Tweeling, tweelingen
Tweeling, tweelingen
Bij zoogdieren zijn meerlingen niet uitzonderlijk. Varkens hebben grote nesten, paarden niet. De mens is geen uitzondering, al is bij mensen een levende achtling wel uitzonderlijk. Sinds we inzicht hebben in het mechanisme van de bevruchting weten we dat tweelingen ontstaan door de bevruchting van twee gelijktijdig gesprongen eicellen, of door een vroege splitsing van een bevruchte eicel. De kans op tweelingzwangerschap is ongeveer 1 op 85, eeneiige zwangerschappen zijn zeldzamer, ongeveer 1 op 250, maar er zijn niet te verwaarlozen regionale en leeftijdsverschillen.
In het Nederlands noemen we een dergelijk kinderpaar een tweeling. Maar hoe noem je dan elk van die kinderen? Wat is de benaming voor één lid van een tweeling? Een tweeling. Dat is verwarrend. In het Engels is een tweeling in de zin van twee kinderen altijd meervoud: twins, het enkelvoud twin slaat op elk van beide: she has a twin betekent niet dat ze een tweeling heeft, maar dat ze een tweelingbroer of -zus heeft. Voor de andere betekenis zegt men: she has twins. Idem voor het Frans: jumeau — jumeaux.
Ook wij kennen het meervoud ‘tweelingen’, en we gebruiken het in dezelfde zin, dus ‘tweelingen’ voor beide kinderen, voor het kinderpaar, en ‘tweeling’ voor elk afzonderlijk. Je kan dus zeggen de tweelingen Jan en Piet, en ook de tweeling Jan. Dat is in feite het meest logische, maar dat is niet wat we meestal doen: tweeling heeft in het Nederlands heel sterk de betekenis van een samen geboren kinderpaar gekregen, en we gebruiken het niet gemakkelijk voor een van hen, en zo is ‘tweelingen’ in onbruik geraakt. Men zegt wel: het zijn tweelingen, maar veel minder: hij of zij heeft een tweeling (tenzij we bedoelen dat ze een tweeling gebaard heeft), maar vaker: hij of zij heeft een tweelingbroer of -zus. Het blijft dus enigszins verwarrend, en dat komt omdat tweeling inhoudelijk naar een meervoud, in dit geval een tweevoud verwijst, maar naar de vorm enkelvoudig is. Het achtervoegsel -ling wordt gebruikt om een persoon aan te duiden, zoals in vondeling, kleurling, kloosterling, nakomeling, beroerling, feesteling, loteling, oproerling, schipbreukeling, slappeling, smekeling, (ver)banneling, verstoteling, vormeling, wijdeling. Die woorden gebruikt men voor mannelijke personen, maar ze kunnen ook voor beide geslachten gelden, zeker in het meervoud; in het enkelvoud wordt er een eind -e aan toegevoegd: kloosterlinge.
Het achtervoegsel -ling is een nevenvorm van het oorspronkelijke achtervoegsel -ing, dat inderdaad een substantief maakt van het stamwoord waaraan het gehecht wordt: acht>achting, deel>deling, laad>lading, leen>lening, vervoeg>vervoeging enzovoort. Misschien is ‘ding’ wel het meest pregnante -ing woord: het staat voor elk substantief.
Grammaticaal is het woord ‘tweeling’ feitelijk enkelvoudig — er is immers het meervoud ‘tweelingen — en slaat het dus op één van beide. Maar hoewel dat nog steeds kan, is het (helaas, m.i.) ongebruikelijk geworden. Tweelinc als enkelvoud voor een lid van een kinderpaar is de oorspronkelijke betekenis, tweelingh verschijnt eeuwen later in onze taal als benaming voor een dergelijk kinderpaar.
Er is ook een sterrenbeeld Tweelingen, en dat geeft de oude, oorspronkelijke betekenis weer, dus een samen geboren kinderpaar, en niet twee dergelijke paren. Dat zijn de sterren Castor en Pollux, naar figuren uit de Grieks-Romeinse mythologie. Zoals wel vaker in de mythologie is het verhaal verre van duidelijk, maar ze waren ofwel tweelingbroers, verwekt door Zeus, en dan zijn ze de Dioscuren, letterlijk zonen van Zeus, ofwel tweelinghalfbroers, opeenvolgend verwekt, al dan niet eeneiig, bij dezelfde moeder Leda, maar alleen Pollux door Zeus, Castor daarentegen door de mens Tyndareüs (en zo broers of halfbroers van Helena en Clytaemnestra). Het sterrenbeeld heeft de wetenschappelijke naam Gemini, naar het Latijn geminus, dat tweevoudig, tweeling- en tweeling betekent. Het Franse jumeau/x is daarvan afgeleid. Misschien is geminus wel enigszins verwant met de semitische stam tom?
In de Semitische talen is de benaming voor tweeling inderdaad iets als tom en dat werd spontaan ook een roep- of voornaam, zelfs een familienaam. Een alom bekende Thomas is de christelijke apostel met die naam, maar het Nieuwe Testament is bijzonder karig met informatie over hem, zoals trouwens over de meeste apostelen; zelfs daarover was er geen duidelijkheid of eensgezindheid. Hij wordt daar ook vermeld als Didymus, maar dat is gewoon het Griekse woord voor tweeling: didumos, wat letterlijk tweedubbel betekent, van dis duo. Didymus is dus gewoon de Griekse vertaling van het Aramese Te’oma, in het Grieks Thomas. Hij wordt ook Judas genoemd, en waarschijnlijk was dat zijn echte naam; hij werd Thomas of Didymus genoemd om hem te onderscheiden van die andere, finaal infaam geworden Judas, die dan op zijn beurt ter onderscheiding van de andere Judas de toenaam Iskariot kreeg, naar zijn geboorteplaats Kerioth, waarschijnlijk.
Thomas werd en is nog altijd een veelgebruikte naam, maar de oorspronkelijke betekenis van tweeling is al lang volledig verloren gegaan. Een vrouwelijke vorm is Thomasina, en daarvan is de verkorte of vleivorm Tamsin afgeleid, en een vervorming van die ietwat vreemde en ongebruikelijke naam is Tasmin, wat beter van de tong rolt, en beide zijn vrouwelijke voornamen in het Engels, soms vervormd tot Tammy.
Tweelingen zijn van alle tijden. Ze blijven ons fascineren, niet zozeer omdat meervoudige geboorten nogal zeldzaam zijn, maar misschien veeleer omdat tweelingen, vooral heel gelijkende, de zogenaamde identieke tweelingen, doordat ze zo eender zijn, zo anders zijn dan afzonderlijk geboren individuen. Hoe individueel of uniek zijn eeneiige tweelingen, die identiek hetzelfde genetische materiaal hebben, en vaak grotendeels hetzelfde leven leiden, zeker in hun jeugd? Plato meende al dat wij levenslang op zoek zijn naar onze eigen wederhelft. Tweelingen leven samen met hun alter ego, in goede en in kwade dagen. Wie het niet zelf meemaakt, heeft allicht geen idee van wat dat betekent, maar het moet ongetwijfeld wel heel bijzonder zijn.

