De naam van Uriël
da Costa zal vandaag slechts weinigen bekend in de oren klinken. Ik kwam hem
enkele malen tegen in mijn lectuur over Spinoza. Jonathan Israel vermeldt hem
terloops in zijn Radical Enlightenment.
Steven Nadler wijdt er enkele bladzijden aan in zijn biografie van Spinoza
(blz. 66-73) en in zijn Spinoza’s Heresy (blz.
165-173). Yirmiahu Yovel behandelt deze figuur in zijn Spinoza and Other Heretics (blz. 42-51). Antonio Damasio schrijft
over hem in zijn Looking for Spinoza (p.
240-45), maar steunt zich (helaas) op een hedendaagse levensbeschrijving in
romanvorm.
Het was echter
een kort essay van Wim Klever (Een nieuwe
Spinoza, blz. 93-96) dat mijn aandacht vestigde op het feit dat het
zogenaamde ‘testament’ van da Costa niet in het Nederlands voorhanden was. Dat
leek ook mij na lezing van het inspirerende essay van Wim Klever zo’n
onterechte lacune dat ik mij onmiddellijk aan het werk zette en die Latijnse
tekst in het Nederlands vertaalde, in de hoop daarmee bij te dragen tot de
bekendmaking van deze interessante figuur uit de eerste helft van de
zeventiende eeuw in onze contreien.
Wie was Uriël da Costa?
Rond 1585
werd hij geboren in Porto, Portugal, de zoon van een gegoede joodse familie die
gedwongen tot het christendom ‘bekeerd’ was. Hij studeerde canoniek recht aan
de universiteit van Coimbra, zonder een diploma te behalen. Na de dood van zijn
vader emigreerde hij, ondanks het verbod, rond 1615 naar Amsterdam en
vervolgens naar Hamburg, waar hij actief was als handelaar, vooral met
Portugal. In 1624 had hij een probleem met het gerecht in Amsterdam, maar werd
vrijgelaten bij gebrek aan bewijs. Bij zijn aankomst in Amsterdam was hij
toegetreden tot de joodse gemeenschap en ook in Hamburg maakte hij er deel van
uit. Tijdens zijn leven zou hij herhaaldelijk in botsing komen met de joodse
gemeenten, wat tot tweemaal toe leidde tot een excommunicatie. Aanleiding voor
de conflicten waren onder meer zijn geschriften: een lijst van vragen over de
toepassing van de joodse wet (1616) en een boek waarin hij de joodse gebruiken
vergelijkt met de oorspronkelijke wet van Mozes (1624). De laatste verzoening
met de Amsterdamse joodse gemeenschap vereiste een vernederende boetedoening;
hij zou dat slecht verwerkt hebben en de hand aan zichzelf geslagen hebben in
1640. Hij liet een testament na, waarin hij afrekent met het jodendom, maar ook
met alle andere openbaringsgodsdiensten en waarin hij pleit voor een
natuurlijke godsdienst, die elke mens in zichzelf kan ontdekken met behulp van
de rede. Daardoor wordt hij gezien als een voorloper van Spinoza en van de
Verlichting, een tragische held die door een fanatieke en intolerante joodse
gemeenschap gepest en vervolgd werd, en zelfmoord pleegde omdat hij zijn
verlichte idealen niet kon opgeven.
Ik heb
intussen nog enkele ander werken over da Costa gelezen en ook een Engelse, twee
Franse en twee Nederlandse vertalingen van zijn testament. Het valt me daarbij
steeds weer op dat men heel vrij omspringt met zowel de historische gegevens
als met de overgeleverde teksten. Alle auteurs hebben de neiging om de feiten zeer
vrij te interpreteren en ze zonder enige aanwijsbare reden anders voor te
stellen dan ze beschreven staan. De bestaande vertalingen van het testament die
ik heb geraadpleegd zijn verre van nauwgezet gebeurd. Zij spreken elkaar herhaaldelijk
tegen; ofwel is de oorspronkelijke tekst dan ambigu, ofwel heeft ten minste een
van de vertalers zich vergist. Er zijn ook opvallende hiaten.
Ik heb me
voorgenomen om in alles wat ik hier schrijf over Uriël da Costa steeds de
grootst mogelijke getrouwheid in acht te nemen aan de beschikbare bronnen. De
feiten zal ik weergeven zoals ze vermeld staan, zonder ze op te smukken of vrij
te interpreteren. Men moet immers een duidelijk onderscheid maken tussen
historisch onderzoek en literaire fictie.
Bij de
vertaling van het ‘testament’ heb ik geprobeerd om zo dicht bij de Latijnse
tekst (Gebhardt 1922) te blijven als mogelijk is zonder het Nederlands geweld
aan te doen. Ik heb dus geen hertaling gemaakt, maar een omzetting naar het
Nederlands van een Latijnse tekst, als een soort van hulpmiddel om die tekst te
begrijpen. Het is en blijft een vertaling, het is geen nieuwe, zelfstandige idiomatische
Nederlandse tekst. Het is een zo getrouw mogelijke omzetting van het ‘testament’
van Uriël da Costa, zoals het ons is overgeleverd.
Wellicht is
het zijn dramatische dood die Uriël da Costa enige bekendheid heeft gegeven. Na
een jarenlang conflict met de Portugese Joodse gemeente van Amsterdam zou hij
zichzelf het leven benomen hebben in april 1640. Wij hebben voor dit feit echter
geen officiële bewijsstukken: geen overlijdensbericht, geen graf, geen
ooggetuigen. Kort na zijn dood verscheen in 1644 in Hamburg Judaismus oder Judenthumb van de hand
van de Lutheraanse dominee Johann Müller, met daarin slechts enkele regels: …dass er Anno 1640 im Monat April sich
selber entleibet und ein klägliches Schreiben hinter sich gelassen welches mir
zu handen kommen… Vervolgens
citeert hij enkele regels uit dat document, dat in het Latijn gesteld is (blz.
71-72). En verder: …dass er
ihm solches im Herzen gezogen und ihm selber des leben genommen inmassen Er
solches in einer Schrift entdecket die Er für seinem Tode verfertigt und
hernach auf sein Tisch bei seinem todten Körper gefunden worden (blz.
1415). Dat is alles.
Pas veel
later vinden we een tweede, veel uitgebreidere versie van de hand van Philip
van Limborch (1633-1712). In de inleiding van zijn boek De Veritate Religionis Christianae Amica Collatio cum Erudito Judaeo
beschrijft hij hoe hij bij het drukklaar maken van zijn tekst per toeval op een
manuscript stuitte dat daar al lang lag zonder dat hij het had opgemerkt. Het
gaat om dezelfde tekst die Müller vermeldt. Van Limborch doet beter: hij
besluit de hele tekst te publiceren als een aanhangsel van zijn boek, met een confutatio, een weerlegging van zijn
hand.
Het Latijnse
manuscript dat van Limborch vermeldt, is niet het document dat men op de tafel
naast het lijk van da Costa heeft gevonden. Het is een kopie die volgens van
Limborch door een belangrijk Amsterdams inwoner bezorgd was aan Simon Episcopius,
zijn oudoom, waar hij het geruime tijd na diens dood vond tussen zijn papieren.
Het is bewaard gebleven en berust in de bibliotheek van de Universiteit van
Amsterdam. Het is aannemelijk te veronderstellen dat het niet alleen een kopie
is, maar ook een vertaling en dat het oorspronkelijke document in het Portugees
gesteld was, zoals alle andere geschriften die aan da Costa toegewezen worden.
Uit Müllers
commentaar kunnen we niet opmaken of hij meende dat hij het manuscript van da
Costa zelf in handen had of een kopie of vertaling. Het citaat wijkt op enkele
plaatsen af van de tekst die van Limborch publiceert en ook van het manuscript waarop
die zich steunde voor zijn publicatie. Ik heb niet kunnen achterhalen of het
document dat Müller in handen had, ook bewaard is gebleven. Op basis van die
beide korte citaten in zijn boek kunnen we in feite niet met zekerheid zeggen of
hij het hele document bezat, dan wel enkele uittreksels. Hij zegt ook niet hoe
het bij hem is terechtgekomen. Hij vermeldt de beide boeken, die van Semuel da
Silva (1623) en het lang zoek geraakte Exame
van Uriel Jurista Hebraeus (1624)
en identificeert die laatste met de auteur van het ‘testament’.
Het lijvige boek
(1500 blz.) van Müller is een soort van christelijke antisemitische encyclopedie;
mogelijks heeft iemand die wist dat hij daaraan werkte hem een bericht gestuurd
over een schandaal dat in de Amsterdamse joodse gemeente was voorgevallen.
Van Limborch
geeft heel wat meer details over de dood van da Costa. Er is sprake van een mislukte
aanslag met een pistool door Uriël op een familielid, waarna hij een tweede
pistool grijpt en zichzelf dodelijk verwondt. Hij vermeldt echter niet waar hij
die informatie vandaan haalt, rond 1687, dus bijna vijftig jaar na de feiten.
In het zogenaamde testament schrijft da Costa nergens expliciet dat hij een
einde zal maken aan zijn leven; het is geen echte, haastig geschreven afscheidsbrief,
maar veeleer een breedvoerig uitgewerkte afrekening met zijn vijanden, onder de
vorm van een autobiografische schets.
Het verbaast
me dat bijna alle auteurs van levensbeschrijvingen van Uriël da Costa zo vlot
over zijn leven en dood schrijven, met allerlei gruwelijke details, terwijl de
gegevens waarover wij beschikken zo beperkt en onzeker zijn.
Het Latijnse
manuscript is door twee verschillende personen geschreven, met aantekeningen
van nog drie anderen, geen van allen is met zekerheid gekend. De datering is
onzeker. Sommige auteurs verwerpen het hele document als een vervalsing, een fictieve
literaire biografie veeleer dan een autobiografie. Anderen nemen aan dat het
grotendeels door da Costa kan geschreven zijn, maar dat er zeker toevoegingen
en weglatingen zijn geweest door jood-onvriendelijke derden.
Het is
mogelijk dat de zelfdoding van Uriël da Costa, indien zij werkelijk heeft
plaatsgehad, in de joodse gemeenschap en daarbuiten indruk heeft gemaakt en als
een mondeling verhaal is bewaard gebleven en later op schrift is gesteld. Het
is mogelijk dat het manuscript enig verband heeft met Uriël da Costa zelf. Maar
we moeten bescheiden blijven en toegeven dat we het niet weten, dat we niet met
zekerheid kunnen zeggen wat er precies gebeurd is en wie wat geschreven heeft.
Dat besef moet ons weerhouden om ons te buiten te gaan aan dichterlijke vrijheden,
al te zelfzekere uitspraken en ongegronde veronderstellingen.
Verscheidene
bronnen, onder anderen Müller, vermelden een boek dat Uriël da Costa zou
geschreven hebben in het Portugees en gepubliceerd in Amsterdam in 1624: ‘Een
onderzoek van de tradities van de Farizeeën, vergeleken met de Geschreven Wet.’
Het ‘testament’ vermeldt een dergelijk boek en ook dat het door het
stadsbestuur was in beslag genomen na een aanklacht; het spreekt ook van een
boete van driehonderd florijnen. Men heeft een vermelding gevonden van een
vrijlating van Uriël uit de gevangenis in 1624, maar daarbij is geen sprake van
het boek, noch van de boete. Er staat alleen dat twee broers van Uriël zich
borg stellen: indien hij niet beantwoordt aan een oproep om voor het gerecht te
verschijnen, zullen zij een som van 1200 florijnen moeten betalen. Volgens de wettelijke
voorschriften van die tijd betekent dit dat hij is vrijgelaten bij gebrek aan
bewijs. Wat de aanklacht was, weten we niet.
Het boek van
Uriël Jurista Hebraeus staat eveneens
vermeld in de Index van verboden boeken, gepubliceerd in Madrid in 1632. In 1728
wordt in Amsterdam een exemplaar beschreven in een verkoopscatalogus van een
joodse bibliotheek. In zijn ‘testament’ licht da Costa de complexe
ontstaansgeschiedenis van het boek toe: hoe nog voor de publicatie van zijn
boek een joodse arts uit Hamburg, Semuel da Silva zelf in 1623 een boek liet
verschijnen, De immortalitate animarum,
een refutatie van da Costa’s opvattingen, wat hem veel last berokkende. In dat
boek staan immers drie hoofdstukken afgedrukt die naar het zeggen van da Silva
deel uitmaken van het boek dat da Costa wou laten verschijnen. Daarop besloot
hij een ander boek te schrijven te zijner verdediging. De publicatie daarvan,
bij dezelfde uitgever, leidde, steeds volgens het ’testament’, tot zijn
veroordeling. Niemand heeft echter ooit
het boek gezien, tot in of rond 1989 H.P. Salomon een exemplaar vond in de
Koninklijke bibliotheek van Kopenhagen, wellicht het enige bestaande, en het
publiceerde.
Aan Uriël da
Costa schrijft men nog een andere, eerdere tekst toe: Propostas contra a tradicião. Hij zou die in Hamburg hebben
geschreven rond 1616 en de tekst zou (door hem?) zijn voorgelegd aan de joodse
gemeente in Venetië. Wij zijn daarvan op de hoogte door het antwoord dat uit
Venetië kwam, in een brief van de hand van rabbijn Leon Modena, in 1618. Een oorspronkelijke
tekst van da Costa is niet bewaard. Er is een reconstructie op grond van een
geschrift in het Hebreeuws van Modena, Magen
va-Tzinnah (Schild en beukelaar, ed. A. Geiger, 1857 op basis van een
manuscript, Bodleian 2786), waarin die uitvoerig ingaat op de vragen van ‘een verwarde
en domme persoon die toen in Hamburg woonde en die in 1616 die vragen
voorlegde’. Een tweede bron is een manuscript, in het Portugees, dat sommigen
voor een kopie hebben gehouden van het oorspronkelijke document van da Costa.
Het is van de hand van Mozes Raphael d’Aguilar en is in feite een gedeeltelijke
vertaling van de Hebreeuwse tekst van Leon Modena. Conclusie: de Propostas zijn niet van da Costa, maar
van Leon Modena.
Er was een
vermoeden dat de kritische jood uit Hamburg Uriël da Costa was, maar geen
bewijs daarvoor. Uit archiefstukken heeft men kunnen aantonen dat Uriël zeker
in Hamburg woonde in die periode, zij het onder de schuilnaam van Adam Romez,
die in andere documenten als alias van Uriël da Costa is gevonden. Er zijn duidelijke
overeenkomsten tussen de kwesties die Modena behandelt in zijn latere (maar
niet gedateerde…) Schild en beukelaar
en die in het eerste deel van da Costa’s Onderzoek
van de tradities van 1624. Da Silva’s citaten uit het ongepubliceerde boek
van da Costa en het tweede deel van het Onderzoek
handelen daarentegen over de onsterfelijkheid van de ziel.
Kunnen wij
dan aannemen dat het Uriël da Costa was die reeds in 1616, kort na zijn vlucht
uit Portugal en aankomst in Amsterdam eind april 1615, bezwaren maakte tegen
sommige gebruiken en voorschriften van de joodse gemeente in Hamburg? De
bewijzen van zijn aanwezigheid in Hamburg zijn geen afdoende argumenten voor een
identificatie van de verwarde en domme persoon die Modena vermeldt in zijn
brief van 18 augustus 1618 met Uriël da Costa. De Propostas zijn niet van zijn hand, maar zo goed als letterlijk overgenomen
uit Modena’s Magen va-Tzinnah, via
d’Aguilar.
Laten we nu
ook eens de documenten bekijken van zijn excommunicatie. Wat Hamburg en Venetië
betreft: de brief van Modena van 1618 is geen herem, maar een poging tot verzoening met een lichte dreiging tot
uitsluiting bij hardnekkig volhouden van de dwalingen. Vervolgens is er de
excommunicatie, vermeld in het ‘testament’, die zou gevolgd zijn op zijn
kritiek, geuit kort na zijn aankomst in Amsterdam. Wij weten echter dat hij bij
zijn aankomst in Amsterdam meer dan waarschijnlijk vrijwel onmiddellijk is
doorgereisd naar Hamburg, waar hij in 1623 nog aanwezig was, of althans vermeld
wordt; in 1627 verklaart hij in Utrecht dat hij in Hamburg handel heeft
gedreven. Er is geen tekst voorhanden van een herem vóór die van 1623. Ik heb vergeefs gezocht naar een bevestiging
van een herem door Modena in Venetië
en Hamburg, die door de meeste auteurs plechtig vermeld wordt. De enige
aanduiding van een dergelijke excommunicatie staat in de tekst van de
excommunicatie in Amsterdam in 1623.
De tekst van
de herem van 1623 verwijst inderdaad naar
een eerdere veroordeling als ketter en excommunicatie in Hamburg en Venetië,
maar dat lijkt mij geen afdoende bewijs voor een identificatie; elke Hamburgse
ketter werd in de regel (ook) door Venetië veroordeeld. Het is ook vreemd dat
deze herem een zekere Uriël Abadat (of Abadot) betreft. Niemand heeft kunnen uitleggen wat die naam
betekent, hij komt nergens anders voor. Wij kunnen dus niet met zekerheid
zeggen dat deze twee Uriëls dezelfde persoon zijn, Uriël is immers een frequent
voorkomende joodse naam.
De aanklacht
die volgde op de publicatie van zijn boek in 1624 gebeurde volgens het
‘testament’ bij de burgerlijke rechtbank. Indien hij reeds geëxcommuniceerd was
in 1618, met bevestiging voor Amsterdam in 1623, dan bleef hij dat; een nieuwe
veroordeling was dan niet nodig, er is er ook geen vermeld.
Steven
Nadler (1999, 2008) heeft het over een tweede herem, in 1633. Ik weet niet waarop hij die datum baseert, de eindnoot
zegt enkel dat wij de tekst niet hebben. Ik neem aan dat hij zich geïnspireerd
heeft op het ‘testament’ en op de vermeende sterfdatum (1640 -7=1633). In het
‘testament’ is inderdaad sprake van een tweede veroordeling, volgend op de verzoening
en de daaropvolgende verklikking door zijn neef. Wij weten niet wanneer dit zou
gebeurd zijn, alleen het ‘testament’ getuigt hierover. Daarop volgden zeven
jaar van uitstoting, een tweede verzoening met de dramatische onderwerping en geseling.
Ook deze datum kennen we niet. Zijn sterfatum is ons niet officieel bekend, er
is alleen Müller: 1640. Anderen geven 1647 aan.
De zo
uitvoerig beschreven spectaculaire bestraffing die bij de verzoeningsprocedure
hoorde, roept vragen op. Zij staat vermeld in het ‘Boek van Sententies’ van de
Portugese joodse gemeenschap, niet over da Costa, maar over Abraham Mendes,
beschuldigd van bigamie in 1639. Ze staat ook beschreven in enkele obscure joodse
en niet-joodse bronnen, terwijl de rituele voorschriften van de joden steeds uitblinken
door hun duidelijkheid en detail en hun universele toepasselijkheid. De
voorschriften voor de juridische malkut,
de rituele geseling, zijn uiterst
streng en kunnen slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden toegepast,
volgens sommige joodse bronnen zelfs nooit. Ten tijde van da Costa kon een
dergelijke geseling, indien uitgesproken, enkel louter symbolisch uitgevoerd
worden, omdat de joodse gemeenten geen bevoegdheid hadden om lijfstraffen toe
te passen. Bovendien was het ondenkbaar dat men die geseling zou uitvoeren in
de synagoge. Er zijn overtuigende aanwijzingen dat de beschrijving ten minste
gedeeltelijk steunt, bijvoorbeeld voor de ‘vertrappeling’, op antisemitische
geschriften uit die tijd. In latere bewerkingen voor het theater krijgt het
slachtoffer een zware deur op zich en loopt de congregatie zo over hem. Wij
hebben dus ernstige redenen om te twijfelen aan de authenticiteit van dit
gedeelte van het ‘testament’. Het gaat veeleer om een sensationele scène die is
ingelast om de onmenselijkheid en het fanatisme van de joden aan de kaak te
stellen.
Er is wel
een vermelding van een andere herem
en andere beslissingen die men met Uriël da Costa in verband brengt, namelijk
die vermeld in een vraag aan rabbi Jacob Ha-Levi in Venetië (daar opgenomen in
het ‘boek van vragen en antwoorden’, 1632). Daarin is sprake van een niet nader
genoemde persoon die de geldigheid van de mondelinge Torah betwijfelde, de
woorden van de rabbijnen bespotte en hen belasterde, de onsterfelijkheid van de
ziel ontkende evenals de wederopstanding van de doden enzovoort. Hij zou de
bedoeling gehad hebben om dit alles te publiceren in een boek in een ‘vreemde’
taal. Daarop hadden de leiders van de joodse gemeenschap de burgerlijke
overheden ingelicht en hen ertoe gebracht om de boeken in beslag te nemen, ze
publiekelijk te verbranden, de auteur in de gevangenis te werpen en hem te
laten verbannen, omdat ze niet bij machte waren om over hem de doodstraf uit te
spreken. Betrokkene zou gestorven zijn in ballingschap. De vraag gaat over zijn
moeder, die met hem samenleeft, in tegenstelling met zijn twee broers, die alle
contact hebben verbroken. De moeder is ook geëxcommuniceerd; mag ze bij haar
overlijden toch eervol en ritueel begraven worden, uit respect voor haar andere
zonen? Het antwoord was positief.
Er is geen
naam vermeld. Slaat dit allemaal op Uriël da Costa? De inhoudelijke
beschuldigingen wijzen daarop, maar dergelijke kritieken waren allesbehalve
ongewoon, Uriël da Costa was zeker niet de enige in Amsterdam of in Hamburg om
ze te uiten. Er is sprake van twee broers, terwijl hij er drie had. De
verbanning is een nieuw element, maar zou kunnen overeenkomen met de jaren (1624-1627?)
die Uriël in Utrecht doorbracht. Zijn moeder, Sara da Costa werd begraven op 4
oktober 1628 op de joodse begraafplaats van Ouderkerk. In de joodse registers
staat ze vermeld als moeder van Abraham en Joseph da Costa. Uriël wordt niet
vermeld. In 1629 verblijft hij in Amsterdam, in 1631 heeft hij er een
bankrekening als ‘Adam Romez’. Zijn vrouw, Francisca de Crasto volgens de enen,
Sara volgens anderen, Rachel volgens nog anderen, is wellicht gestorven na de
terugkeer naar Amsterdam, volgens sommigen in 1622, volgens anderen zeker niet
zo vroeg. In 1639 maakte hij officieel al zijn goederen over aan zijn
huisvrouw, Di(g)na Jacob(s). Hij is dus niet in ballingschap gestorven en was
ook nog niet overleden in 1632. Hij was ook niet de enige die een
controversieel boek had geschreven, dat verbrand werd: in 1656 werd het boek
van Manuel de Pina publiek verband in Amsterdam en Hamburg. Bij de vrijlating van
Uriël uit de gevangenis is er geen sprake van een boek, dus ook niet van in
beslagname of (publieke) verbranding. Deze tekst over een anonieme persoon is
dus de enige aanduiding die men heeft voor de verbranding van het boek van Uriel Jurista Hebraeus, die ongeveer
iedereen achteloos vermeldt, naast andere elementen uit deze vraag aan Venetië.
Zijn de drie
hoofdstukken die da Silva citeert, aan hem toe te schrijven? De enige
confirmatie die we daarvoor hebben is het testament, doch enkel in vage
bewoordingen: hij was een boek aan het schrijven om zich te verdedigen tegen de
farizeeën en hun toevoegingen aan de wet van Mozes, toen hij (plots?) tot het
inzicht kwam dat er evenmin Bijbelse argumenten zijn voor de onsterfelijkheid
van de ziel. Toen men daarvan lucht kreeg, zou men een Hamburgse arts, da
Silva, hebben gevraagd om daarop te reageren en da Costa zelfs voor te zijn, op
basis van enkele katernen van zijn manuscript, die ‘toevallig’ in de handen van
da Silva zouden gevallen zijn… Een vreemde historie. De drie hoofdstukken gaan
uitsluitend over de onsterfelijkheid van de ziel, niet over zijn oorspronkelijke
twistpunten met de farizeeën. Het is niet uit te sluiten dat de anonieme
tegenstander die da Silva hier ten tonele voert een literaire fictie is, zoals
dat reeds het geval was voor de domme ketter in de brief van Modena en de
verwarde persoon in zijn Beukelaar en
schild.
Is hij dan de
auteur, Uriel Jurista Hebraeus, van het
teruggevonden Exame, het ‘Onderzoek
van de tradities van de Farizeeën’?
De hele
geschiedenis van de beide publicaties lijkt zich veeleer in Hamburg te hebben
afgespeeld dan in Amsterdam; dat de boeken daar uitgegeven zijn, bij Paulus van
Ravesteijn, de latere uitgever van de Statenbijbel, is mogelijk, maar niet
zeker. De naam van de uitgever en de plaatsaanduiding was toentertijd immers
vaak verzonnen of onterecht. Het Portugees van Uriel Jurista Hebraeus is naar verluidt stuntelig, wat vreemd is
voor een geboren en getogen Portugees. Of maakt dit deel uit van de constructie
van de tegenstrever?
Een en ander
doet de vraag rijzen of we hier wel degelijk te maken hebben met de historische
Uriël da Costa, een koopman zonder enige opleiding of ervaring in de joodse
traditie, zonder kennis van het Hebreeuws?
Uriël da
Costa was wel Hebraeus, althans van
afkomst en bekeerd, maar hij was geen Jurista,
een titel die overigens in het Portugees veeleer verwijst naar een rechter dan
naar een jurist. Hij had enkele jaren (katholiek) kerkelijk recht gestudeerd in
Portugal, maar er is geen enkele aanwijzing van enige juridische activiteit in
Amsterdam of Hamburg; met zijn (eventueel) diploma kerkelijk recht zou hij daar
overigens niet veel hebben kunnen aanvangen. Het Exame is net zoals da Silva’s Tradado
da Immortalitade da Alma een typisch smaadschrift, gericht aan zijn
tegenstander, Semuel da Silva en tegen de joodse gemeente en haar religieuze en
profane leiders. Het zijn goede voorbeelden van een literair genre dat destijds
maar ook lang daarvoor zeer druk beoefend werd. Indien men op al de anonieme
‘tegenstanders’ uit dergelijke literaire dialogen en controverses een naam zou
moeten kleven, dan zou men zich op een eindeloos en wild slingerend pad
begeven, met weinig hoop op enig zeker resultaat, dat bovendien in het beste
geval weinig inhoudelijks zou bijbrengen.
Da Silva
vermeldt da Costa’s naam niet, uit kiesheid. Het Exame is openlijk gericht tegen da Silva, zoals blijkt uit de
titel. Mij komt het voor dat dit een voorbeeld is van een ‘dialoog’, maar dan
niet in één boek, met verscheidene personages of auteurs, maar in twee
afzonderlijke boeken, kort na elkaar gepubliceerd, bij dezelfde uitgever
verschenen, met een vrijwel identieke titelpagina, die voortdurend elkaar
uitvoerig citeren en zelfs niet afzonderlijk kunnen gelezen worden. Het enige
bekende exemplaar van het Exame is
bovendien samen aangetroffen met het boekje van da Silva. Mijn vermoeden is,
dat er slechts één auteur is geweest van de beide boekjes en van de vermeende
‘gevonden’ hoofdstukken, net zoals de Propostas
deel uitmaken van het ‘antwoord’ waarvan ze een vraag zouden moeten zijn. Of
die auteur da Silva is, weten we niet. Hij is de auteur, in 1613 van een
Spaanse vertaling van een tekst van Maimonides.
Men heeft
getracht aan te voeren dat Uriël da Costa degene is die Modena bedoelde in zijn
brief en in zijn traktaat, op grond van vermeende overeenkomsten met het eerste
deel van het boek van de ‘Hebreeuwse jurist Uriël’. Het is echter veel
evidenter te veronderstellen dat de zaak net omgekeerd is: het materiaal voor
het eerste deel van het boek is ontleend aan Modena, via de Portugese vertaling
(Uriël kende wellicht geen Hebreeuws) van Mozes Raphael d’Aguilar die in
Amsterdam aanwezig was en daar nog steeds als manuscript berust in de archieven
van Ets Haim. Zowel da Silva als da
Costa verwijzen naar en reageren op Modena. Hij was dus bekend aan beide
auteurs, wat de stelling ontkracht dat het Modena was die op da Costa
gereageerd heeft: de afhankelijkheid van da Silva van Modena spreekt een
afhankelijkheid tegen van Modena van da Costa.
Maar wat met
het ‘testament’, het Latijnse Exemplar
humanae vitae? Er is alle reden om hierover voorzichtig te zijn. Er is geen
autograaf. De eerste vermelding ervan bij Müller in 1644 is vroeg, maar zeer
beperkt en de bron is als bijzonder antisemitisch niet onverdacht. Het verhaal
van van Limborch is geruime tijd na de feiten geschreven. Het manuscript van de
Latijnse tekst is hoe dan ook niet op overtuigende wijze aan Uriël da Costa
zelf toe te schrijven. Indien da Costa een autobiografisch document heeft
nagelaten, zoals Müller reeds vermeldt, dan zou dat veeleer in het Portugees
dan in het Latijn gesteld zijn. Het Latijn was nodig om in het Latijnse werk
van van Limborch opgenomen te worden.
De tekst die
van Limborch in zijn boek opneemt, komt op verscheidene belangrijke punten niet
overeen met de biografische gegevens over Uriël da Costa die wij uit andere, neutrale
bronnen kennen. Zo is er geen enkele vermelding van zijn overgang naar het
crypto-judaïsme toen hij nog in Portugal leefde en zijn inspanningen om zijn
ruimere familie te bekeren, noch van de financiële transacties die zijn vlucht
en vestiging in Amsterdam hebben mogelijk gemaakt. Er staat niets in over de
tijd die hij in Hamburg doorbracht, noch over zijn bezwaarschrift dat naar
Venetië was gestuurd, noch over het antwoord daarop en de Hamburgse en
Venetiaanse herem die erop volgden. Er
is nergens sprake van de periode die hij als balling in Utrecht doorbracht
(1627). Over sommige triviale aspecten van zijn leven is hij zeer precies,
zoals het paard dat zij hadden in Porto, over andere zegt hij weinig of niets:
zijn eerste huwelijk, de dood van zijn vrouw, zijn samenleven met zijn huisvrouw,
aan wie hij zijn inboedel heeft overgemaakt.
Als
autobiografisch werk is het onvolkomen. De gegevens over da Costa’s
voorgeschiedenis en zijn leven tot 1615 in Portugal zijn slechts in de
twintigste eeuw bekend geworden. Dat is ook zo voor zijn verblijf tussen 1616
en 1623 in Hamburg. Is dit geen aanwijzing voor een auteur van het ‘testament’
die niet Uriël da Costa is en die dus niet op de hoogte was van deze gegevens?
Daarbij komen er in de tekst heel wat antisemitische elementen voor die niet
overeenkomen met de weliswaar gespannen maar toch grotendeels loyale houding
van Uriël tegenover de joodse gemeenschap en haar wetten, inzonderheid de Wet
van Mozes.
De argumentatie
in het Onderzoek is integraal Bijbels,
niet rationeel of filosofisch, zoals het ‘testament’. De taal en stijl van het ‘testament’ verschilt ook opvallend en
aanzienlijk van die van het Onderzoek.
Kortom, het ‘testament’ lijkt veeleer van latere datum dan 1640. De poging van
van Limborch om het vroeger te dateren aan de hand van de vermelding van het
boek van da Silva (dat hij in zijn bibliotheek had, zoals blijkt uit de
catalogus van de verkoop ervan) is stuntelig en waardeloos: die vermelding bewijst
dat het document van na die publicatie stamt, maar niet hoelang daarna.
Het valt mij
op hoe dicht de taal en stijl van het testament overeenkomt met die van de
‘Korte refutatie’ die van Limborch erbij geschreven heeft. Als we daarbij nog
vaststellen dat de argumenten van van Limborch uitdrukkelijk gericht zijn die
zijn tegen het tweede deel van ‘testament’, waarin hij de natuurlijke religie
verdedigt, en niet tegen zijn bezwaren tegen het judaïsme of de farizeeën, dan
rijst het vermoeden dat van Limborch, die ook heel wat andere brieven en
documenten van zijn voorgangers heeft gepubliceerd, zich met het ‘testament’
een literaire vrijheid heeft veroorloofd, die Modena voor hem ook al heeft
gebruikt, namelijk het verzinnen van een denkbeeldige tegenstrever. Waar Modena
het nog heeft over ‘een verwarde en domme persoon’ (in wie anderen later Uriël
da Costa hebben gezien), legt hij de woorden van het ‘testament’ letterlijk in
de mond van Uriël da Costa en (re-)construeert zo een personage uit bronnen die
ons slechts gedeeltelijk bekend zijn, hoofdzakelijk da Silva en Uriël Jurista Hebraeus, maar zeker ook Müller,
wiens Judaïsmus hij zeker heeft
gekend en daarnaast ongetwijfeld Mozes Raphael d’Aguilar, een goede bekende van
Orobio de Castro, de Judaeus uit de Amica collatio van van Limborch. Van Limborch
zou zich dan voor het fictief testament vooral op Orobio de Castro gesteund
hebben, die zeer bekend was met het reilen en zeilen in de joodse gemeenschap
in Amsterdam en een uiterst bekwame en gedreven bestrijder van kritische en
deïstische tendensen binnen het jodendom; hij bestreed ook Spinoza.
Het
‘testament’ schetst ons een beeld dat nauwelijks overeenkomt met de historische
Uriël da Costa, tot en met zijn naam: het manuscript is ‘ondertekend’: Gabriel
Acosta – Uriel, daar waar de echte handtekeningen die wij van hem hebben steeds
zeer duidelijk ‘da Costa’ hebben. Opzoekingen in de Portugese archieven hebben
onthuld dat het beeld van de adellijke en op zijn eer gestelde ‘fidalgo’ erg
gevleid is. De adellijke titel was onbeduidend en recentelijk gekocht door zijn
vader. De zakelijke activiteiten, vooral het innen van belastingen, waren niet
zelden louche en uiteindelijk regelrechte diefstal ten bedrage van 800.000
reales, een zeer aanzienlijke som, die moest dienen om de vlucht te bekostigen
en als startkapitaal in de nieuwe omgeving. Overigens was die vlucht niet
zomaar geïnspireerd op zijn verlangen om de joodse godsdienst uit overtuiging
te belijden. Enerzijds was de hele familie da Costa en ook het gezin van (toen
nog) ‘Guabriel’ reeds jaren joods pratikerend in Portugal en werden zij door de
Inquisitie op de hielen gezeten. Anderzijds zijn zij ook overhaast moeten
vertrekken omdat het gerecht hen opspoorde wegens de diefstal van de
belastingsgelden die zij in opdracht geïnd hadden.
Vaak stelt
men dat da Costa de kleine wijdingen had ontvangen, voorbereidend op het
priesterschap in de katholieke kerk, maar daarvoor is er geen enkel bewijs.
Men vermeldt
ook graag dat hij bij de Jezuïeten zou gestudeerd hebben, maar dat is evenmin
aantoonbaar. De universiteit van Coimbra was geen Jezuïetenuniversiteit en in
Porto was er geen jezuïetenschool; volgens het ‘testament’ werd hij trouwens
thuis opgeleid.
Wim Klever
noemt hem een ‘rabbi’. Damasio verwart hem met een naamgenoot, doctor in de
Theologie en professor aan de universiteit van Coimbra.
Er gaapt een
diepe kloof tussen de historische informatie die wij hebben over het doen en
laten van Uriël da Costa en het beeld dat van hem geschetst wordt. Enerzijds is
er een (joodse) economische vluchteling en gehaaide zakenman, anderzijds een
getormenteerde en geobsedeerde twijfelaar aan God en gebod, een beeldenstormer
en een ‘held van de geest’, een voorvechter van de rationaliteit en bestrijder
van bijgeloof, openbaring, het hiernamaals en alle kerkelijke instellingen en
dogma’s.
Het
‘testament’ was slechts een eerste omzetting van het leven van een reëel
persoon, Uriël da Costa, in literaire fictie. De excellente maar eigenzinnige Pierre
Bayle wijdt in 1696 een artikel aan da Costa in zijn Dictionnaire historique et critique. Hij neemt vrijwel letterlijk de tekst over van het
‘testament’ en van de inleiding van van Limborch, als ware het een feitelijk
relaas van historische gebeurtenissen. Voltaire doet hetzelfde, maar veel
korter, in een brief van 1767. David Francisco Mendez steunt zich in zijn
manuscript over de Spaanse en Portugese joden in Amsterdam (1772, uitgegeven in
1975) volledig op Bayle, maar voegt er enkele versieringen aan toe,
bijvoorbeeld dat Bayle zich baseerde op een manuscript van da Costa zelf (wat
Bayle nergens zegt, hij verwijst gewoon naar het Exemplar) en dat da Costa ‘de mond van het pistool naar zijn borst keerde
en een einde maakte aan zijn leven’. Bij Klever (1995) en later bij Nadler
(2001) is dat al ‘een revolverschot (sic
bij Klever) in het hoofd’!
In 1774
schrijft Reimarus over da Costa. De tekst is door Lessing in 1774 uitgegeven
als een ‘fragment van een onbekende’; een moderne uitgave volgt pas in 1972 (G.
Alexander). Het fragment is ook weer een parafrase van van Limborch, maar met
verscheidene onnauwkeurigheden: da Costa zou nooit een christen geweest zijn,
maar het joodse geloof hebben ingeruild voor de filosofie; bij de geseling zou
hij volledig naakt geweest zijn… Zijn zelfdoding vermeldt hij niet.
Carl Gutzkow
schrijft in 1834 een roman, Der Sadduzäer
von Amsterdam, in 1846 bewerkt hij die tot Uriël Acosta – Ein Trauerspiel. Vertalingen volgen, ook in het Jiddisch,
waar het theaterstuk een vast onderdeel van het repertoire wordt. Abraham
Goldfaden maakte er een operette van, opgevoerd in de Remesleni Club van
Odessa.
Ik vermeld
ook nog:
H. Jellinek,
Acosta’s Leben und Lehre, 1874
Israel
Zangwill, Dreamers of the Ghetto, Philadelphia, 1898 (een van de novellen gaat over da
Costa)
Klaar,
Alfred, Uriel da Costa, Leben und Bekenntnisse
eines Freidenkers, Berlin, 1909
Katzenstein, Julius, Uriel
da Costa, Berlin, 1932
Agustina Bessa-Luís, Um
bicho da terra, 1984
Robert Menasse, Der Vertreibung aus der Hölle, 2001
Besluit
Uriël da
Costa was een historische persoon, maar ook een legendarische figuur. Op grond
van oncontroleerbare gegevens en betwistbare aanwijzingen, heeft men aan de
geëmigreerde koopman geschriften toegewezen, waarvan men heeft vastgesteld dat
een deel, de Propostas, zeker niet
van zijn hand is, en al de andere wellicht ook niet: de drie hoofdstukken bij
da Silva, het boek Exame en het Exemplar Humanae Vitae bij van Limborch.
Op even zwakke gronden heeft men hem geïdentificeerd met al dan niet verzonnen of
literaire personages die in conflict gekomen zijn met de joodse gemeenten en
geëxcommuniceerd zijn. En ten slotte heeft men hem een spectaculaire zelfdoding
toegeschreven.
Op grond van
al die veronderstellingen, overhaaste conclusies en fantasieën heeft men een
mythe gecreëerd die gretig is overgenomen en aangedikt in de Verlichting en de
Romantiek en die opgenomen is in de literatuur, het theater, de operette en de
schilderkunst, en zelfs in de geschiedenis van de filosofie. Die mythe wordt
tot op vandaag in leven gehouden, zowel in vulgariserende als in publicaties
die wetenschappelijke objectiviteit pretenderen.
Er is geen
enkel element in die legende dat niet door ten minste één ernstige onderzoeker
wordt betwijfeld of verworpen. Er is er niet één dat gebaseerd is op ernstige controleerbare
gegevens. De objectieve gegevens stemmen niet overeen met het verhaal dat er rond
geweven is, of zijn er niet relevant voor.
Kortom: de
legende van Uriël da Costa is te mooi om waar te zijn. Men heeft hem
herhaaldelijk vergeleken met Jezus van Nazareth; het is treffend dat wat over
hem geschreven is net zo betrouwbaar is als dat over Jezus, met dit verschil
dat we over Gabriël/Uriël tenminste weten dat hij werkelijk bestaan heeft.
PS Aan de
vertaling van het ‘testament’ wil ik nog wat verder schaven. Ze verschijnt hier
wanneer ik daarmee klaar ben. Een beknopte bibliografie verschijnt hier ook
eerstdaags.