere beeld, mat vijfenvijftig meter en ontstond vijftig jaar later. De vallei vormde ooit de verbinding op de befaamde Zijderoute tussen Azië en India en dankte haar rijkdom, waarvan de enorme beelden getuigden, aan die drukke handelsweg. In dezelfde rotswand waren trappen, nissen, balkons, heilige plaatsen, altaren en verblijfplaatsen uitgekapt in de ruimte tussen de beide monumentale beelden. De Bamiyan-vallei was honderden jaren lang een erg populair bedevaartsoord voor vele boeddhisten, een echt religieus en cultureel wereldcentrum. De bewoners van de vallei waren trots op hun rijk boeddhistisch verleden, ook toen zij al vele eeuwen overgegaan waren tot de overheersende Islam-godsdienst.
In de lente van 2001 beval de leider van de Taliban, Mullah Omar, dat de beelden moesten vernietigd worden. Plots besefte de wereld, omwille van de onverwachte ontstellende bedreiging, de waarde en het belang van de beelden. Van alle kanten kwam er verzet en zelfs geld om de beelden desnoods te kopen. Het mocht niet baten. Ooggetuigen vertellen hoe de Taliban aanvankelijk de beelden en de wandschilderingen eromheen te lijf gingen met bijlen en houwelen. Daarna probeerden zij het met tanks, granaten en Sting-raketten. Toen dat nog niet snel genoeg het verhoopte resultaat opleverde, stapelden ze een massa munitie, bommen en landmijnen rond de voeten en de schouders van de beelden en bliezen die op. Ook dan hield de torso van het grote beeld nog stand. Na twintig dagen van uitzinnig geweld riep men er specialisten bij, die het zaakje op één dag professioneel klaarden op 21 maart 2001.
De wereld was, eventjes, geschokt. De Taliban hadden nu een reputatie, die ze enkele maanden later, op 11 september 2001 voorgoed in het geheugen van de mensheid zouden griffen met de vernietiging van twee andere iconen, de Twin Towers.
Onze verontwaardiging over zinloze vernieling van werelderfgoed is groot en terecht. Toch is het goed om even dieper in te gaan op precies die vermeende zinloosheid van de vernieling van de Boeddhabeelden.
Tussen 1530 en 1550, tijdens de strijd van Henry VIII tegen de katholieke kerk, werden honderden Engelse en Ierse kloosters en abdijen geplunderd, uitgebrand en gesloopt.
Van 10 augustus tot in oktober 1566 woedde in de Nederlanden, van Steenvoorde in Frans-Vlaanderen tot in Leeuwarden en Groningen in het noorden de Beeldenstorm. Honderden katholieke kerken, kapellen, abdijen en kloosters werden door woedende menigten grondig vernield met al hun kerkelijk meubilair en kunstwerken.
Met de Franse Revolutie werden de godsdiensten verboden en alle kerkelijke bezittingen in beslag genomen door de staat. Veel documenten en kunstwerken gingen toen reddeloos verloren.
Tijdens de Arabische veroveringen waren christelijke kerken bij hun omvorming tot moskeeën stelselmatig ontdaan van alle beelden en afbeeldingen van personen, als strijdig met de voorschriften van de Koran.
Ook ikzelf moet bekennen dat ik sinds vele jaren zeer gemengde gevoelens ervaar bij het betreden van kerken en kathedralen. Vanzelfsprekend ben ik onder de indruk van de monumentaliteit van de bouwwerken, van de immensiteit van de omsloten ruimte en van het vakmanschap van architecten, bouwmeesters, ambachtslui en handwerklieden. Maar tevens bekruipen me onvermijdelijk andere, bittere gevoelens: ten koste van welke inspanningen zijn deze enorme gebouwen opgericht? En waarvoor dienden ze? Had men al die vaardigheden en vooral ook al dat geld, al die energie niet beter kunnen gebruiken? Zelfs de schilderijen van Rubens in de Antwerpse kathedraal slagen er niet in om mij tot betere gevoelens te brengen: het zijn massale maar uiteindelijk negatieve getuigen van een uit de hand gelopen, bijgelovige, afgodische religie, waarin de mens een totaal ondergeschikte positie inneemt, niet alleen tegenover de Godheid, de engelen en de heiligen, maar ook tegenover een oppermachtige en wereldse clerus. De bouw van de immense St.-Pietersbasiliek in Rome was de rechtstreekse aanleiding voor het schisma in de Westerse kerk, dat tot op vandaag voortduurt. Als ik vandaag beelden zie vanuit Rome, dan durf ik, zoals Voltaire, wel eens denken: alleen een bom erop zou iets kunnen veranderen in de katholieke kerk.
Me dunkt dat precies dat de gedachte moet geweest zijn van Mullah Omar van de Taliban bij de aanblik van de majestueuze Bamiyan Boeddha’s.
Wij maken het dezer dagen mee dat talloze leegstaande kerken en kapellen en kloosters ‘een andere bestemming krijgen’ of met de grond gelijk gemaakt worden, niet door rabiate godsdiensthaters maar door professionele slopers, in opdracht van gehaaide zakenlui. Niemand die daar problemen mee heeft: een recent luxehotel in een Mechelse kerk was vanaf de eerste dag volgeboekt.
In Leuven heeft men de Sint-Pieterskerk van buiten steen voor steen gerestaureerd, evenals het hele koor, dat nu een museum is en een ruimte voor tentoonstellingen en optredens; het gedeelte dat voorbehouden is voor de eredienst ligt er troosteloos en verlaten bij.
Er zijn blijkbaar verscheidene manieren om met religieuze gebouwen en gewijde voorwerpen om te gaan en de scrupules die men daarbij vijftig jaar gelden nog had zijn vandaag totaal vergeten. De echt waardevolle zaken, vanuit kunsthistorisch standpunt bekeken, probeert men in stand te houden, soms met spectaculaire resultaten, maar dan buiten elk kerkelijk verband. Religieuze kunst van enige waarde bevindt zich nog slechts uitzonderlijk in cultusgebouwen (waar ze onvoldoende beveiligd is) en vrijwel steeds in musea of in privé verzamelingen. Trouwens, ook religieuze kunstmuziek wordt bijna uitsluitend buiten de cultus en de kerkgebouwen uitgevoerd.
Voor mij hoefden de Taliban (meervoud van Talib, Arabisch voor ‘zoekende naar waarheid’, zijn we dat niet allemaal?) de Bamiyan-Boeddha’s niet te dynamiteren, ik kan er nogal mee leven dat ons verleden is wat het is, zelfs als dat vaak zelfs misselijk makend en pervers religieus was, op een manier die wij nu niet meer zouden dulden, zelfs niet als vrome gelovigen. Anderzijds zien we dat wij zelf niet steeds zeer zorgzaam of respectvol omspringen met ons religieuze erfgoed: verwaarlozing kan net zo vernietigend zijn als springstof en gebeurt oogluikend op een veel grotere schaal.
Het is natuurlijk wel zo dat een gewelddadige actie, vanuit ideologische ‘religieuze’ overwegingen, veel meer opvalt en dan ook meer media-aandacht krijgt, ook al verschilt het resultaat niet: ik herinner mij de Sint-Jozefskerk in Leuven, op de plaats waar nu het moderne faculteitsgebouw van Letteren staat: geen mens die zich toen tegen de afbraak heeft verzet, ook niet vanuit godsdienstige principes.
De moraal van dit verhaal? Niets is heilig voor de mens. Steeds weer verbrandt hij wat hij (zelf, of iemand anders) aanbeden heeft. De oude goden sterven met de volkeren die ze verzonnen hebben, de tempels worden door de woestijn of het oerwoud, de mens of gewoon de tijd overwonnen. Onze ‘beschaving’, een van de oudste ondertussen, gaat op een wel zeer ambivalente manier om met haar sacraal erfgoed.
De ogenschijnlijk bizarre, onzinnige, verontwaardiging oproepende aanslag van de Taliban op hun eigen religieus verleden is in dat opzicht slechts een fait divers in dat lange, weinig fraaie verhaal, ‘een detail van de geschiedenis’.








