Toen de kwestie van een terugkeer van de Joden naar hun historisch
vaderland concreet ter sprake kwam, al geruime tijd voor het einde van de
Tweede Wereldoorlog, stelde zich onvermijdelijk de vraag naar wat er moest
gebeuren met de bevolking die zich daar sinds de Diaspora gevestigd had. Wij
weten hoe dit probleem onopgelost is gebleven tot op de dag van vandaag, en dat
het oorzaak is van locale en internationale spanningen en van steeds weer
oplaaiende bloedige conflicten.
Martin Buber (Wenen, 8 februari 1878 – Jeruzalem, 13 juni
1965) was een zionist, dat wil zeggen dat hij pleitte voor die terugkeer naar het
land van de historische oorsprong van het Joodse volk; zijn opvattingen weken
echter in belangrijke mate af van wat men meer algemeen als het zionisme is
gaan interpreteren, omdat hij pleitte voor een gemeenschappelijke
Arabisch-Joodse staat. De beide bevolkingsgroepen zouden daarin gezamenlijk
deelnemen aan het bestuur van het land, zonder dat een van beide de andere zou
onderdrukken. Voor de Joden zou het volstaan dat zij hun religieuze eigenheid konden
belijden en dat ze konden leven in het land waar ze als volk ontstaan waren.
Zijn opvattingen hebben het niet gehaald. Wij kunnen ons
evenwel afvragen of dat is omdat ze niet haalbaar waren, dan wel omdat men zijn
wijze raad in de wind geslagen heeft en andere, even weinig haalbare ideeën
heeft verdedigd en die met geweld heeft proberen te realiseren, met de bekende
gevolgen. Was Bubers idee utopisch?
Het hangt ervan af wat men met utopisch bedoelt. Gewoonlijk
interpreteert men dat als dagdromen, verlangen naar iets dat niet realiseerbaar
is. Maar men kan het woord evengoed gebruiken om aan te geven dat iets nog niet
gerealiseerd is, dat het nog nergens voorkomt (oe-topos in het Grieks), maar dat het wel best mogelijk is en
wellicht zelfs de beste oplossing, wat in het Grieks eu-topos zou zijn, de goede plaats, de plaats waar alles volmaakt
goed is. Bij Thomas More is het beide: een gedroomd eiland waar alles
voorbeeldig is, als een spiegel voor een maatschappij waar heel wat dingen niet
zijn zoals ze zouden kunnen of moeten zijn.
Alles hangt natuurlijk af van de argumenten die men kan
aanvoeren ten gunste van die volmaakte(re) toestand. Wat is goed en wat niet?
Wat zijn de normen? En wie bepaalt wat juist en verkeerd is?
Mensen zijn altijd geneigd om hun eigen nut of voordeel na
te streven. Wie daarbij niet veel nadenkt, komt tot zeer primaire principes:
het belangrijkste voor een levend wezen is dat het zelf in leven blijft. Dat is
immers de basisvoorwaarde voor alle verdere discussies. Indien een regeling
meebrengt dat ik dood ga, is het heel moeilijk om dat als een goede oplossing
voor mij uit te leggen, zeg nu zelf.
Maar stel dat twee schipbreukelingen op een onbewoond eiland
aanspoelen en daar één brood vinden. Zowel de ene als de andere kan vanuit de
pure overlevingsdrang aanspraak maken op het hele brood. Om dat te bekomen, zal
het echter nodig zijn de andere te verhinderen zijn absolute aanspraak te laten
gelden. Er is dan slechts één oplossing: een gevecht tot de dood. Maar voor
beiden is ook het overleven essentieel. Dat kan, mits ze nadenken, leiden tot
een gesprek in plaats van een gevecht, met als waarschijnlijke uitkomst dat ze
het brood verdelen.
Dat is precies wat Buber voorstelde: een dialoog tussen de
beide partijen met het oog op het verdelen van de macht. Dat is ook wat wij in
onze moderne maatschappij als principe aanvaarden: iedereen heeft het recht op
leven en op nog een heel aantal fundamentele mensenrechten. Wanneer daarover
betwisting is, dan praten we met elkaar, veeleer dan te vechten. Komen we er
niet uit, dan leggen we de kwestie voor aan een hogere instantie, die we zelf
met dat doel hebben aangesteld. We leggen ons neer bij de logische beslissing die
geveld wordt, ook als die in ons nadeel is. Het alternatief is immers geweld,
en dan is het geen kwestie meer van wie gelijk heeft, maar van wie de
overwinning behaalt, met welke middelen dan ook.
Wij zien dat in heel wat gevallen mensen toch kiezen voor geweld.
Zij beroepen zich daarvoor op andere principes dan logisch nadenken of algemeen
aanvaarde rechtsgronden. In het geval van het zionisme zoals de Arabieren dat
interpreteren, hebben de Joden het alleenrecht op het hele gebied dat zij ooit in
zijn ruimste vorm als hun vaderland beschouwden, wat er nadien ook mee gebeurd
is. Dat heeft geleid tot het verdrijven met alle middelen, ook bruut geweld,
van de Palestijnen uit gebieden waarop de staat Israel aanspraak maakt. Er is
geen sprake van een dialoog, de aanspraken van Israel zijn onbespreekbaar, het
is een ‘heilig voorvaderlijk recht’. Maar dat is ook zo voor de Palestijnen,
natuurlijk. En aangezien geen van beiden zich wil neerleggen bij een arbitrage
door een internationale instantie (zoals de Verenigde Naties), of die
beslissingen naast zich neerleggen, en aangezien de hele wereld over die
kwestie hopeloos verdeeld blijft en men aan beide kampen wapens blijft leveren,
is de kans dat er ooit vrede komt zo goed als onbestaande.
Wij blijken als mensheid niet in staat om alle conflicten op
vreedzame wijze op te lossen. Daarvan zijn de voorbeelden legio, zowel tussen
staten als tussen personen. Elke dag stelt zich de vraag naar het samenleven
van zeven miljard mensen met elkaar. Hoewel het evident is dat dialoog en
verdeling de beste oplossing is in alle gevallen, zijn we daartoe in heel veel
gevallen niet bereid. We verkiezen dan oplossingen die, zoals we uit de
geschiedenis ten overvloede kunnen leren, voor beide partijen en voor heel veel
onschuldige anderen veel slechtere gevolgen hebben dan een verdeling in
dialoog.
Men zou daaruit kunnen afleiden dat wat Buber voorstelde,
namelijk het vreedzaam samenleven van twee, of meer, partijen in één land,
onmogelijk is. Als we dat wat ruimer zien dan het Palestijns-Israëlisch conflict,
zou dat betekenen dat het samenleven van diverse groepen in grotere verbanden onvermijdelijk
leidt tot onoplosbare conflicten. Dat is echter niet wat wij zien. De Verenigde
Staten van Amerika is zo’n groter verband, en sinds de Burgeroorlog van 1861-65
is daar niet meer gevochten tussen de staten onderling, terwijl de
tegenstellingen tussen die staten en de diverse bevolkingsgroepen zeer aanzienlijk
zijn, vaak niet minder aanzienlijk dan die tussen landen die met elkaar in een blijkbaar
onoplosbaar conflict gewikkeld zijn. Er zijn andere voorbeelden, op kleinere
schaal, van hetzelfde fenomeen. Anderzijds is het even onmiskenbaar dat
gemeenschappen, hetzij in hetzelfde land, hetzij in naburige landen, hetzij duizenden
kilometers van elkaar verwijderd, voor erfvijanden doorgaan, vaak zonder dat
men nog goed weet waarom.
Het gaat dan om historische situaties uit een ver of recent
verleden, om principes als nationaliteit, ras, huidskleur, sociale status,
rijkdom en, niet te vergeten, godsdienst. In het pas onafhankelijke India
konden moslims en hindoes het niet eens worden en dus heeft men het land
gesplitst en geprobeerd om twee religieus homogene landen te maken. Ierland was
katholiek, Engeland anglicaans en dus zijn er altijd al conflicten geweest
tussen die twee landen. We kunnen zo een hele rij van conflicten aflopen.
We hoeven echter niet verder te kijken dan België en
Nederland. Onze streken zijn opgedeeld in landen volgens allerlei principes,
zoals de taal, de godsdienst en de territoriale aanspraken van dictatoriale
vorsten. De spanningen zijn echter gebleven. Vlaanderen voelt zich verbonden
met Nederland, maar is ervan gescheiden door een niet zo heel lange
geschiedenis, dezelfde korte geschiedenis die ons verbindt met Wallonië,
waarvan we ons gescheiden weten door een taal, een cultuur, een economisch en
een politiek bestel.
De vraag is dan wat landen en volkeren bindt en wat hen
scheidt, en of dat enig belang heeft. Of het met andere woorden mogelijk is dat
verschillende mensen en verschillende groepen van mensen vreedzaam met elkaar
kunnen samenleven in een en hetzelfde land of, als we verder nadenken, in een
globale samenlevingsstructuur die uiteindelijk de hele wereld omvat.
Laten we klein beginnen. Vlaanderen noch Nederland kan men
onmogelijk als erg homogeen bestempelen. Er zijn grote verschillen op talloze
punten tussen de autochtone bewoners en er is een belangrijke, zij het regionaal
geconcentreerde aanwezigheid van allochtone inwoners, die ook onderling zeer
verscheiden zijn. Wij zijn gedoemd om samen te leven. Geen enkele politieke
partij pleit (nog) voor een terugkeer van alle allochtonen, maar zelfs als dat toch
mogelijk zou zijn, zou dat helemaal niet betekenen dat er een grotere
eensgezindheid zou ontstaan onder de autochtone bevolking.
Samenleven van op eindeloos veel punten zeer verschillende
mensen blijkt dus mogelijk te zijn zonder dat ze elkaar omwille van hun
verschillen de kop inslaan. Het is echter mijn stellige indruk dat dit enkel
mogelijk is wanneer er ofwel voldoende welvaart is om voor iedereen een vrij
hoog bestaansminimum te garanderen, ofwel ongeveer iedereen in hetzelfde
schuitje zit van uitzichtloze armoede. De discussies die men voert in Vlaanderen
beperken zich meestal tot niet-essentiële kwesties, zoals het recht van
moslimvrouwen om een hoofddoek te dragen in bepaalde omstandigheden. Er is eten
en drinken genoeg voor iedereen, we hoeven niet te vechten om te overleven,
gelukkig maar, er is genoeg voor iedereen. Die welvaart maakt het mogelijk dat
men zichzelf en de anderen ziet als individuen met eigen, verschillende
kenmerken, veeleer dan als identieke soortgenoten. Men voelt zich verwant men
anderen, maar men is zich evengoed bewust van de fundamentele verschillen.
Maar er zijn grenzen. Niet zozeer staats- of taalgrenzen,
maar grenzen aan de solidariteit. Wij hebben een beschaving uitgebouwd die
gebaseerd is op solidariteit, op samenwerking ten bate van iedereen. In
principe verwelkomen we iedereen die aan dat project loyaal wil meewerken. Ik
zeg wel: in principe, want er zijn grenzen, of drempels. Zo hebben wij het
moeilijk met immigranten die naar hier komen om te genieten van voordelen
waarvoor zij of hun voorouders niet gewerkt hebben. Zij zijn aangetrokken door
onze hoge levensstandaard, maar hebben die niet mee gerealiseerd. Dat is waar,
tot op zekere hoogte. Maar eens ze hier zijn, helpen ze mee de samenleving
maken tot wat ze is; als we eerlijk zijn, moeten we toegeven dat we het zonder
hen niet kunnen stellen. Je hoort nog heel zelden zeggen dat ze onze jobs komen
stelen, want de jobs die zij invullen, wil geen van ons nog doen.
De vraag is dan weer in welke mate wij (mogen) verlangen dat
zij zich aanpassen, en daarmee zijn we terug bij ons uitgangspunt: kunnen
mensen en groepen van mensen die onderling zeer verschillend zijn toch
vreedzaam samenleven?
Mensen hebben, zoals de meeste dieren, de natuurlijke neiging
om samen te leven, bij voorkeur met soortgenoten. Maar wat is een soortgenoot?
Ik voel me meer verwant met een Amerikaanse liberale atheïst dan met een extreemrechtse
Vlaamse christelijke fundamentalist. Voor mij is huidskleur een esthetische kwestie,
ik voel me veeleer aangetrokken tot kleurlingen allerhande dan dat hun huidsleur
mij zou afstoten. Idem voor exotisch klederdrachten of vreemde talen en
godsdienstige gebruiken. Dat zijn voor mij drempels die ik moeiteloos neem. Ik
heb het moeilijk met heel ander kwesties, en veel anderen met mij. Ik heb het
dan over de economische solidariteit en haar politieke invulling.
Wanneer een ‘vreemdeling’ zich aanbiedt in een gemeenschap
en daarin gelijkelijk deelt in de lasten en de lusten, zal uiteindelijk vrijwel
niemand daarom malen. Maar onze overlevingsdrang maakt ons uiterst gevoelig
voor bedriegers die profiteren, die het spel vals spelen, die veel meer uit het
systeem halen dan ze erin steken. Let wel, ik zeg niet dat vreemdelingen, of
vooral vreemdelingen dat doen. Dat is een kwestie die men met objectieve statistische
gegevens moet bekijken, en ik ben nog nooit overtuigd geweest door argumenten
in die richting. Het maakt voor ons niet uit wie of wat de profiteur is, maar
we verdragen ze slecht.
Wie als vreemdeling niet profiteert maar zich eerlijk inzet
voor de maatschappij, heeft het recht om zich voor het overige dezelfde
vrijheden te veroorloven die wij voor onszelf vanzelfsprekend vinden, binnen de
perken die wij ook onszelf opgelegd hebben en die wij in redelijke wetten
hebben vastgelegd, maar die wij zelf ook voortdurend overtreden.
Zolang het dragen van een hoofddoek niet bij wet verboden is
(en ik zie geen enkele reden om dat aan wie dan ook te verbieden), mag iedereen
die dat wil een hoofddoek dragen. Wij hebben het nogal gemakkelijk over de
moslims die hun vrouwen geen gelijke rechten zouden toekennen. Vraag gelijk
welke feministe eens of zij vindt dat wij dat in onze wetgeving of in de
praktijk dan wel doen. Of dat het christendom een lichtend voorbeeld van
verdraagzaamheid en gelijkberechtiging is.
Meer dan driehonderd miljoen Amerikanen, meer dan een half
miljard Europeanen, meer dan een miljard Indiërs, meer dan een miljard Chinezen
leven samen in politieke verbanden zonder elkaar uit te moorden. Minder dan
acht miljoen inwoners van Israel (75% joden, 20% Arabieren) slagen daar niet
in, evenmin als de dertig miljoen Irakezen.
Ik probeer tot een besluit te komen. Het is bewezen dat
mensen min of meer vreedzaam met elkaar kunnen samenleven in zelfs zeer grote
verbanden ondanks aanzienlijke verschillen op vrijwel alle belangrijke punten. Het
is even duidelijk dat men mensen die zich niet inzetten voor de maatschappij
waarin zij leven, zal stigmatiseren en uitsluiten, en wel in de mate dat zij
zich onttrekken aan hun verantwoordelijkheden, los van alle andere individuele
of collectieve kenmerken. Waar men mensen discrimineert om andere redenen dan
die maatschappelijke betrokkenheid, gebeurt dat steeds ten onrechte, op
niet-rationele gronden.
Toegepast op Vlaanderen wil dat zeggen dat wanneer de
Franssprekenden niet meer op een onaanvaardbare en provocerende manier zouden profiteren
van België, onze communautaire problemen meteen opgelost zijn.