Het strijkkwartet


In de barokmuziek is het vooral de triosonate die in de belangstelling staat: muziek voor twee solo-instrumenten en basso continuo. De solisten bespeelden dan violen, fluiten of hobo, de continuo-ondersteuning was voor gamba, cello, luit, orgel of klavecimbel, of combinaties daarvan. Wat Bach met dergelijke combinaties kon, hoor je bijvoorbeeld in zijn Musikalisches Opfer van 1747.
In de klassieke periode trad de pianoforte op de voorgrond als eerste instrument, met een begeleiding door viool en cello. Stilaan kregen de ondersteunende strijkers een belangrijker aandeel zodat we echt van trio’s kunnen spreken met drie evenwaardige partners. Andere mogelijkheden lagen in sonates voor slechts twee instrumenten, een strijker en de pianoforte en later de piano. De combinatie viool-altviool-cello, die eigenlijk voor de hand ligt, kende niet zo’n succes, er waren nu eenmaal massaal veel piano’s en pianisten, die kon men moeilijk links laten liggen.
Maar plots was er Haydn, die rond 1765 muziek begon te schrijven voor ensembles die voortbouwden op de triosonate, dus twee violen en cello, maar met een altviool erbij. En dat bleek aan te slaan, ook bij de uitvoerders, zowel bij de talrijke amateurs als bij de beroepsmuzikanten die vooral in adellijke dienst waren. Voor componisten betekende dit een zekere afzet voor hun werk en er werd eenvoudige, onderhoudende muziek geschreven aan de lopende band. Voor de beroeps kon het wat moeilijker, dan konden die schitteren tijdens hun concerten aan het hof, en dus schreef Haydn ook kwartetten die amateurs echt niet aankonden, waarin de technische mogelijkheden van de instrumenten en de muzikanten tot het uiterste werden getest, op een manier die enkel in een dergelijke kleine en kwalitatief hoogstaande bezetting met vier topsolisten mogelijk was. De muzikanten van de grotere kamermuziekensembles waren zeker verdienstelijk, maar het waren geen solisten.
Het resultaat is dus een muziekgenre dat vanuit verscheidene oogpunten zeer aantrekkelijk is. De musici zijn in het beste geval instrumentisten van technisch en artistiek uitzonderlijk hoog niveau die zich kunnen uitleven in solo en samenspel; dit laat de componist toe te componeren zonder enige beperking; en voor de uitvoering zijn geen grote middelen nodig. Het is een succesformule die ook vandaag nog aanslaat.
Voor de luisteraar is het dan ook een zeldzaam genoegen. Het is moeilijk om die ervaring te beschrijven. Soms zegt men dat de vier solisten met elkaar een gesprek aangaan, en dat is ook zo, maar in een gesprek is het niet doenbaar dat men door elkaar heen of tezamen praat; een compositie voor strijkkwartet vergelijkt men ook met een schilderij, waarin kleuren en vormen door de kunstenaar tot een sprekend geheel samengebracht zijn; maar een schilderij is (meestal) een statisch kunstwerk, terwijl bij een muziekuitvoering het kunstwerk in de tijd ontstaat, zich ontvouwt op zijn eigen wisselend ritme, en dan verdwijnt met de laatste nagalm. Het is ook geen toneelstuk, geen ballet, geen film, geen opera, geen beeldhouwwerk, het is dat alles en nog meer, het is zichzelf, eigenzinnig en gebald, majestueus als een honderdkoppig orkest, intiem als fluisterende troetelwoordjes in bed, krachtig als een hartsgrondige verwensing, zingend als een leeuwerik, juichend als bij de winnende matchbal, bruisend als een bergbeek, menselijk als een wiegelied, wanhopig als het zwijgend staren van achter de prikkeldraad van het concentratiekamp of de blinde schreeuw uit de isoleercel in de psychiatrie, berustend als de laatste verstilde blik op de palliatieve afdeling.
Mozart droeg in 1785 zes kwartetten op aan zijn oudere collega en meester, Joseph Haydn; hij schreef er in totaal 23. Na Mozarts dood in 1791 schreef Haydn de beste van zijn 83 werken voor onze vier strijkers. Beethovens eerste kwartetten dateren van 1801, de Grosse Fuge en het zestiende en laatste uit zijn laatste levensjaar; het was moeilijke, ver vooruitkijkende muziek die alleen hij toen begreep. Hij stierf in 1827.
Schubert trad in de voetsporen van Beethoven met een baker’s dozen kwartetten; zijn super-kwartet, met een extra cello uitgebreid tot kwintet, is een van de meest indringende kamermuziekwerken ooit.
Alle musicologen, alle muziekencyclopedieën, alle melomanen zijn het erover eens dat deze kamermuziek, die toen in Wenen voor het eerst te horen was, tot het meest sublieme behoort dat ooit door mensen is gemaakt en uiting geeft aan onze hoogste artistieke aspiraties, aan onze diepste emoties.
Wie later nog een kwartet wou componeren, kon de toppen van dit hooggebergte niet negeren. Geen wonder dat de daarop volgende meesters van de kamermuziek zoals Mendelssohn, Schumann, Brahms, Dvorak maar weinig kwartetten geschreven hebben. Buiten Duitsland was kamermuziek overigens verrassend genoeg hoe dan ook geen populair genre, zelfs niet in een muzikaal zo opulent land als Italië, al moeten we hier toch het intimistisch meesterwerk vermelden van de grootmeester van de 19de-eeuwse opera, Verdi. Dvoraks kwartetten vullen een Brilliant 10Cd-box aan spotprijs, met zijn Amerikaans kwartet als het meest bekende. In de 20ste eeuw zijn het vooral Bartok (6) en Shostakovich (15) die zich intensief met het kwartet hebben ingelaten.
Er zijn nog wel meer parels aan deze rijke kroon, deze gordel van smaragd. Ravel en Samuel Barber zijn echte ontdekkingen, en dan had ik het nog niet over Janacek, of Smetana, Tchaikovski, Debussy, Borodin of Schönberg, en Mendelssohn en Brahms…
Genoeg voor een leven lang, laat op de avond als alles tot rust is gekomen, of als je alleen thuis bent en de stilte uit de kamerhoeken op je afkomt. En waarom niet in de slaapkamer, als intiem alternatief op latere leeftijd voor een dan al te overmoedige Boléro?


















