Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld /span>
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug? Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Berichten van 1 oktober 2026 tot 31 oktober 2026

What's in a name?

What’s in a name? (Shakespeare, Romeo and Juliet)

Nominalisme, idealisme, realisme, materialisme…

Namen hebben niet echt belang: zoals Shakespeare zegt, zou de roos even lieflijk ruiken als ze een andere naam had, bijvoorbeeld meigui in het Chinees. Een appel is une pomme, een wolk a cloud. Maar hoewel de benamingen verschillen in de vele talen die er zijn, is er toch voor alles een naam, anders zou de wereld niet leefbaar zijn. In Genesis 2, 18-20 lezen we het al: ‘Jahwe God sprak: `Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past. Toen boetseerde Jahwe God uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht, en bracht die bij de mens, om te zien hoe hij ze noemen zou: zoals de mens ze zou noemen, zo zouden ze heten. De mens gaf dus namen aan al de tamme dieren en aan al de vogels van de lucht en aan al de wilde beesten; maar een hulp die bij hem paste vond de mens niet.’

Let wel: de mens geeft de dieren geen individuele naam, zoals mensen een eigennaam hebben; het gaat om soortnamen: aap, slang, arend, zwaluw. De benamingen die we gebruiken slaan dus op al de individuen van een soort. Maar wat is een soort? Het is een groep van individuen die een gemeenschappelijk kenmerk hebben. Dat kan een zeer algemeen kenmerk zijn, en dan is de soort heel uitgebreid en divers, bijvoorbeeld ‘levend wezen’. Of het kan een zeer specifiek kenmerk zijn, bijvoorbeeld ‘mens’, en uiteindelijk bedoelen we daarmee in de biologie dat het om een individu gaat dat zich met een menselijke soortgenoot kan voortplanten.

Een individu draagt zo verscheidene namen, gaande van de meest algemene tot de meest individuele, de eigen-naam: Karel D’huyvetters. Misschien is er in de loop van de geschiedenis nog een persoon geweest met die naam (al heb ik daar geen weet van, terwijl er ongetwijfeld talrijke Piet Janssens en Jan Peters geweest zijn), maar dan nog was dat numeriek een andere persoon. De kans dat al de atomen die die andere persoon vormden nu opnieuw samengekomen zouden zijn voor een tweede incarnatie, is vanishingly klein. Maar zelfs in dat onwaarschijnlijke geval zou het nog een andere persoon zijn die in andere omstandigheden leeft en dus anders is. Er zijn al enkele honderden miljarden mensen geweest, waarvan er nu meer dan acht miljard leven, en die zijn allemaal verschillend. En toch zijn het allemaal mensen. Er is dus een veelheid van verschillende individuen die allemaal dezelfde benaming hebben: mens, zij het in verschillende talen.

Wat er in feite bestaat op een gegeven moment, is een aantal individuele mensen. ‘De mens’ bestaat niet op dezelfde manier als Jan en Piet bestaan. Het is een naam. Die naam bestaat ook, als een klank die we voortbrengen en die we begrijpen, als een geschreven woord dat we herkennen, als een pictogram, een schilderij enzovoort, steeds onder een of andere materiële vorm. Die materiële vorm is echter zinloos indien er niemand is om die waar te nemen en juist te interpreteren. Als je niet weet wat meigui betekent, ben je niets met die zes letters. De materiële vorm is drager van een betekenis voor de waarnemer die op de hoogte is van de gemaakte afspraken.

De vraag is nu of die betekenis op zich bestaat. Dat lijkt evident, maar dat bestaan is dan toch anders dan het materiële bestaan van de drager van de betekenis. Het begrijpen van de betekenis is een kennende activiteit van een waarnemer. Dat is een materiële activiteit van de hersenen, maar dat elektrochemisch proces is op zich even betekenisloos als de inkt op het papier of de pixels op dit scherm. Enkel degene die denkt, begrijpt ook de gedachte. ‘Mens’ is een begrip. Begrippen bestaan en kunnen omschreven en gedefinieerd en gecommuniceerd worden. Maar hoe bestaan ze?

Filosofen hebben daarover veel nagedacht en geschreven. Sommigen menen dat enkel de individuen bestaan, bijvoorbeeld de mensen, en dat het begrip ‘mens’ louter een hersenspinsel is, een gedachteconstructie. Anderen menen dat juist die begrippen werkelijk bestaan, of een hogere, eeuwige vorm van bestaan uitmaken, terwijl de vergankelijke individuen slechts tijdelijke belichamingen zijn van die ideeën. Nominalisten (van het Latijn nomen, naam) menen dat begrippen, en dan vooral zeer algemene en abstracte begrippen, niet echt bestaan, het zijn slechts namen die wij bedenken. Er zijn veel zaken die wit zijn, maar ‘wit’ bestaat niet op zichzelf, het is steeds een eigenschap van iets dat wel bestaat. De volmaakte driehoek bestaat niet, alleen onvolmaakte driehoeken bestaan. De tegengestelde opvatting is dan een realisme over algemene en abstracte begrippen, en dat noemt men meestal een idealisme, omdat die denkrichting het werkelijk bestaan voorstaat van dergelijke ideeën.

Sommige filosofen menen dat dergelijke algemene en abstracte begrippen niet aangetroffen kunnen worden in de wereld waarin wij leven, maar eraan toegevoegd worden door het menselijk inzicht. Het zijn gedachteconstructies die weliswaar gebaseerd zijn op onze waarneming, maar daaraan iets toevoegen dat niet aanwezig is in de zaken zelf. Als een biljartbal een andere aanstoot, zien we die eerste bal als de oorzaak van de beweging van de tweede bal. Maar in de werkelijkheid is er alleen een opeenvolging van gebeurtenissen, een fysieke verplaatsing van voorwerpen. Oorzaak en gevolg zijn termen die wij gebruiken om die gebeurtenissen te beschrijven en te verklaren. Het begrip ‘oorzaak’ of ‘gevolg’ bestaat niet in de natuur, het is een menselijke creatie.

Dat is een heel abstracte manier van denken, die zeker enige inspanning vraagt, maar er zit wel iets in. Het begrip ‘mens’ is een veralgemening op basis van de kenmerken die we zien in alle individuen. Maar een mens die louter aan dat abstracte begrip beantwoordt, bestaat niet. Het is evident dat elke concrete mens veel meer is dan dat, en dat een concrete mens op een gans andere manier bestaat dan het abstracte begrip.

Wat moeten we ons immers voorstellen bij het algemene begrip ‘mens’? Om goed te zijn moet de definitie ervan ondubbelzinnig beschrijven wat ‘mens’ betekent, als onderscheiden van elk ander begrip, zoals ‘dier’ of ‘steen’. Men kan dan trachten een volledige opsomming te geven van al de eigenschappen die men in een unieke combinatie aantreft in de mens, terwijl sommige van die kenmerken ook in andere wezens kunnen voorkomen. Men zal daarbij die kenmerken weglaten die als niet-essentieel beschouwd worden voor het mens-zijn, bijvoorbeeld de grootte, het gewicht, de huidskleur (al was dat niet altijd zo…), de kleur en de vorm van de beharing en nog veel meer. Uiteindelijk zal blijken dat het heidens moeilijk is om de essentiële kenmerken vast te leggen: hoe algemener het begrip, hoe minder inhoud het heeft. Wat maakt de essentie uit van een mens? De onderlinge verschillen zijn zo groot dat het moeilijk wordt om zelfs maar één kenmerk te noemen dat uitsluitend op de mens van toepassing is. Bijvoorbeeld: men zou kunnen stellen dat het vermogen om te spreken typisch is voor de mens. Maar niet alle mensen kunnen spreken en zelfs als ze dat kunnen, is dat vermogen bij sommigen zo onbetekenend dat men het nauwelijks als een essentieel kenmerk kan beschouwen. In de biologie deelt men levende wezens in op grond van hun mogelijkheid om zich onder natuurlijke omstandigheden met elkaar voort te planten en daarbij vruchtbare nakomelingen voort te brengen. Dat is weliswaar een uiterst nuttige afbakening van een soort, maar het is geen erg zinvolle omschrijving van een mens: een mens is zoveel meer dan een wezen dat zich voortplant met zijn soortgenoten, en de definitie geldt ook voor alle andere levende wezens. Wanneer beschouwt men een levend wezen als een mens? Als het zich op natuurlijke wijze kan voortplanten met een ander levend wezen en vruchtbare nakomelingen voortbrengen. Er zijn echter heel wat niet-natuurlijke manieren van voortplanting onder de mensen, en anderzijds zijn er heel wat mensen die zich nog niet of niet meer kunnen voortplanten of dat niet willen of wensen: zijn dat dan geen mensen? Mijn partner suggereerde deze definitie: een mens is een wezen dat geboren wordt uit een mens. Dat is een prachtige en zeer bruikbare definitie, maar ze verlegt het probleem alleen maar: wanneer kunnen we zeggen dat iemand een mens is waaruit dan een andere mens kan geboren worden?

In feite zijn onze begrippen inderdaad veralgemeningen en omschrijvingen van de werkelijkheid in al haar verscheidenheid. Elk wezen, elk ding is uniek. Niet alleen is het ‘numeriek’ uniek, dat wil zeggen dat het in zijn bestaan uniek is: het bestaat op een bepaalde plaats en op een bepaald moment; het is ook uniek van vorm en samenstelling, er zijn geen twee werkelijk totaal identieke voorwerpen of wezens. Elke definitie die we zouden bedenken van ‘mens’ zou ontoereikend zijn om de uitzonderlijk rijke uniciteit van een bepaalde mens uit te drukken. Het is echter wel nuttig dat wij ons algemene begrippen vormen en daarover met elkaar in gesprek gaan om ze zo nauwkeurig mogelijk te omschrijven, maar ze zijn niet meer dan dat: omschrijvingen vanuit een bepaald oogpunt. Wanneer men bijvoorbeeld een universele verklaring van de rechten van de mens gaat opstellen, is het noodzakelijk dat men zo goed mogelijk bepaalt wat men bedoelt met ‘mens’, want van die omschrijving zal het afhangen of iemand zich op die universele rechten kan beroepen.

Toch is er iets dat wringt in die manier van denken. Het is niet omdat een begrip iets anders is dan een concreet bestaand individu dat een begrip niet zou bestaan. Er zijn evident verschillende manieren waarop iets kan bestaan, en dat begrippen bestaan, dat kan niemand betwisten. Maar er is meer. Begrippen zijn niet zomaar hersenspinsels of toevallige afspraken. Ze zijn gebaseerd op de waarneming, op herhaalde en nauwkeurige waarneming, op beredenering, overleg, bijsturing, nuancering, verificaties, twijfel, argumentering en discussie. Zeker, er zijn ook dwaze of gebrekkige ideeën. Maar het is niet omdat men eeuwenlang gedacht heeft dat de zon om de aarde draait, of dat de aarde plat is, dat dat ook zo is. Sommige ideeën zijn niet meer dan hersenspinsels, maar de meeste van onze ideeën zijn heel veel meer dan dat. Ze hebben een fundamentum in re, ze zijn gegrond op de werkelijkheid. Wat ze zeggen over die werkelijkheid is geen verzinsel, maar een redelijk accurate weergave van hoe de werkelijkheid werkelijk is. Een sprekend voorbeeld daarvan is onze technologische wereld. Voortgaand op een wetenschappelijke benadering en bevraging van de wereld zijn wij in staat om met de materialen die wij in de wereld aantreffen verbazingwekkende zaken te realiseren die zonder menselijke tussenkomst niet zouden kunnen gebeuren, of niet in die mate. Dat komt omdat wij niet zozeer met ons verstand iets toevoegen aan de werkelijkheid, maar de eigenschappen van het universum adequaat onderkennen. Oorzaak en gevolg is niet zomaar een arbitraire gedachteconstructie, het is een natuurwet, een vaste manier waarop de werkelijkheid bestaat. Wit is niet zomaar een woord, het is een afgesproken beschrijving van een definieerbare en meetbare eigenschap van het weerkaatste licht. En de definitie van een mens als ‘een levend wezen dat zich kan voortplanten met een andere mens’ is een concrete werkelijkheid, niet zomaar een waanidee. Zeker, alle wetmatigheden en begrippen die op inductieve wijze tot stand komen, dat wil zeggen louter door observatie, zijn tentatief en dus precair; het volstaat dat er een waarneming is die ervan afwijkt opdat de regel zou vervallen. Maar wij gaan ook deductief te werk, wij zijn in staat om op basis van bestaande vastgestelde wetmatigheden logische conclusies te trekken die geldig blijken te zijn. Als we sommige resultaten van de werktuigkunde en de elektronica bekijken, of de spectaculaire verwezenlijkingen van de architectuur, of de vele manieren om energie op te wekken, of de ruimtevaart, kunnen we niet anders dan besluiten dat onze wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid grotendeels klopt.

Dat kan men ook zeggen van begrippen als vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid, medemenselijkheid. Op basis van filosofisch onderbouwd redeneren kan men tot conclusies komen die niet zomaar afspraken zijn, maar die een grond hebben in de werkelijkheid. Het is werkelijk zo dat handelen volgens dergelijke principes bijdraagt tot de manier waarop de werkelijkheid, onze werkelijkheid, bestaat.

Onze begrippen bestaan dus niet alleen als abstracte ideeën die wij ons vormen, ze zijn tevens aanwezig in de werkelijkheid, ze zijn de begrijpelijke manier waarop de werkelijkheid is. Indien het universum chaotisch was, zouden we vruchteloos proberen te achterhalen hoe het ineen zit en wat ermee te doen valt. Dat is waarover Einstein zich blijvend verwonderde: dat het universum zich leent tot begrijpen, dat de natuurwetten uitgedrukt kunnen worden in logische en mathematische formules, dat er een wetenschappelijke manier is om over het universum te spreken, dat abstracte en universele begrippen wel degelijk bestaan en zeer bruikbaar en zelfs noodzakelijk zijn voor de mens en voor de samenleving.

Een nominalisme dat onze intellectuele verwezenlijkingen reduceert tot niet meer dan loze spielereien van het povere menselijke verstand is blind voor de noodzakelijkheid van de eeuwige natuurwetten. Een idealisme dat de werkelijkheid verguist en enkel heil ziet in een bovennatuurlijke wereld van abstracte begrippen is even blind voor de daadwerkelijke en ordelijke realiteit van het universum. Het universum is materieel reëel en het is niet chaotisch maar ten gronde begrijpelijk. Het menselijk verstand is wel degelijk bij machte om die noodzakelijke ordening ten minste gedeeltelijk te doorgronden door actief emotioneel en intuïtief aan te voelen en rationeel na te denken en daarnaar te handelen en een beschaving uit te bouwen waarin onze gedachten en begrippen als memen gebruikt en gekoesterd worden in het collectieve bewustzijn en geheugen, en veilig bewaard en overgeleverd worden op talloze materiële dragers.

 

 

Stuur door

Mening en misleiding

Mening en misleiding

Toegegeven, het is vandaag de dag niet simpel om het hoofd koel te houden, en de naald van het morele kompas stabiel. Iedereen heeft een mening en maakt gretig gebruik van de vrijheid die ons — vooralsnog — vergund is om die te uiten, zelfs op gewelddadige wijze. Opinies verdelen ons onverbiddelijk, ook als we dat niet willen, en dus zijn bepaalde onderwerpen, en niet de minst belangrijke, ongemakkelijke taboes in gesprekken onder collegae, kennissen, vrienden en familieleden.

Ik zal het daarom niet hebben over een of meer van die hete hangijzers; terzijde: de aloude uitdrukking verwijst naar het haardijzer waaraan potten opgehangen werden, of naar handijzers, gloeiende staven in gebruik bij de vuurproef, een vast onderdeel van de vroege ‘justitie’. Niet dat ik geen mening heb over bijvoorbeeld de Vlaamse, de Belgische, de Europese of zelfs de Amerikaanse begroting, over de Palestijnse of de Joodse kwestie, over woke, godsdiensten, onze hedendaagse rechtspraak, druggebruik of verkeersveiligheid, om slechts die te noemen; maar omdat het ventileren van mijn mening daarover slechts een onbeduidende stem zou zijn in het zo al dissonante koor, en zo alleen maar zou bijdragen tot het probleem, veeleer dan tot een oplossing, of zelfs maar tot een daling van de decibelpieken.

Wat me stilaan — op mijn tachtigste weliswaar — opvalt, is dat (sommige, vele, de meeste?) mensen blijkbaar behoefte hebben aan een Mening. Blijkbaar is het voor hen niet voldoende om meningen te hebben over verscheidene zaken: er moet één mening zijn die vooropstaat, één vlag waaronder men zich schaart, een zaak waarvoor men zich inzet. En niet zomaar een vlag of een zaak. Het moet om iets belangrijks gaan, nog het liefst om iets van levensbelang, voor onszelf en/of voor anderen. En anderen moeten zich ook daarvoor inzetten, het liefst veel anderen, en ook de media moeten ermee begaan zijn. Er moeten herkenbare tekenen zijn: vlaggen, sjaals, hesjes, kleren in een bepaalde kleur, buttons, pins… En slogans die men kan scanderen en op pancarten kan meedragen en op muren kan spuiten.

De inhoud van datgene waarvoor men zich inzet, is daarentegen van veel minder belang. Dat blijkt uit het feit dat er voor zaken zowel voor- als tegenstanders zijn. Het maakt ook niet veel uit of men tot een minder- of meerderheid behoort, hoewel het comfortabeler is als de minderheid niet al te klein is. Maar precies daar vindt men de meest fervente en rabiate aanhangers.

Men zou dus kunnen stellen dat de oorzaak van de polarisatie niet te vinden is in de tegengestelde meningen die men voorstaat, maar in de behoefte die (sommige, vele, de meeste?) mensen hebben om een mening te hebben en die ook te uiten.

Personen die nog nooit iemand met een andere huidskleur van nabij gezien hebben, laat staan ermee gesproken, hebben desondanks een meer uitgesproken mening over dergelijke personen. Personen die nooit in de file staan, laten niet na zich erover te beklagen. Mensen die werkelijk niets tekortkomen, spreken schande van sociale en/of witteboordenfraude. Ongehinderd door enige kennis van zaken spreekt men zich uit voor of tegen om het even welke aangelegenheid, hoe complex ook. Wij denken dat we gelijk hebben, dat we het beter weten, dat we ons voorbeeldig gezond verstand gebruiken, dat we voortgaan op ons gedegen inzicht en ons terechte individueel oordeel.

Het gevaar op misleiding is echter groot. Heel groot. Ik heb het gelukkig niet meegemaakt, maar ik moet vaak denken aan het nazisme in Duitsland. Heel veel gewone Duitse mensen waren toen blijkbaar overtuigd dat het nazisme het goed voorhad met hen en met het land, en zelfs met de hele wereld. Wij weten nu enigszins hoe het zo ver heeft kunnen komen: door de propaganda, de indoctrinatie, de intimidatie en het geweld van het overheidsapparaat. Ook vandaag nog gebeurt dat in tal van landen, en niet de geringste. De media, alle media, spelen een onvoorstelbaar grote rol in de opinievorming, zonder dat wij ons daarvan terdege bewust zijn. Wat wij weten, of menen te weten, wordt in feite grotendeels bepaald door anderen. Wij zijn met meer dan acht miljard mensen, en als je het globaal bekijkt, zijn we veeleer schapen in een kudde dan lone wolves. We lopen gemakkelijker pijpende rattenvangers achterna dan we tegen de stroom ingaan. We geloven zomaar dat er geen rook is zonder vuur (figuurlijk dan, natuurlijk). We trappen zonder veel aarzeling in de val van massahysterie of publieke verontwaardiging. We vertrouwen te veel op ons hooguit precair rechtvaardigheidsgevoel. We verwarren vermeend en vermoedelijk. We kiezen vlot voor de lectio facilior, het meest voor de hand liggende, datgene wat het best past in ons kraam. We nemen zelden de tijd en doen nauwelijks moeite om ernstige vragen te stellen bij wat men ons probeert wijs te maken, of om iets onbevooroordeeld van verscheidene kanten te bekijken, of stil te staan bij de complexiteit van kwesties, een complexiteit die onze intellectuele en emotionele mogelijkheden heel vaak ruimschoots overschrijdt.

Dat is nu eenmaal zo. Het is altijd zo geweest, en zal allicht altijd zo blijven. Het is des mensen; wij zullen het niet meteen kunnen oplossen. Onder die omstandigheden zouden we ten minste één conclusie moeten trekken: onze eigen mening, die overigens nauwelijks eigen genoemd kan worden, doet er al bij al niet erg veel toe, en het is zeker vermetel om op grond daarvan andere, even arbitraire meningen te verwerpen, laat staan ze te verbieden.

Dat betekent echter niet dat we die andere meningen niet kritisch mogen onderzoeken, op voorwaarde althans dat we bereid zijn om even kritisch te staan tegenover onze eigen mening. De waarheid ontspringt uit de botsing van ideeën, maar toch liever uit open dialoog.

Daarnaast horen we te beseffen dat we door ons al te krachtdadig te profileren en zelfs gewelddadig uiting te geven aan onze al dan niet terechte en eigen mening, anderen kunnen intimideren en provoceren. Het begint misschien met goedbedoelde symbolen, maar voor we het weten staan we tegenover elkaar op barricades, onder eigen vlag — of een geleende, maar met dezelfde dodelijke wapens.

En zo ver zou het nooit meer mogen komen. Echt niet.

Stuur door

Fagot

Fagot

Onlangs maakte ik kennis met iemand met een verrassende familienaam: Fagot. Voor een melomaan is dat weliswaar geen onbekende zaaknaam, maar als familienaam? Ik althans had er nog nooit van gehoord, en de naamdrager die ik ontmoette, gaf zelf ook aan dat het een ongebruikelijke naam was.

Op dat ogenblik deed zich iets voor dat voor mij evident is, maar blijkbaar niet voor iedereen. De spontane verwondering zet me onverwijld aan tot nadenken en opzoekingswerk. Ik wil meteen weten hoe de naam van een muziekinstrument ook als familienaam gebruikt wordt. Het is een hebbelijkheid geworden, een vaste gewoonte. Ik verwonder me over alles, ben uitermate nieuwsgierig, en zeer vasthoudend in het napluizen van informatie. (Zie daarover deze tekst over ‘the unexamined life’ https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/392-socrates-ironie )

Mijn hele leven lang heb ik daartoe materiaal verzameld, duizenden boeken, waaronder honderden encyclopedieën, woordenboeken en naslagwerken. Sinds we het internet hebben, en vooral sinds we ook zoekmachines hebben, en dan speciaal Google, zijn de mogelijkheden enorm uitgebreid. Met AI gaan we een stap verder, maar nu duiken er onverwachte caveats op. Zie mijn desbetreffende blogtekst: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/2720642-ai .

Er zijn — ten minste — twee mogelijke verklaringen.

Enerzijds is er de Franse uitleg, die vertrekt van het oud-Franse woord voor takkenbos: fagot, en dan is het een beroepsnaam, zoals D’huyvetters trouwens. De overgrote meerderheid van de Fagots komt inderdaad voor in Frankrijk: meer dan 4.000 geboorten met die naam in de 20ste eeuw. In België zijn er ongeveer 200 naamdragers.

Merkwaardig is anderzijds ten minste één geval van een andere uitleg, die ik met enige moeite vond via Google en ChatGPT.

“Amandus Fagot komt voor in de Brabantse genealogie. Lokale geschiedkundige publicaties (waaronder heemkundige bijdragen over de parochie Korbeek-Dijle en over vondelingen in de regio) beschrijven zijn dossier: Amandus werd op 3 februari 1814 als vondeling binnengebracht in Leuven. Zijn geboorteakte werd blijkbaar in het Frans opgesteld. Omdat zijn ouders onbekend waren, kreeg hij de speciaal door de ambtenaren bedachte achternaam Fagot. Het Leuvense armenbestuur (de Burgerlijke Godshuizen) heeft de vondeling vervolgens uitbesteed aan een gezin in Korbeek-Dijle, eerst bij de familie Berthels en later bij Ludovicus Pelgrims). Hij werd in het dorp "Mandus" genoemd. Op 30-jarige leeftijd is Amandus in Korbeek-Dijle getrouwd met Elisabeth Moris (ook geschreven als Maris). Hij is er in 1874 overleden.”

Terzijde: deze informatie kreeg ik van de AI van Google. Toen ik navraag deed of dat geen verzinsels waren, kreeg ik de gebruikelijke bekentenis en verontschuldiging. Maar in het antwoord stonden ook verwijzingen, en toen ik die nakeek, bleek die informatie toch te kloppen. Toen ik dat vervolgens voorlegde aan AI, kreeg ik weer de bekentenis en verontschuldiging: de vorige was verzonnen. En zo verder in aeternum? Als je om een retractie vraagt, krijg je er een, blijkbaar, wat de feiten ook zijn. Ach, AI…

Vondelingen hadden geen bekende ouders, en dus moest er een naam gegeven worden door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Dat mochten in principe geen bestaande namen zijn, om verwarring met concrete families te vermijden. Vandaar dat er ongebruikelijke familienamen gegeven werden, soms met verwijzing naar concrete omstandigheden, zoals Cloosterin voor een vondeling die bij een klooster werd achtergelaten, vaak bij de Zwarte of Grauwe Zusters; zo ook Van der Stoep, Poortman, Van de Kerke, Kerckhof, Steegmans, Brugman, Bankaert. Maar ook Eersteling (nieuwjaar), Zondag of een andere dag van de week, of van de maand, zoals November; De Winter, Kleine, Witrok, of Afschrift, naar de geboorteakte zelf.

Fagot past echter niet in die context, althans niet in het Nederlands, want het was niet gebruikelijk om vondelingen muzikale namen te geven (hoewel AI me dat probeerde wijs te maken, met een heel orkest aan verzonnen muzikale vondelingennamen, geordend per week naar koper- en houtblazers, strijkinstrumenten, slagwerk…; de verbeelding van AI is soms spectaculair en vermakelijk, maar daarom niet minder ergerlijk).

Wat wel voorkwam, is dat de ambtenaar een willekeurige naam haalde uit een Frans woordenboek — fagot voor takkenbos, misschien omdat het kind bij of onder een takkenbos was aangetroffen — of uit een lijst van Franse familienamen. In ons voorbeeld zijn we in 1814, en stond de administratie onder Franse invloed. Fagot was dan een goede keuze, aangezien die naam althans in Vlaanderen ongebruikelijk was in beide opzichten.

Heden ten dage kennen we fagot enkel nog als het muziekinstrument, en associëren we de familienaam Fagot dus spontaan daarmee, maar blijkbaar etymologisch ten onrechte, omdat we de oorspronkelijke betekenis niet meer kennen. Wellicht ligt die eerste betekenis nochtans aan de oorsprong van de naam van het best wel vreemde muziekinstrument. Dat bestaat immers uit een lange luchtpijp, in twee parallelle houten kokers die onderaan met elkaar verbonden zijn, samen 2,5 tot 2,8 meter lang. Via de Latijnse, Italiaanse en Franse woorden voor takkenbos zou zo het imposante en sonore instrument aan zijn naam kunnen zijn gekomen.

Over het zeer menselijke verschijnsel van kinderverlating in West-Europa, van de late oudheid tot de Renaissance, kan ik het uitzonderlijk rijk gedocumenteerde, wetenschappelijke maar tegelijk aangrijpende en onthutsende werk van John Boswell ten zeerste aanraden: The Kindness of Strangers (1988). Dat zou verplichte lectuur moeten zijn voor iedereen die inzicht wil in onze familierelaties en in ons menszijn tout court.

 

Stuur door

En andermaal kraaide de haan.

En andermaal kraaide de haan…

Het is nu niet echt het moment om uit te weiden over het passieverhaal van Jezus van Nazareth zoals dat in de vier evangelies staat. Onlangs viel mijn oog op een boek van Karlheinz Deschner in mijn bibliotheek, Abermals krähte der Hahn (1962). Ik wou mijn herinnering aan die perikoop, over Petrus die Jezus verloochent, even opfrissen aan de hand van de tekst zelf.

Het verhaal gaat als volgt.

Na het laatste avondmaal gaat Jezus met de leerlingen naar de berg van Olijven. Daar waarschuwt hij hen dat ze hem die nacht zullen verloochenen. Ze protesteren, en vooral Petrus verzekert hem dat hij althans hem nooit zal verloochenen. Jezus antwoordt hem dat hij hem deze nacht tot driemaal toe zal verloochenen nog voor er een haan kraait, bij Marcus voor de haan tweemaal kraait. (Mt 26:34; Mc 14:30; Lk 22:34; Joh 13:38). Het Griekse werkwoord dat daar gebruikt wordt, skandalizo, betekent letterlijk iemand een struikelblok (skandalon) in de weg leggen, doen struikelen; iemand tegen iets doen aanstoten, doen vallen, of afvallig doen worden, zoals hier door te loochenen; in het passief wordt dat dan: aan het struikelen of ten val gebracht worden door iemand. Jezus voorspelt dat hij een struikelblok, een steen des aanstoots zal worden voor zijn leerlingen, zodat ze hem verloochenen om hun eigen hachje te redden.

Later, wanneer Jezus gevangengehouden wordt door de hogepriester, houdt Petrus zich op in de binnenplaats, en ontkent daar tot driemaal toe dat hij iets te maken heeft met Jezus. En terstond kraaide een haan (tweemaal volgens Marcus). (Mt 26:69–75; Mc 14:66–72; Lk 22:54–62; Joh 18:15–18 + 18:25–27)

Er is echter heel wat aan te merken op de teksten. Bij Lucas en Johannes gebeurt de voorzegging al tijdens het laatste avondmaal, niet op de Olijfberg. Bij Marcus staat ‘voor de haan tweemaal kraait’; in de drie andere evangelies ‘voor een/de haan kraait’. Maar in enkele belangrijke manuscripten staat er ook bij Marcus geen ‘tweemaal’. Ik bedoel: als ze het er nog niet over eens kunnen worden hoeveel keer de haan moest kraaien… Er zijn nog talrijke andere discrepanties, onder meer in de volgorde waarin de teksten voorkomen, en in de bewoordingen. Zo vinden we enkel bij Lucas dat Jezus zich bij het hanengekraai omkeerde en Petrus aankeek, waarop Petrus zich de voorspelling herinnerde, en — al dan niet bitter — weende.

Het is precies over het kraaien van die haan dat ik het hier wil hebben.

Dat sprekende onderdeel van het passieverhaal hebben we altijd gelezen als een voorspelling die Jezus doet, namelijk dat zijn leerlingen zullen vluchten als de meester uitgeschakeld wordt, zoals in het citaat uit Zacharias (13, 7) over de herder en zijn schapen dat hij aanhaalt. En tevens dat ze hem allen zullen verloochenen, inzonderheid Petrus, tot driemaal toe, die hem nochtans verzekert dat hij nog liever zal sterven met hem dan hem te verloochenen. En Jezus voegt eraan toe: dat zal vandaag nog gebeuren, deze nacht nog, voor de haan kraait. Verderop lezen we dan het vervolg, waarin de voorspelling uitkomt: Petrus ontkent onder ede (Mt) en met vloeken en zweren (Mc) dat hij bij Jezus hoort of hem zelfs maar kent. En ‘aanstonds, of terstond, kraaide een haan’. Bij Marcus kraait er in sommige versies al een haan na zijn eerste ontkenning, en kraait die voor een tweede keer na zijn derde loochening.

Jezus voorspelde dus precies wat er zou gebeuren, tot in het kleinste detail: de verloochening, ondanks alle beloften van trouw, deze nacht nog, door Petrus tot driemaal toe, en het kraaien van de haan. Een profetische uitspraak die in vervulling gaat, en daarmee een bewijs van de goddelijke voorkennis van Jezus.

Maar is dat wel zo? Het citaat van Zacharias over de schapen die verstrooid worden als de herder er niet meer is, bewijst dat het geen heel vergezochte mogelijkheid is die hier voorspeld wordt. Elke leidinggevende weet dat men zich niet kan verlaten op de onvoorwaardelijke trouw van volgelingen. In de nood kent men zijn vrienden. Dat Petrus dat tot driemaal toe zou doen, lijkt te beantwoorden aan een vast literair patroon waarin driemaal herhalen een cliché geworden is. En dan het kraaien van de haan. In de tekst lijkt het wel alsof de haan daar in de buurt gewacht heeft om te kraaien tot Petrus Jezus verloochend heeft, zodat de voorspelling bewaarheid kan worden. In feite beginnen hanen —herhaaldelijk! — te kraaien bij dageraad (hoewel ook veel vroeger, in mijn ervaring), zeker in de literatuur, daarvan zijn talloze voorbeelden in teksten uit de oudheid, en nog meer daarna. Nog voor de haan kraait betekent hier dan niets meer dan: nog voor deze nacht voorbij is.

Waarom kraait hij tweemaal bij Marcus? Het is vooreerst niet eens zeker dat hij dat werkelijk doet. Het eerste gekraai ( Mc 14, 68) is op zijn minst tekstueel onzeker en betwist, en ook ‘voor een tweede maal’ (dis, iterum) komt in belangrijke manuscripten, zoals de gezaghebbende Codex Sinaiticus, niet eens voor bij Marcus (Mc 14, 72). Het maakt ook niet uit: als Jezus zegt dat er nog geen haan gekraaid zal hebben, eenmaal of tweemaal, voor Petrus hem driemaal zal verloochend hebben, bedoelt hij gewoon dat het zelfs heel binnenkort zal gebeuren, nog voor de nacht voorbij is. Wellicht is tweemaal kraaien gevormd naar analogie met driemaal verloochenen. In mijn eigen herinnering, dus voordat ik de teksten erop nasloeg, aarzelde ik tussen tweemaal en driemaal kraaien; andermaal betekent immers nogmaals, dus ook een derde keer, en niet noodzakelijk de tweede keer. Het gekraai heeft evenwel niets wonderlijks, dat is wat (literaire) hanen nu eenmaal doen bij het ochtendgloren, al zolang er hanen zijn, en mensen om het te horen — helaas, vaak: het kraaien van de haan kondigt in de literatuur ook het einde van een liefdesnacht aan, een signaal dat het tijd is voor de verboden geliefden om afscheid te nemen van elkaar.

We hebben hier te maken met een tekst die belangrijke verschillen vertoont in de vier versies van de evangelies, en die de literaire vorm heeft van een profetie door een meer dan menselijke persoon, en die letterlijk in vervulling gaat. Dergelijke voorspellingen zijn inderdaad een typische literaire kunstgreep die we vooral in religieuze teksten vinden: men vertrekt van een feit waarover weinig discussie kan zijn, bijvoorbeeld dat Petrus zich uit de slag trekt door te ontkennen dat hij een leerling van Jezus is wanneer die gevangengenomen is door de hogepriester. Daaraan laat men dan in de tekst een voorspelling voorafgaan van dat toekomstige feit, met een bijzonder teken om te bewijzen dat het wel degelijk een wonderlijke voorzegging is, in dit geval het kraaien van een haan. Het is een van de vele geslaagde literaire vondsten in het passieverhaal, zoals dat in de loop der tijd geweven is rond het lijden en de dood van de figuur van de gezalfde, in het Hebreeuws Messias, in het Grieks Christos. Verhalen over dergelijke figuren vinden we overal terug in de oudheid, met talrijke opvallende gelijkenissen, zowel in de Joodse Bijbel als in andere tradities uit het Midden-Oosten en Griekenland.

Ik zal niet ontkennen dat het passieverhaal op mij altijd al grote indruk heeft gemaakt. Tijdens mijn jeugd ben ik er talloze keren mee geconfronteerd op alle mogelijke manieren, en ook nadien heeft het in artistieke vorm, zoals de passies van Bach en anderen, nog lang gevoelige snaren geraakt. Maar stilaan heb ik ook daarvan afscheid genomen. De muziek van Bach wordt voor mij ontsierd door de melige toegevoegde teksten en door het verhaal zelf. De bewoordingen van de toegevoegde teksten zijn vaak ronduit ridicuul, en het verhaal spreekt me alleen nog aan als de tragische ondergang van een mens die valselijk beschuldigd wordt, zonder enige religieuze context van verlossing, opstanding, eeuwig leven, goddelijkheid of wat dan ook. Deze analyse van een van de wonderverhalen over Jezus en zijn apostelen, de haan van Petrus, zoals we het kennen uit het passieverhaal, bevestigt me in mijn overtuiging dat we in de evangelies te maken hebben met literaire creaties, niet met een historische relaas, en al zeker niet met goddelijke openbaringen. Q.E.D.

 

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten