De economie is veel te ingewikkeld geworden dan dat jij en
ik ze nog zouden kunnen begrijpen. Maar laten we toch eens proberen om enkele basisprincipes
te onderzoeken.
Wanneer wij in de supermarkten en shopping centers
rondlopen, worden we overstelpt door de veelheid en verscheidenheid van het
aanbod. Voor elk product, ook voor de basisvoorzieningen, hebben we een zeer
ruime keuze, met verschillende prijzen en kwaliteiten. Dan vragen we ons wel
eens af: moet dat nou? Heeft dat zin?
Maar wat willen we dan? In feite dit: dat er één soort is,
van een behoorlijke kwaliteit, in een handige verpakking, voor een redelijke
prijs. Dat zou ons de moeite van het vergelijken besparen. Het zou ook veel
gemakkelijker zijn voor de producent en de verkopers. Iedereen tevreden dus.
Waarom dan niet? Waarom al die verschillende prijzen, formaten, verpakkingen,
soorten en kwaliteiten?
Laten we eens veronderstellen dat we van alles één model
zouden hebben. Boter, melk, mineraalwater, aardappelen, pasta, kip, confituur,
noem maar op. Maar dan moet er een instantie zijn die dat allemaal regelt, de
staat bijvoorbeeld. Die gaat dan bepalen aan welke vereisten elk product moet
voldoen en zal ook de prijs bepalen en zorgen dat er voldoende voorraad is, en
geen overschotten. Prima! Een hele vereenvoudiging. Geen reclame meer, geen
bonnetjes, geen promoties; blindelings aankopen zonder aarzelen of vergelijken…
Waarom niet?
Omdat er in een dergelijk systeem van alles kan verkeerd
gaan. De staat heeft dan alles in handen, bepaalt alles, van hoog tot laag, van
het begin tot het einde. Iedereen werkt dan in dienst van de staat. Ook daar
gaat het er heel rationeel aan toe: iedereen krijgt hetzelfde werk en hetzelfde
loon, met aanpassingen aan de elementaire behoeften: een gezin met kinderen
krijgt meer loon naargelang het aantal kinderen en een ruimere woning. Maar een
arts krijgt geen hoger loon dan een vuilnisman. Waarom ook? Iedereen werkt toch
om te werken, niet om geld te verdienen, dat krijgt men zo, genoeg om alles te
kopen wat men nodig heeft en de rest is gratis. Iedereen gelijk.
Wij hebben gezien dat men dergelijke experimenten heeft
uitgeprobeerd, op grote en kleinere schaal. Denk aan het communisme, in
Rusland, Cuba, Vietnam, Cambodja, Noord-Korea, Albanië, Oost-Duitsland…
Waarom is het telkens mislukt, niet een klein beetje, maar
faliekant en dramatisch?
Blijkbaar voelt een mens zich niet goed in een dergelijk
systeem. Let wel, er zijn heel positieve aspecten aan. Als alles in principe
voor iedereen toegankelijk is, zoals onderwijs, ziekenzorg, kunst en cultuur,
maar ook huisvesting, voedsel, drank, kledij… dan is dat in principe
fantastisch, natuurlijk. In principe. Want alles hangt af van de
beschikbaarheid van ‘alles’, en van de kwaliteit van ‘alles’. En daar loopt het
goed fout.
De staat, dat is een log mechanisme, waar eenvoudige mensen
zoals jij en ik belangrijke beslissingen moeten nemen met enorme gevolgen,
aangezien het telkens gaat om basisvoorzieningen voor de hele bevolking. Als er
iets mis gaat in het complexe proces, dan is er niets om op terug te vallen.
Als die ene fabriek die toiletpapier maakt op een dag afbrandt, dan is er geen
toiletpapier, bij manier van spreken. Als de fabriek die velgen maakt voor
fietsen niet goed afgesproken heeft met de fabriek die de banden maakt, dan
zitten we met een probleem. Als de oogst mislukt, en oogsten mislukken al eens,
dan is er hongersnood. Enzovoort.
Gevolg: er is voortdurend van alles te kort en teveel, en de
onderdelen passen niet op elkaar.
Er is ook een probleem met de kwaliteit. Een basisproduct is
precies dat, en niets meer. Ergens beslist iemand over de kwaliteit van het
toiletpapier, en dat is dat: iedereen heeft dat toiletpapier. Niet het best
mogelijke, maar een goed gemiddelde. Maar de fabriek die het moet maken is ook
maar van een gemiddelde kwaliteit. En de mensen die er werken ook. Er is geen
enkele reden waarom ze harder zouden werken, of zorgvuldiger. Ze hoeven niet na
te denken over het productieproces, over de verbetering van het product: alles
is voor hen beslist van hogerhand. Gaat het verkeerd? Het is niet hun schuld,
maar die van de overheid, en die moet het dan maar oplossen. Bij gelegenheid.
Maar die overheid bestaat ook uit een goed gemiddelde, en ook zij hebben geen
enkele reden om harder of beter te werken. Er is ook niets aan verdiend, voor
niemand: je wordt niet beter betaald als je harder of beter werkt: iedereen
gelijk, weet je wel?
We hebben het zien gebeuren: wat in principe een
arbeidersparadijs moest worden, werd een hel. Al wat kon verkeerd gaan, deed
dat ook, en hoe. De mensen die moesten beslissen waren onbekwaam in het beste geval,
en sadistische megalomane én onbekwame dictators in het slechtste geval, wat
dan ook nog het vaakst voorkwam, en niet toevallig natuurlijk. Wanneer niet de
beste mensen aan bod komen, zijn het uiteindelijk de slechtste, de minst
scrupuleuze, de meest machtsgeile, de meest onbeschaamde en onbeschofte.
Er is ook een ander systeem, dat spontaan ontstaan is en
elke dag nog spontaan ontstaat. Er is blijkbaar behoefte aan toiletpapier.
Tussen haakjes: dat is een recente behoefte, zelfs bij ons; ik herinner me
levendig dat wij het als kinderen zonder deden en ons moesten behelpen met het
papier van kranten en tijdschriften. In grote delen van de wereld is dat nog zo.
Maar goed, hier bij ons is er dus nood aan toiletpapier; als het er plots niet
meer zou zijn, dan was dat een echte crisis. En dus zijn er mensen die daarop
inspelen. Ze maken toiletpapier en verkopen dat. Het beste toiletpapier zal ook
het meest succes hebben, als het ten minste betaalbaar is. En wat is het beste
toiletpapier? De meningen zijn verdeeld… En dus zal men verschillende soorten
maken, voor elk wat wils. Ook een ‘goed gemiddelde’, met een goede
prijs-kwaliteitverhouding. Voor hetzelfde geld kan men roze, blauw en groen
papier maken, dus waarom niet? En in een aantrekkelijke verpakking, en in
verschillende hoeveelheden enzovoort, bekijk het aanbod eens. Als er teveel
geproduceerd wordt, zal de producent met overschotten zitten, en dus de
productie afbouwen, tot men weer verkoopt. Als er tekorten zijn, zal een andere
producent inspringen. En beginnende producenten zullen proberen om de markt te
veroveren met een nieuw concept, of een goedkoper product, dat even goed is of
nog beter, dank zij een beter productieproces, een modernere fabriek, betere
knowhow, beter opgeleid personeel, of beter betaald personeel, dat dan harder
en beter gaat werken…
Je ziet het zo gebeuren: men zoekt naar de beste manier om
het beste product te maken en het ook te verkopen. En de klant is koning: hij
of zij koopt je product, of net niet. De klant is veeleisend, want hij en zij
kan kiezen. Dat is de markteconomie, en die is niet aangestuurd door
bureaucraten van de staat, maar door de economie zelf: vraag en aanbod. Dat is
de motor voor een spectaculaire verbetering van de levensomstandigheden in e
laatste tienduizend jaar. Iedereen zoekt zijn eigen voordeel, maakt zijn eigen
compromissen, gaat zich te buiten aan dwaze uitgaven, of stelt zich tevreden
met ‘een goed gemiddelde’, of doet helemaal niet mee aan sommige gekten.
Neem nou kattenvoer. Toen ik jong was, was er geen kattenvoer,
en toch waren er katten, en ik heb niet de indruk dat er nu meer katten zijn
dan toen. Maar in de supermarkt zijn er nu hele afdelingen met niets dan
kattenvoer, in een ongelooflijk aanbod van soorten en kwaliteiten, en van alle
prijzen. Wij hebben geen kat, maar toch (of precies daarom) ergeren wij ons aan
dat enorme aanbod. Is dat terecht?
Het hangt ervan af. Vanuit een economisch standpunt is er
niets mis met kattenvoer, noch met het enorme aanbod. Op een dag is er een gewiekste
kerel of dame geweest die dat gat in de markt gezien heeft en die het eerste
kattenvoer heeft aangeboden. En dan was er een andere die beter voer, of
goedkoper aanbood. En een die hetzelfde voer goedkoper kon produceren.
Enzovoort. En dan de reclame nog, en voor je het weet, staat er meer kattenvoer
in de winkel dan babyvoedsel.
Een schande? Niet vanuit economisch standpunt. Daar is alles
wat verkoopt ook goed. Moreel gezien dan? Niemand is verplicht kattenvoer te
kopen. Als wij het kopen, dan is dat omdat wij dat willen, omdat we denken dat wij
er goed aan doen, voor onszelf en voor onze katten.
Waarom zijn zoveel mensen dan toch geschandaliseerd door al
dat kattenvoer?
In onze economie produceren we wel meer overbodige zaken.
Neem nu vuurwerk. Dat is er altijd al geweest, ik herinner me fantastisch
vuurwerk op de laatste dag van de jaarlijkse kermis, dan kwam de hele stad
kijken, met veel oooh en aaah’s, vooral bij de apotheose, den bloemekee, zoals
wij zeiden, een volksetymologie voor het Franse ‘bouquet’. In een
speelgoedwinkeltje kon je ook voetzoekers kopen, maar die hadden maar weinig
succes, het was meer een kwajongensstreek, en er waren meer aantrekkelijke
zaken om je geringe zakgeld aan te verdoen, zoals snoep…
Met Nieuwjaar was het een pandemonium van vuurwerk, van in
de vroege avond tot lang na middernacht, iedereen leek eraan mee te doen. Geef
toe: het is nergens voor nodig, het is pure geldverspilling. En toch doen we
het. We gaan ook op reis, we drinken cava, champagne en prosecco en wijn en
bier, we eten kaviaar en kreeft… We zijn wel heel ver van de gedwongen soberheid
van het communisme. We leven in luxe, weelde en overdaad.
Het is precies daar dat het schoentje wringt. Niemand wil
het communisme, dank je wel, zelfs de socialisten willen dat niet (al is het
wel de grond van hun ideologie, dus toch maar uitkijken…). Maar er zijn wel
meer en meer mensen die vinden dat het een beetje de spuigaten uitloopt met het
ongebreideld aanbod. Maar ligt het probleem bij het aanbod? Als iemand een
product aanbiedt dat niemand wil, dan zal dat niet lang duren. Dus moeten we
ervan uitgaan dat als iets succesvol is, het ook aan een behoefte, een nood of
een verlangen beantwoordt.
Het grootste deel van mijn leven heb ik zonder GSM of
mobieltje doorgebracht en ook nu nog gebruik ik het toestel dat ik heb zo goed
als nooit, de rekeningen die ik krijg, zijn meestal 0 euro, en nooit boven de 1
euro per maand. Maar de markt voor die toestellen en voor het gebruik ervan is
wel spectaculair. Miljarden mensen bellen elkaar dag en nacht en sturen elkaar voortdurend
boodschappen. Het toestel heeft dus een behoefte gecreëerd, zo lijkt het wel.
Ik weet het niet. Mij lijkt het veeleer zo te zijn dat het
toestel aan een verlangen beantwoordt, namelijk om te allen tijde met elkaar te
kunnen communiceren, onder alle omstandigheden, iets waartoe we niet in staat
zijn zonder technische hulpmiddelen. Het is dus een verbazingwekkende uitbreiding
van mogelijkheden die we vanzelf hebben. Aanvankelijk was dat zo duur dat enkel
professionele gebruikers zich daar voordeel konden mee doen. Door de
massaproductie en, inderdaad, de vrije markteconomie zijn de toestellen en de
diensten echter zo goedkoop geworden, dat niemand nog aarzelt om zich er eentje
aan te schaffen. Het is zo’n geringe investering dat men er niet meer bij
stilstaat. Het is een evident attribuut van de mens geworden. Zoals de auto, de
fiets, de tv, de computer, wapens, eetgerei, kleren, brillen, tand- en andere prothesen,
wc, centrale verwarming, microgolfoven, koelkast en diepvries enzovoort
enzovoort enzovoort.
En zo biedt onze wereld alles aan wat men maar kan bedenken.
Dat is het resultaat van de vrije markteconomie, of van het kapitalisme, het
systeem waarbij iedereen probeert om het zo goed mogelijk te hebben, op welke
manier dan ook en met welke middelen dan ook. De prijs van een product wordt
niet bepaald vanuit morele overwegingen, maar vanuit economische. Niet de
overheid bepaalt het aanbod of de prijs, maar de economie, met andere woorden,
wijzelf. Wij maken zelf onze wereld, door de keuzes die wij maken. Dat we daarbij
beïnvloed zijn door het aanbod en door onze omgeving, dat is nogal wiedes. Maar
uiteindelijk bepalen wij zelf wat wij met dat aanbod doen: het aanvaarden en er
de prijs voor betalen, of niet.
Als we dus verontwaardigd zijn over de excessen van onze maatschappij,
dan doen we er goed aan het alternatief te overwegen. Willen we het ook zonder
dat enorme aanbod doen? Met voor alles ‘een goed gemiddelde’? Met schaarste en
hongersnood, slechte kwaliteit, corruptie en sociaal misbruik, bureaucratische
onbekwaamheid, staatsinmenging in ons privéleven, lethargie en cliëntelisme? Zeg
niet dat ik overdrijf: we hebben het gezien en we zien het vandaag nog steeds
om ons heen.
Als ik moet kiezen, en het is een keuze waaraan niemand
ontsnapt, dan word ik verscheurd. Mijn moreel aanvoelen dwingt me om te dromen
van een Utopia waar iedereen gelijk is en vrede neemt met sobere voorzieningen
die ons in staat stellen om te overleven in vrede en in een innige vereniging
met elkaar en met de natuur. Maar de geschiedenis leert ons dat utopia letterlijk moet genomen worden:
oe-topia, nergens in het Grieks. Het arbeidersparadijs bestaat niet.
En dus blijft er enkel dat ander alternatief over: de
vrijemarkteconomie en het kapitalisme, met de excessen. Ik weet het: de staat
grijpt toch in, vooral om de excessen te vermijden. Maar de fundamentele keuze
moet toch gemaakt worden: vrijheid of staatsdirigisme, daarover gaat het
uiteindelijk. En nee, er is geen derde weg, geen gulden middenweg.
Wij kunnen misschien dromen van een pastorale idylle in het
hart van Afrika, maar daar is geen idylle, enkel The Heart of Darkness. Laten we ons geen illusies maken: de hele
wereld droomt ervan te leven zoals wij. Als men de mensen vrij laat kiezen, dan
kiezen wij voor onze moderne consumptiemaatschappij, met alles erop en eraan.
Als we dus nog eens de neiging voelen om te kankeren over
alles wat zo verfoeilijk, immoreel en onrechtvaardig, kortom zo onmenselijk is in
onze wereld, laten we dan bedenken dat de mens is zoals hij en zij is, en niet
zoals wij vinden dat ie moet zijn. Als we vrijheid willen, moeten we de
excessen erbij nemen, ze horen er net zo bij als de kerkers en de goelags bij
het communisme en de concentratiekampen bij het nationaal-socialisme.
Als ik moet kiezen, zei ik, dan is mijn keuze gauw gemaakt.
En als bij de volgende verkiezingen een of andere bevlogen moralist komt zeggen
dat de maatschappij dringend helemaal hervormd moet worden en dat hij een model
klaar heeft, dan weet ik meteen ook op wie ik niet moet stemmen.