
In België is het verkiezingstijd. Op 7 juni 2009 moeten (ja, moeten!) we gaan stemmen voor het Vlaams en voor het Europees parlement. Niet voor het federale of nationale parlement, dat is pas over twee jaar, als de regering standhoudt, wat al maar meer twijfelachtig is. Stilaan is iedereen ervan overtuigd dat we het best al die verkiezingen zouden laten samenvallen, er is geen enkele valabele reden meer om dat niet te doen en duizend goede redenen ten gunste. Maar eer het zo ver is…
Kiezen doen we tussen de grote en kleine partijen, met elk een programma, maar met bitter weinig echte keuzes. Iedereen pleit immers voor het behoud van het bestaande model, het gaat enkel om beperkte aanpassingen en zelfs die zullen er niet komen, want de verdeeldheid is groot, wellicht haalt geen enkele partij meer dan 20%, dus wordt het weer een compromis. In het federale parlement is het nog erger, want daar heb je ook nog eens de Frans- en Duitstaligen, die al even verdeeld zijn. Alles samen een bonte troep die niets anders doet dan kibbelen, postjes uitdelen en zichzelf verrijken. Je zou nog gaan dromen van een Amerikaans systeem, met twee partijen, winner takes all.
Kiezen doen we niet alleen op 7 juni. Elke dag staan we voor keuzes, grote en kleine. Voor al wat we doen is er een reden, een aanleiding, een oorzaak, een overtuiging. Vaak zijn we ons daarvan niet eens bewust, we doen gewoon wat we doen en staan daar niet bij stil: als men ons zou vragen waarom we op een mooie dag naar zee trokken, of in de tuin gingen werken, of naar de stad trokken, of een boek vastnamen, of een hond kochten, of een oude vriend bezochten… dan zouden we meestal het antwoord schuldig blijven. Waarom? Daarom! Dat was het antwoord dat we als kind ook kregen in onze waarom-periode. Ook onze ouders en opvoeders moesten vaak passen als we bleven doorvragen: waarom? Omdat het nu eenmaal zo is! Waarom is het zo? Omdat het niet anders is, niet anders kan, niet anders mag. We doen iets omdat we er zin in hebben, omdat we het willen doen, omdat we vinden dat het beter is om het te doen dan te laten, omdat het goed is, op een of andere manier en om een of andere reden. We kiezen dus voor wat goed is, voor wat we op dat moment als goed zien, anders zouden we het niet doen, zouden we voor iets anders kiezen. De waarom vraag heeft dus toch een antwoord: omdat het goed is.
Maar wat is goed? Is dat altijd hetzelfde? Blijkbaar niet: de ene keer beslissen we zus, de andere keer zo. We kunnen thuisblijven of op vakantie gaan, verhuizen of blijven, een boek lezen of tv kijken en we doen dat allemaal afwisselend. Tussen de vele mogelijkheden maken we een keuze, zomaar, niet tussen goed en kwaad, maar tussen allerlei min of meer treffelijke alternatieven. Het maakt niet uit, het is om het even, er hangt niets van af. Wanneer het echt wel een verschil maakt, dan wordt het moeilijker, of misschien juist gemakkelijker: als het regent, gaan we niet naar zee voor een dagje uit, want dat vinden we niet zo leuk: de keuze is gemakkelijk gemaakt, we zijn het snel eens: de kust in de regen is geen goed idee, thuisblijven is beter. We maken een afweging, gebaseerd op wat we graag hebben, waar we ons goed bij voelen, rekening houdend met vroegere ervaringen: ons hele verleden, gans ons wezen beslist mee, bewust of onbewust. En hoe belangrijker de beslissing, hoe langer we (zouden moeten…) nadenken, overwegen, aarzelen, hoe meer we al onze kennis en aanvoelen moeten inzetten.
Soms staan we voor een probleem. We hebben zin om iets te doen, maar er zijn negatieve kanten aan, het mag eigenlijk niet, het is niet goed voor de gezondheid, het is gevaarlijk, het is zelfs verboden, wat dan? Telefoneren in de auto, te snel rijden of onder invloed, fout parkeren: mag niet, maar gebeurt wel. Soms kiezen we zomaar voor iets waarvan we perfect weten dat het niet goed is. We beslissen impulsief om het desondanks toch te doen, we gaan in tegen de wet, het gezond verstand of wat dan ook en maken zelf uit wat goed is, op dat moment, voor ons. We trekken ons eventjes niets aan van wat een ander voorschrijft, zegt of denkt en laten ons gaan.
Goed en kwaad zijn niet absoluut, er zijn schakeringen, gradaties, omstandigheden, twijfelgevallen, twistpunten, meningsverschillen. Het is voor iedereen anders, telkens opnieuw, want we zijn allemaal anders, allemaal uniek. Neem nu euthanasie: er zijn maar enkele landen waar het toegelaten is en zelfs hier bij ons gebeurt het volgens officiële cijfers zelden: aanvankelijk enkele gevallen per jaar, sinds Claus een tiental per jaar. In de overgrote meerderheid van de landen is het bij wet verboden, maar ongetwijfeld gebeurt het toch veel meer dan we denken. Zelfs waar het toegelaten is, kan het niet verplicht worden, niet opgelegd aan een arts of verplegende, noch aan een ‘patiënt’. Er is nog een immens verschil tussen wat mag en wat moet, tussen wat kan en wat mag of behoort.
Is er dan niets waarover we het eens zijn? Soms ziet het ernaar uit en dat maakt mensen nerveus, we lijken behoefte te hebben aan vaste afspraken, aan normen en waarden waarop we kunnen rekenen en tellen, aan zekerheden. We houden er niet van om steeds opnieuw te moeten beslissen over alles en nog wat. Als iets eenmaal is uitgemaakt, dan is het toch zo?
Dat klopt ook, over heel wat zaken zijn we het eens. De tien geboden, dat is evident. Maar lees toch eens wat ik daarover schreef, klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=229. Waarom zouden we ons vandaag nog vastzetten op één tekst, van een bepaald volk, op een bepaald moment? Veel morele codes in mythen en heilige boeken worden toegeschreven aan God, de goden, helden en superieure rechters en wetgevers en precies omdat dit een vaak voorkomend patroon is, is het onwaarschijnlijk dat het teruggaat op een werkelijke gebeurtenis. Het is een literair genre, een manier om gezag te verlenen aan bepaalde uitspraken. Het klinkt nu eenmaal veel overtuigender als je schrijft: Ik, de Heer der Heren, de Almachtige God, die u uit ballingschap heeft geleid en u heeft bevrijd uit de slavernij, Ik zeg u: gij zult niet doden! dan: het is nogal wiedes dat moord niet kan aanvaard worden in een beschaafde samenleving.
Zouden we derhalve niet beter eens rondkijken wat er zoal onder de mensen, al de mensen, leeft aan algemene afspraken over goed en kwaad? We zijn nu ongeveer tienduizend jaar bezig met onze beschaving en heel wat mensen hebben zich dezelfde vraag gesteld, er zijn dus al heel wat antwoorden waarop we kunnen terugvallen. Dit zijn enkele grootste gemene delers, die in alle tijden en in alle gemeenschappen aanvaard zijn:
- moord is overal en altijd verboden, hoewel er soms zeer duidelijk omschreven uitzonderingen zijn; men zorgt ervoor dat deze wet onderhouden wordt door een systeem van rechtsregels of van bloedwraak, niet als een recht maar als een plicht.
- gelijksoortige regels gelden voor lichamelijk geweld en het verwonden van een persoon; de basisregel is bijvoorbeeld de wet van de talio (Lat., van talis: zoals), oog om oog; maar omdat zoiets leidt, volgens Gandhi, tot een wereld met enkel nog blinden, ging men al gauw andere compensaties bedenken, weergeld of zoengeld bijvoorbeeld, afhankelijk van de overtreding en van de rang of status van de betrokkenen. Onder deze regel vallen ook beledigingen en aanvallen op de eer en reputatie.
- eigendom is altijd en overal een recht in een of andere vorm; een dief die betrapt wordt moet een straf of wraakoefening ondergaan, of moet in alle geval het gestolen goed teruggeven. Eigendom verwerft men oorspronkelijk door werk, later ook door overerving. In het geval van oorlog (over ‘bezit’ van land en volk) leidt dit tot het onderscheid tussen vriend en vijand (lees hierover meer en klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=97940).
- er zijn ook positieve geboden: overal zijn er verplichtingen tegenover de medemens; binnen de familie zorgt de moeder voor de kinderen, de man beschermt en onderhoudt hen. Oudere kinderen worden verondersteld voor de ouders te zorgen in hun nood. Deze onderhouds- en hulpverplichting geldt ook voor andere verwanten, in de mate van de verwantschap. In een moderne beschaving wordt dat een universele zorg: iedereen wordt verwacht bij te dragen tot een betere wereld voor iedereen.
- de waarheid spreken en beloften nakomen zijn belangrijke waarden, al kunnen ze beperkt worden tot de eigen groep.
- hoogmoed, arrogantie worden veroordeeld en nederigheid en bescheidenheid geloofd.
Binnen de familie gelden ook belangrijke regels om de complexe relaties binnen goede banen te leiden, zowel voor het seksuele verkeer, de ouderlijke plichten en de rol van de man als bewaker van de familie. Het incestverbod is algemeen; lees hierover meer en klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=341 en hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=382.
Dat is dus één methode: om te weten wat goed en kwaad is, gaan we op zoek naar wat de mensheid als geheel als dusdanig ruim erkent. Het zijn dus afspraken die de mensen met elkaar gemaakt hebben, ook al hebben ze er soms de vorm aan gegeven van een goddelijk gebod. Het zijn leefregels die zich ontwikkeld hebben in de loop van onze geschiedenis, omdat ze bijdragen tot de voorspoed van onze soort. Het zijn lessen die we geleerd hebben. Het zijn attitudes die een evolutionair voordeel opleveren: groepen, gemeenschappen, beschavingen die ze onderhouden overleven en floreren, andere niet. Wellicht zit een deel van die ‘aanleg’ in onze genen, de rest zit in onze cultuur. Wat in de genen berust, wordt overgeleverd met de voortplanting; de regels van de beschaving moeten we telkens opnieuw aan onze kinderen aanleren.
Een andere manier om die regels te bekijken is deze: zoals de mensheid die regels tot de hare gemaakt heeft in de praktijk, zo kan men ze ook afleiden uit wat de mens is. De mens is een levend wezen, een persoon, die op deze specifieke wereld leeft, samen met andere mensen en andere levende wezens met wie hij genetisch verbonden is; hij plant zich seksueel voort; om in leven te blijven moet hij zich voeden en beschermen tegen zijn omgeving; hij heeft zich een primordiale plaats verworven op de wereld door zijn unieke evolutie tot zelfstandig denkend wezen. Al de algemeen voorkomende basisregels die we zonet benoemd hebben, kunnen we uit deze condition humaine afleiden.
Die algemene regels, normen, waarden moeten ook een vorm krijgen, de tien geboden is er een van, de bergrede, de code van Hammurabi, de wetten van Soloon, de voorschriften van Epicurus zijn nog andere. Waar zeer veel mensen samen leven, heb je een uitgebreide wetgeving nodig. Die kan aan de staat toevertrouwd worden, maar in het Westen is dat lange tijd een prerogatief van de religie geweest en in de Islam is het nog steeds zo. Gedurende de hele Middeleeuwen was het christendom de bewaker van de moraal en vandaag zijn er nog steeds kerken die deze rol opeisen, ook de katholieke. Mensen hebben nu echter de keuze uit een grote verscheidenheid van vormgeving van de morele voorschriften. Door zich aan te sluiten bij een of andere groep of organisatie verklaren ze zich akkoord met de formulering en met de specifieke uitwerking van de grondregels. Dat laatste kan zeer ver gaan: de kledij, de voeding, het seksueel gedrag…
Maar…
Er is inderdaad een maar. Mensen leven in groep, maar wij zijn geen mieren. Wij zijn individuen, wat de sociologen en massapsychologen ook over ons gedrag zeggen en voorspellen. Zelfs als wij ons bekennen tot een of andere groep en de voorschriften aanvaarden, ‘geloven’, dan nog behouden wij ons het recht voor om daarover ook zelf na te denken. Niet alle katholieken denken en doen hetzelfde, noch alle moslims, boeddhisten, joden of vrijzinnigen. De mens laat zich niet zonder meer de les spellen, de Levieten lezen, de wet voorschrijven. Het communisme en het Nazisme en alle andere dictatoriale systemen mislukken precies daarom: de mens kan en wil zelfstandig denken, ook binnen een gemeenschap, groep of religie, ook onder druk. Hoe scherp, streng, duidelijk en eenvoudig de regels ook zijn, wij wensen ze steeds te beoordelen en ze dan al of niet toe te passen. Wij zijn geen machines, geen soldaten, geen automaten. Wij houden er nu eenmaal niet van dat iemand anders voor ons beslist, dat een andere mens of een organisatie van mensen mij berooft van mijn vrijheid van doen en denken. Zelfs als ik me onder een vlag geschaard heb, behoud ik het recht om me daaraan weer te onttrekken, om van gedacht te veranderen, om een andere mening te hebben en te verkondigen. Ik weet dat ik me moet houden aan bepaalde regels en ik leg me daar (meestal) bij neer, ook tegen mijn zin, maar af en toe doe ik dat niet, zonder meer en de consequenties neem ik er dan bij.
Al de wijsheid van de wereld kan de mens niet weerhouden van te doen en te laten wat hij wil. Zoals Einstein al zei: er zijn maar twee zaken die grenzeloos zijn, het universum en de menselijke domheid en van het eerste ben ik niet echt zeker…
De mens overtreedt sinds zijn ontstaan elk van de leefregels die hij zichzelf heeft opgelegd. Hij kent het goede, maar kiest (occasioneel) voor het kwade, soms met desastreuze gevolgen, zoals zijn geschiedenis helaas zo overtuigend aantoont. In zijn tragedie Medeia herneemt en bewerkt Euripides deze mythologische figuur. Eerst helpt ze de indringer Jason om het gulden vlies te stelen van haar eigen vader, de koning; op haar vlucht doodt ze haar eigen broer, snijdt hem in stukken en gooit die in zee, zodat hun vader de achtervolging moet onderbreken om de stukken te verzamelen. Wanneer Jason ondanks het veroverde gulden vlies niet aanvaard wordt als opvolger voor zijn oom, koning Pelias, vermoordt Medea ook hem. Zij vlucht met Jason en samen hebben ze twee zonen. Later verstoot Jason haar voor de dochter van een andere koning. Medea doodt de dochter én de koning en vervolgens ook haar beide kinderen. Een vreselijk verhaal, dat talloze malen hernomen is, ook in onze tijd. Steeds belicht men de schrille contrasten: de dochter die voor haar geliefde haar vader en broer doodt; dan zijn oom, de koning; vervolgens een andere koning en diens dochter, haar rivale; ten slotte haar eigen kinderen. Zowel Euripides als Ovidius en Seneca benadrukken het: zij weet dat zij verkeerd handelt, en toch doet zij het, hoe is het mogelijk?
Dit is wat Ovidius haar laat zeggen net voor ze haar kinderen doodt: (Ovidius Metamorfosen, VII, 18-21)
si possem, sanior essem!
sed trahit invitam nova vis, aliudque cupido,
mens aliud suadet: video meliora proboque,
deteriora sequor.
Indien ik het kon, dan was ik wijzer!
maar ongewild dwingt me een andere kracht,
ik verlang het ene, maar iets anders moet ik doen:
ik zie het goede en keur het goed,
maar doe toch het kwade.
In de (moeilijke!) Romeinenbrief citeert Paulus Ovidius zowat letterlijk:
15 Wat ik doe, doorzie ik niet, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat.
(18) Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. 19 Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik.
21 Ik ontdek in mij de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen.
Hoe anders moeten we denken over de wrede moorddadigheid van Stalin, Hitler, Pol Pot? Over een moeder die haar vijf kinderen doodt? Een jongeman die weerloze kinderen ombrengt? De drang om niet het goede te doen is aanwezig in elke mens, the dark side trekt ons allen aan, ze heeft een onvermoede kracht die ons elk ogenblik kan overweldigen. Wij weten wat goed is en nog beter wat slecht is. Lees hierover meer en klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=189723.
We laten ons in alles leiden door primaire gevoelens: goed is wat plezier verschaft, gelukkig maakt; slecht is wat pijn berokkent en verdriet. Maar we weten dat ook het kwaad een pervers genoegen kan verschaffen, dat we kunnen genieten van pijn, de onze en die van anderen, dat het goede veel minder fascineert. Doen wat moet, het gevaar vermijden, braaf zijn, volgzaam, niemand kwaad doen, binnen de perken blijven, geen risico’s nemen: het is zo weinig aantrekkelijk, zo doordeweeks, zo flauw. Als we zien waarmee wij mensen zoal bezig zijn (en dat was toch onze methode om te ontdekken wat goed en kwaad is?), dan kunnen we niet anders dan vaststellen en aanvaarden dat de mens ook een zeer sterke behoefte heeft aan opwinding, vertier, roes, zinnelijk genot, gevaar, uitdaging, geweld, moord… Ook dat is een basisgegeven, een onmiskenbaar een overweldigend aanwezig aspect van ons mens-zijn.