Een boek met als titel: “Onze waarden? Welke toekomst voor
het humanisme?” uitgegeven bij de Universitaire Pers Antwerpen in een reeks die
Cogito heet, dat schept
verwachtingen.
Je moet echter ook de kleine lettertjes lezen, bijvoorbeeld
op de achterflap: “De Cogito-reeks bundelt de boeiendste gedachten van de
gastsprekers die door de Vrijzinnige Dienst aan de Universiteit Antwerpen
worden uitgenodigd.” Dan weet je dat het om de teksten van toespraken gaat, en
dat is een ander genre dan het essay, zoals zal blijken. Je moet dan ook niet
verwachten dat er een rode draad loopt door de verschillende bijdragen heen:
zij zijn immers vrij om te vertellen wat ze willen over een zo ruim onderwerp
als ‘waarden’ en ze hoeven hun teksten niet op elkaar af te stemmen. Dat is
goed om weten: het gaat niet om een gezamenlijke, gestructureerde, benadering
van een thema, waarbij de belangrijkste aspecten op een evenwichtige manier aan
bod komen.
De inleiding van Jurgen Slembrouck, de medewerker van de
Vrijzinnige Dienst aan de Universiteit Antwerpen die de lezingenreeks
organiseerde, brengt ons meteen in medias
res. Wij herinneren ons nog wel de heibel die er is geweest rond een van de
lezingen, die van Benno Barnard, die verstoord werd door ‘fundamentalistische
moslims’ van Sharia4Belgium. De
lezing werd omwille van de voortdurende onderbrekingen geannuleerd.

Meteen is de toon gezet. Dit is inderdaad geen bundel met
serene bijdragen over de waarden van het humanisme. Het kan geen toeval zijn
dat al de sprekers het hebben over de islam. Barnards lezing, waarvan we de
inhoud helaas niet kennen, droeg als titel: “Het islamdebat: Leve god, weg met
Allah!” In zijn inleiding heeft de redacteur het over “de idealen die ons
dierbaar zijn en die wezenlijk zijn voor onze ‘westerse’ samenleving”, maar hij
belicht die vooral vanuit de bedreigingen die uitgaan van de moslim-immigranten
hier bij ons en van de moslimlanden wereldwijd. Het is een eenzijdige benadering
die maar al te nadrukkelijk aanwezig is bij een bepaalde rabiate groep binnen de
georganiseerde vrijzinnigheid in Vlaanderen.
Dirk Verhofstadt heeft het over het atheïsme als basis voor
de moraal. Hij gebruikt de klassieke argumenten: het zijn de godsdiensten die
verantwoordelijk zijn voor het geweld in de wereld, kijk maar naar de
geschiedenis en naar wat er vandaag in de wereld gebeurt. Hij ziet ook een verband
tussen de wereldwijde schrijnende armoede en de prominente rol van de religie
in die streken. Religie is aan een opmars bezig, zo stelt hij vast. De idealen
van de Verlichting (in dit boek steeds verwarrend met kleine letter geschreven,
alsof het over straat- of huiskamerverlichting gaat) staan onder druk; men wil
het individueel zelfbeschikkingsrecht terugschroeven en alle macht weer aan de
religies geven. Nochtans hebben die geen poot om op te staan: zij baseren zich
op ‘vermeende heilige boeken’ (een pleonasme, als je het mij vraagt, want dat
iets heilig is, berust enkel op de mening van wie dat claimt, er zijn geen
‘echt’ heilige boeken), en ze houden geen rekening met de wetenschap.
Wat stelt hij daar tegenover? Vooreerst maakt hij zijn eigen
positie duidelijk: hij is geen atheïst pur
sang, de kwestie van het bestaan van God is voor hem “niet zo belangrijk.”
Het atheïsme, dat hij definieert als “de hypothese (sic) dat God niet bestaat” is voor hem wel de grondslag van de
moraal. Wij moeten er bij het opstellen van een moraal van uitgaan dat er geen
God is, anders loopt het fout. Of er een God is of niet, is niet ter zake. Dat
is geen agnosticisme, beweert hij, want het agnosticisme “laat het bestaan van
God in het midden.” Men kan dan soms gelovig zijn en soms niet. Vreemd. Is het
niet veeleer zo dat een agnost beweert dat men van God noch het bestaan noch
het niet-bestaan kan bewijzen, dat men er met andere woorden niets kan over
zeggen en dat het bestaan van God dus een irrelevante kwestie is?
Waarop moeten we ons dan wel baseren? Op de “kritisch
rationalistische wetenschappelijke methode”. Verhofstadt verwijt gelovigen en
totalitaire regimes dat ze “het persoonlijk geweten uitschakelen in naam van
een abstract en alomvattend plan, van absolute en onveranderlijke waarheden,
van blind en irrationeel geloof in het Beter-zijn-dan-de-Ander (…).” Hij stelt
zelf de retorische vraag of zijn methode niet in het zelfde bedje ziek is, en antwoordt
dus gedecideerd: neen! En waarom niet? Omdat we nu een ander (vermeend heilig?)
boek hebben: de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Meteen zien
we de zwakte van het argument: waarom zouden sommige mensen, individueel of
collectief, wel in staat zijn om tot absolute en universele waarheden te komen,
en andere niet?
Daarom gaat hij op zoek naar een “empirische” grond voor zijn
universele waarden en hij komt uit bij dit basisgegeven: “elk levend wezen
verzet zich tegen het onvrijwillig ondergaan van pijn.” Dat zal wel niemand
betwisten, maar hoe kan dat de basis zijn voor een universele menselijke moraal? Wij vernemen geen details.
Waar het blijkbaar om gaat in die ethiek, is dat we niemand pijn berokkenen
tegen zijn of haar wil. Dat lijkt wel erg mager, en ook erg idealistisch. Zelfs
als we het goed bedoelen, hebben onze daden ook negatieve gevolgen. Niets is
absoluut goed, of slecht. En alleen maar geen ‘kwaad’ doen is nog niet
hetzelfde als ‘goed’ doen. Wat Verhofstadt hier voorstelt is een universeel of
kosmopolitisch burgerschap, waarin iedereen alle anderen absoluut respecteert.
Tja…
In de laatste paragrafen pleit Verhofstadt vervolgens voor
een neutrale overheid. Scheiding van kerk en staat, verwijderen van alle
verwijzingen naar godsdienst uit de publieke sfeer en uit de opvoeding
enzovoort. “Het is nu aan de mens om vanuit de rede onschendbare wetten in
stenen tafelen te beitelen. (…) Geen Thora, geen Bijbel en geen Koran dus, maar
een consequent doorgetrokken Kritiek van
de zuivere rede.”
Alsof er één “kritisch rationalistische wetenschappelijke
methode” zou zijn waarover iedereen het eens is. Alsof de “zuivere rede” een
ideaal zou zijn dat zelfs maar enigszins benaderbaar zou zijn. Alsof de zeven
miljard mensen van vandaag aan de hand van die “kosmopolitische ethiek” plots
volmaakte universele medeburgers zouden worden. Ik deel dat onverholen
optimisme niet over de menselijke redelijkheid. Het volstaat trouwens, ironisch
genoeg, om de volgende bijdrage in het boek te lezen, waar het hier zo geprezen
kosmopolitisme op grond van de rede wordt verketterd als de oorzaak van alle
kwaad.
Die bijdrage van Wim van Rooy, onder de titel Links en verlichting, heeft een heel
andere stijl. Ik kende de auteur niet en viel zowat van mijn stoel vanaf de
eerste regels. Het is een bombardement van namen en titels, bon mots in alle
mogelijke talen, modieuze slogans en slagwoorden, erudiete verwijzingen en
allusies, woordspelingen, en van alle retorische wendingen en stijlfiguren die
je maar kan bedenken, en zelfs enkele onvoorstelbare. Ook inhoudelijk is het
een niet aflatende tirade, een catilinarische rede, een filippica tegen al wat
links intellectueel is, of groen, pro-Palestijns, anti-Joods, multicultureel,
of moslim. Ik ga er niet veel woorden aan vuil maken. In een volgende bijdrage zegt
een collega dat deze man “zijn pen in vitriool heeft gedrenkt.” Dat is zeker
zo, en dat maakt zijn bijdrage ongenietbaar. Maar veel erger is de agressieve
eenzijdigheid. Ik geef één voorbeeld. Herhaaldelijk zegt de auteur dat de islam
al 1400 jaar de wetenschap bestrijdt. Het valt echter niet te ontkennen dat het
precies in die moslimwereld is dat bijvoorbeeld de Grieks-Romeinse cultuur is
bewaard gebleven, terwijl ze in het Westen zelf volledig ten onder was gegaan.
Maar dat is een detail van de geschiedenis, blijkbaar, zoals er wel meer zijn
die in deze tirade weggemoffeld worden tussen de banbliksems. Maar genoeg
daarover.
Helaas worden wij van de volgende bijdrage, die nochtans
zeer verschillend is, niet vrolijker. Ronald Commers heeft het over
“Tolerantie, omdat er grenzen zijn. Enkele ethische reflecties bij het
multiculturaliteits- en islamdebat.” We beginnen met een lang citaat, in het
Duits, van de meest bekende tekst van Karl Marx, juist, die over de godsdienst
als de opium van het volk. Van daar gaan we naadloos over naar de actualiteit:
de discussies over het dragen van de hoofddoek door de leerlingen van het
“beroemde” Koninklijk Atheneum in Antwerpen in 2009. De auteur citeert
uitvoerig uit zijn opiniestuk dat hij naar De
Standaard stuurde (maar dat de redactie wijselijk niet publiceerde). Vervolgens
krijgen we nog meer citaten uit eigen werk, gestoffeerd met lange voetnoten, en
zo kabbelt het betoog van de auteur verder, zonder enig duidelijk doel,
alluderend op allerlei vetes en verdachtmakingen en zelf ook niet vies van
vegen uit de pan voor collegae die van mening verschillen. Wij krijgen
verwijzingen voorgeschoteld naar vooral Duitse publicaties uit de negentiende
en vroeg twintigste eeuw, over kwesties die wellicht van groot belang zijn,
maar zonder dat wij in de gelegenheid gesteld worden om zelfs maar te vermoeden
waarover ze gaan. Maar één zaak is duidelijk: Commers houdt niet van de Koran,
van de islam of van moslims. Dat is zijn zaak, natuurlijk. Maar of wij iets
hebben aan zijn ontboezemingen?
Magda Michielsens is de volgende die zich uitspreekt in het
debat, zij het aanvankelijk aarzelend. Ze zegt het met een haiku:
Ik, vol ongeloof,
kijk vrijzinnig om me
heen:
zwijgen of spreken?
Dat is de kapstok waaraan ze haar tekst ophangt. Ze spreekt
over zichzelf, over haar ongelovige opvoeding en overtuiging, over het
christendom als een bepalend cultuurelement, over het terrorisme en de
onverdraagzaamheid van de islam en de godsdiensten in het algemeen… Ze heeft
het over wat zij belangrijk vindt, zoals de scheiding van kerk en staat, de
georganiseerde rationaliteit (sic),
de “georganiseerde strijd tegen stupiditeit, zeker wanneer deze als principe
optreedt.” Enzovoort. Tot slot heeft ze het ook over het hoofddoekendebat, wat
had je gedacht, en ze is ertegen: “Hoofddoeken horen niet thuis in een onderwijssituatie.”
Waarom? Omdat men zo bezig is “terrein te veroveren voor een politieke zaak
waar zij (de moslima’s) achter staan… ze zijn continu bezig de ruimte voor de
islam uit te breiden.”
Raymonda Verdyck is sinds 2009 afgevaardigd bestuurder van
het GO! onderwijs van de Vlaamse gemeenschap. Zij brengt een ietwat tamme tekst
over dat onderwijs, aan de hand van officiële teksten en programmaverklaringen.
Het klinkt allemaal heel braaf en idealistisch, maar het heeft weinig van doen
met de harde werkelijkheid die zich in het gemeenschapsonderwijs afspeelt. En
neen, hoofddoeken zijn niet welkom in het GO! Om strikt pedagogische redenen
natuurlijk.
Floris van den Berg is de vreemde eend in de bijt. Hij heeft
het zich gemakkelijk gemaakt. Hij heeft een tekstje afgeleverd waarin hij
reclame maakt voor een van zijn boeken, en heeft zelfs niet de moeite genomen
om de tekst aan te passen voor de gelegenheid. “In dit boek…” Ook de redacteur
heeft niet ingegrepen. Wat er overblijft heeft veel weg van een sessie in een
van de vele seminaries waarmee bedrijven hun werknemers teisteren, inclusief
het obligate rollenspel. “Beeld je eens in dat je een koe bent.” Enzovoort. Als
hij af en toe probeert ernstig te zijn, gaat hij flink de mist in. Tolerantie:
ja hoor, maar met mate! “Tolerantie voor intolerantie (behalve als vrije
expressie) is intolerabel.” Of dit: “De essentie van het project van de
verlichting is om te trachten met er met elkaar het beste van te maken door
zelf na te denken.” (sic) Dat geloof
in het zelf nadenken heeft deze auteur gemeen met zijn collegae in dit boek.
“Kritisch denken en het individu als ijkpunt van de moraal zijn de twee
kernwaarden van de verlichting.” Alsof elk individu op zijn eentje plots tot
een ‘verlichting’ zou kunnen komen als het maar lang en hard genoeg individueel
nadenkt, en dan meteen ook een volmaakt wezen zou zijn. Alsof er geen maatschappij
is waarin wij allen moeten samenleven. “Het uitgangspunt is het vermogen tot
lijden.” Dat lijkt sterk op de grond van de moraal volgens Verhofstadt. Ook
hier gaat het om het vermijden van het lijden, veeleer dan over de hoop die wij
allen koesteren op een beter leven. “Het grootste morele probleem van Nederland
en België - de bio-industrie – is eenvoudig op te lossen…” O ja? En is dat werkelijk
ons grootste morele probleem?
Helemaal lachwekkend wordt het als de auteur ons een
gedachte-experiment voorhoudt, waarbij we zelf de wereld mogen ontwerpen, maar
niet weten welke plaats we in die wereld zullen innemen. Dat zal ervoor zorgen
dat we voor alle (levende) wezens optimale omstandigheden zullen creëren. Zo
komen we terecht in het zelfde optimistisch idealisme van Verhofstadt: met
enige moeite (en veel individueel nadenken) kunnen we een perfecte wereld
creëren voor iedereen. Dat we daar nog niet aan gedacht hebben!
Niet dus. Dit boek wordt geteisterd door vele problemen. Ik
heb er al enkele aangehaald en besluit met dit allesdoordringend probleem: deze
auteurs geven niet de indruk dat ze weten wat het probleem is. Het is niet de
islam, niet het katholicisme, het jodendom of welke godsdienst dan ook (en ook
niet de bio-industrie). Het gaat om het samenleven van zeven miljard mensen, en
dat geeft onvermijdelijk aanleiding tot conflicten, want wij denken niet alleen
(af en toe) na, wij hebben ook gevoelens en wij laten ons meestal daardoor
leiden. Elke oplossing, groot of klein, zal daarmee rekening moeten houden. In
dit boek is er nergens sprake van menselijke gevoelens. Jammer.
Met een boutade zou je kunnen stellen dat de beste lezing
van deze reeks al bij al nog die was van Benno Barnard…