Wagner en Beaufort03: arte povera of arme Kunst?


Aan onze Vlaamse kust – ik kan het niet over mijn hart krijgen om ze de Belgische te noemen, met al de connotaties van Franskiljonse bourgeois die minachtend neerkijken op frigoboxtoeristen - organiseert men voor de derde keer een zomerse kunsttentoonstelling onder de gepaste titel Beaufort03. Via de media kregen we al enkele staaltjes te zien van wat de organisatoren ervan gemaakt hebben en dat ontlokte mij en vele anderen toch al enig commentaar. De aandacht ging daarbij onder meer naar een kopie van de gevel van een Poolse krotwoning, herbouwd in een straat van een kuststad, recht tegenover enkele fraaie belle epoquehuizen. Zonder een ondertussen aangebracht bordje met uitleg was er geen mens die zich zelfs maar enigszins bewust was dat het om een kunstwerk ging, er zijn helaas nog genoeg echte krotten in onze steden, we hoeven ze niet zo nodig zoals goedkope poetsvrouwen in te voeren. Mét de uitleg is de zaak nog niet rond, dan begint de controverse, met de schepen van cultuur op kop. Is Dit Nog Kunst? is de vraag.
Ook bij de vorige edities is men nogal uitdagend te werk gegaan en waarschijnlijk hebben de organisatoren en de betrokken kunstenaars zich in de handen gewreven telkens ze om die reden in het nieuws kwamen: beter wat ophef dan dodelijke stilte, als de mensen niet komen kijken omdat het Kunst is, dan doen ze dat misschien omdat het in het Nieuws en in de krant (en dan niet enkel in de kunstkatern) en de boekskes gekomen is, alle baten helpen, zei de mug en ze piste in (aan?) zee. Op mij heeft dergelijke ophef een omgekeerde reactie: ik keer mij af, ontwijk de werken in kwestie, negeer ze zoveel als mogelijk, al kan je er bij sommige helaas gewoon niet naast kijken).
In de moderne kunst zijn er namen bedacht voor bijna evenveel stromingen en strekkingen als er recensenten en theoretici zijn, en dat zijn er, lijkt het wel, beduidend meer dan kunstenaars. Het is opvallend dat de meer extravagante en controversiële uitdrukkingen van de aller-individueelste emoties steeds te vinden zijn op grootschalig georganiseerde kunstforums of –kermissen, bi- en triënnales, Dokumenta-achtige kunstsupermarkten en inderdaad: zomertentoonstellingen in badsteden. Dat gebeurt met een massale inbreng van middelen, slechts gedeeltelijk gecompenseerd door betalende bezoekers. Ik ken de boekhouding van Beaufort niet, maar aangezien de meest opvallende monumentale kunstwerken evident in open lucht staan, neem ik aan dat er daarvoor helemaal geen betalende bezoekers zijn. Dat is positief, zou je kunnen zeggen, maar het is zoals met het gratis Hasseltse openbaar vervoer: als de gebruiker niet betaalt, betalen wij belastingbetalers allemaal. Zo ook met de nepkrotgevel, of is het krotnepgevel? Zoiets maak je niet met een klein budget en dus is het vrijwel onmogelijk om zoiets te realiseren buiten het circuit van toeristische kunstroutes, waar men als kunstenaar en organisator kan rekenen op ruime steun van de toeristische dienst van de stad, de provincie, de Gemeenschap, het gewest, de staat… naast die van bedrijven en instellingen die zo een schaamlapje verwerven onder de vorm van de vermelding van hun naam, waarbij de corpsgrootte rechtstreeks evenredig is met de omvang van het gespendeerde (maar via de belastingen grotendeels gerecupereerde) bedrag, maar zelden voldoende groot voor de plaatvervangende schaamte van althans deze bezoeker. Als banale burger zouden we er nooit ofte nimmer aan denken om ons te laten vangen door het soort manifestaties dat we tijdens onze vakanties of uitstappen in min of meer dichte drommen bezoeken als een soort van artistieke penitentie voor onze doordeweekse cultuurbarbarie. Het is op dat cultuurschuldgevoel dat Beaufort en Dokumenta en Venetië rekenen, met enig succes overigens.
Het gebruik van niet-artistieke materialen en technieken bij de creatie van kunstwerken, zoals de neppe krotgevel, noemt men arte povera, naar de tentoonstellingen, in 1967 en ’68 (!) en het boek daarover van de kunstcriticus en -theoreticus Germano Celant. Het was aanvankelijk een uitdrukking van protest tegen al wat commercieel en academisch was, maar al gauw werden de rommelkunstwerken gerecupereerd door inderdaad mensen als Celant en vervolgens door galerijen, musea, organisatoren van kunstmarkten &c en betaalde men fabuleuze prijzen voor wat in se rommel was, afval, vuilnis, materiaal dat zonder een verduidelijkend bordje of een geprivilegieerde locatie tegenwoordig meteen een boete zou opleveren wegens milieuvervuiling. Als dusdanig is arte povera een vorm van conceptuele kunst, waarbij het artistieke zich beperkt tot het concept, het idee, de inval, de bedoeling. Denk daarbij aan Picasso, die met enkel een fietszadel en –stuur een zeer gestileerde en expressieve stierenkop wrocht: je moet er alleen aan denken, het maken zelf van het kunstwerk neemt slechts enkele seconden in beslag. Dat kan je dan weer niet zeggen van de krotte nepgevel, maar ook daar is enkel de gedachte artistiek, de arbeid kan je overlaten aan decorbouwers, of geschoolde arbeiders, of een sociaal woon-bouwproject, of gewoon aan de tijd. De kunstenaar hoeft enkel te denken en toe te zien. En zijn zakken te vullen, natuurlijk, als vergoeding voor al dat denken.
Ik moest daaraan denken tijdens de ruim vijftien uren die ik, gespreid over de jongste vier zaterdagavonden, voor het televisiescherm heb doorgebracht, kijkend en luisterend, op mijn digitaal 46 inch LCD-scherm en mijn kwalitatief behoorlijke hifi-stereo muziekinstallatie, naar Der Ring des Nibelungen van Richard Wagner, in een uitvoering door het Staatsorchester Stuttgart onder leiding van Lothar Zagrosek, met vier verschillende regisseurs en casts, opgenomen in 2002-03, ook beschikbaar op DVD.
Vooreerst moeten we altijd onze blijde verrassing bekennen als we weer eens de Ring aangeboden krijgen op tv, het gebeurt niet elke dag, zelfs niet elk jaar. Bedenken we daarbij dat we voor dat voorrecht destijds helemaal naar Bayreuth moesten trekken, want Wagner verzette zich tegen opvoeringen in een ander theater dan datgene dat hij, met steun van een minder dan helemaal bij zijn verstand zijnde koning Ludwig II speciaal had laten oprichten voor de opvoering van de Ring. Ook na zijn dood bleef zijn weduwe die politiek voortzetten, maar ze kon uiteindelijk niet op tegen de druk van andere operahuizen. In onze tijd brengt elk operahuis dat zich respecteert (en ook een paar die dat ten onrechte doen) een eigen ‘versie’ van de Ring, dat hebben we hier ook in Vlaanderen mogen/moeten meemaken. Als je kaartjes wil voor Bayreuth, dan moet je er vroeg bij zijn, want alles is jaren op voorhand uitverkocht; je moet er ook veel geld voor over hebben, de kaartjes zijn peperduur en de hotels en restaurants net zo. Om maar te zeggen dat een uitvoering van de Ring toch nog altijd een gebeurtenis is.
Ik vind het ook steeds een muzikaal feest, een onmiskenbaar hoogtepunt in de muziekgeschiedenis en zelfs in onze hele beschaving. Ik leg daarbij bewust de nadruk op het muzikale aspect. Indien men ooit de Ring zou brengen als een theatervoorstelling, gewoon toneel dus zonder de muziek (er zijn al gekkere dingen mee uitgehaald, zelfs een filmversie), dan vermoed ik dat geen mens het einde zou halen. Wagner ‘schreef’ zelf het libretto, waarin hij allerlei materiaal verwerkte, hoofdzakelijk uit de Noorse mythologie en de oud-Germaanse Nibelungensaga en hoewel ook dat een niet te onderschatten literaire prestatie is, berust de roem van Wagner en de Ring toch vooral op het muzikale aspect, zowel vocaal als orkestraal. Wagner zelf zou me voor zo’n uitspraak wellicht in de zelfde bewoordingen beschrijven waarmee hij de Joden aanpakte en dat is, ik verzeker het je, niet bijzonder fraai, lees daarover deze bijdrage: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=121.
Als we derhalve bij de muziek blijven, dan zitten we ook met deze uitvoering best goed, ik kan werkelijk niet anders dan met veel lof schrijven over dirigent, zangers, orkest en koor en ook de technische weergave is buitengewoon, vooral de diepe koperblazers zijn indrukwekkend en zag ik daar voorwaar vijf (!) harpen? Merkwaardig, dat, voor een componist die weigerde het orkest te laten fungeren als een loutere ‘harp’ voor de zangers en daarin ook verbluffend slaagde; er zijn ook Ring-bewerkingen uitsluitend voor orkest, dus zonder het vocale element en ook dat is meer dan indrukwekkend.
Blijft dan de regie, de scenische voorstelling, de dramaturgie, de kostumering. Het is vrijwel onmogelijk om nog een opvoering mee te maken zoals Wagner ze op die punten zelf voorschreef. Je ziet nog wel eens een Verdi of een Donizetti, een Gounod of een Massenet en zelfs een Monteverdi in de oorspronkelijke vorm, maar een Wagner? toe maar… Dat moet nu een existentiële ervaring zijn, schokkend, liefst zelfs choquerend, grensverleggend, een Nietzscheaanse herwaardering aller waarden, irreverent, regie met de Mjöllnir, de sloophamer van Thor/Donar.
In deze uitvoering kan je gerust spreken van arte povera. De kostuums zijn in het beste geval C&A pakken en ensembles, maar meestal afgedragen sport- en vrijetijdskledij, tot regelrechte bag ladies’ en bedelaarsplunjes. Het decor is meer van het zelfde. Het lijkt wel alsof er na de gages voor het orkest en de zangers geen middelen meer ter beschikking waren voor de enscenering. Toegegeven, men doet met die middelen wat men kan, men haalt er het maximum uit en soms lukt dat: de aankleding is dan zo banaal dat je ze kan vergeten, dat je er gewoon niet meer op let. Maar meestal stoort de slechte smaak net zo zeer op de bühne als in het werkelijke leven. Van mij mag iedereen zich kleden en gedragen zoals hij en zij wil, maar ik hoef niet alles ook leuk te vinden. Theater, ook muziektheater is bovendien niet de realiteit, je verwacht toch altijd iets anders, beter. In dit geval is het wel anders, maar minder: arte povera, poverissima zelfs. Het zwaard van Siegfried valt nog mee: eerst een lichteffect, dan een heus metalen voorwerp; maar het paard van Brünnhilde, dat ze later uitleent aan Siegfried, is niet alleen een letterlijk stokpaard, het is zelfs een kartonnen exemplaar uit de kringloop, met nog maar enkele sliertjes haar voor manen. Als Siegfried ermee rond host, ‘gekleed’ in dierenvellen, kan je nauwelijks je tranen inhouden, van het lachen of het wenen, kies maar. En zo zijn er talloze voorbeelden. Elk van de vier regisseurs, een per onderdeel van de Tetralogie (een geleerd woord voor iets dat uit vier delen bestaat), bezondigt zich aan dit ‘concept’, dit idee of de afwezigheid ervan. De aankleding van een opera moet helpen om de het geheel geloofwaardig te maken, om de illusie waar te maken, om ons te doen vergeten dat we niet met de werkelijkheid te doen hebben. Hier heeft men er werkelijk alles aan gedaan om precies dat niet te doen. Dat blijkt ook in de slotscène van Götterdämmerung, de laatste opera van de reeks, wanneer alle licht op de zaal gericht wordt en het publiek zo de plaats inneemt van de bühne, met op de scène enkel Brünnhilde. Daarop volgt, in plaats van een voorstelling van Wagners regieaanduidingen voor de ineenstorting van het Walhalla, een projectie van die regieaanwijzingen op het gesloten doek. Je moet het maar durven.
Mijn eerste volledige Wagner beluisterde ik op vier zondagnamiddagen, 35 jaar geleden, alleen thuis, op cd in een uitvoering van Karl Böhm, opgenomen in 1967 tijdens de Bayreuther Festspiele, het Duitse libretto op de schoot. Het was een intense belevenis, die ik je nog altijd kan aanraden en indien je de uitvoering met Zagrosek zou kiezen, een keuze die ik zeker niet zal afraden, dan is een beluistering zonder beeld wellicht beter dan die op dvd, dan word je tenminste niet afgeleid én gestoord door de povere artistieke inzichten van een misplaatst armtierige regie.
Ik zou niet weten welke uitvoering mét beeld ik je zou kunnen aanraden, behalve misschien die van Levine in de Met, die naar verluidt nog het meest rekening houdt met Wagners eigen regieaanduidingen.
Enkele jaren geleden sprak ik op de bus (een vreemde plaats daarvoor, maar het kan, zo zie je maar) met een toevallige medereiziger over opera; hij was ook een liefhebber, maar bekende dat Wagner voor hem ‘te zwaar’ was. Ik heb hem toen ten stelligste aangeraden om toch nog maar eens te proberen, ik vind Wagner immers helemaal niet zwaar, overdadig, moeilijk, ingewikkeld of langdradig. Laat je niet afschrikken door de verhalen, haal eens een Wagner in huis - nu hij al zo lang dood is, is daaraan nog nauwelijks enig moreel risico verbonden - op cd of zelfs dvd (maar dan in een rustige regie), maak er voldoende tijd voor vrij en ik verzeker je dat je je nooit meer laatdunkend zal uitlaten over Wagners totaalkunstwerk, zijn arte opulentissima.

















