Socrates' ironie

Wat wij weten over Socrates (rond 470-399 voor onze tijdrekening), weten we van wat Plato, Xenofoon, Aristofanes en Aristoteles over hem geschreven hebben, want van hem zelf zijn geen geschriften bekend en er zijn ook geen verwijzingen naar teksten die hij zou geschreven hebben en die zouden verloren gegaan zijn. Toch beschouwt men Socrates als een van de belangrijkste filosofen die er ooit geweest zijn. Het is vooral in de dialogen van Plato dat Socrates zelf het woord krijgt en ons zijn ideeën uiteenzet. Maar wat is daarbij van Socrates en wat van Plato? Sommige uitspraken die Plato hem in de mond legt, zijn zo tegenstrijdig met elkaar dat het wel lijkt alsof het om twee verschillende personen gaat. Het is meteen duidelijk dat Plato zich wellicht heeft laten inspireren door een historische figuur die Socrates heette en die een bekend filosoof was, maar dat de uitwerking van de ideeën volledig op naam van Plato komt. Het is literatuur, of filosofie, geen geschiedschrijving.
![]()
Socrates wordt meestal voorgesteld als een kale, lelijke oude man. Hij is na een vol leven gestorven, terechtgesteld na een oneerlijk proces, iets dat hij gemeen heeft met de figuur van Jezus.
In de dialogen, ook die waarin Socrates niet voorkomt, gebruikt Plato de Socratische methode, de Socratische ironie. Toen mijn jongste zoon Luk aan tafel eens de vraag stelde: wat is ironie eigenlijk, moesten wij hem een direct en duidelijk antwoord schuldig blijven; hij was toen een jaar of twaalf, denk ik. Leg dat maar eens uit…
Het Griekse eirooneia betekent geveinsde onwetendheid in een gesprek. Men doet dus alsof men iets niet weet, men verbergt kennis die men heeft, met de bedoeling de gesprekspartner op het verkeerde been te zetten en hem uiteindelijk te doen toegeven dat hij veel minder weet dan hij dacht.
Een voorbeeld.
Ik weet niet wat wij onder ironie moeten verstaan. Jij weet waarschijnlijk wel wat ironie is?
Natuurlijk!
Wat dan wel?
Euh…
Is het misschien… &c.
Meestal spreken wij nu van ironie, wanneer wij een term gebruiken die niet helemaal of helemaal niet van toepassing is, precies om aan te duiden dat het tegenovergestelde waar is. Als wij zeggen dat Mussolini een groot staatsman was, dan weet iedereen dat we dat niet ernstig menen. Idem als we van Clinton zeggen dat hij goede relaties had met zijn medewerkers. Of dat België een belangrijke rol speelt in de wereldpolitiek. Of dat druggebruik in de sport niet voorkomt. Bij ironie is er altijd een verschil tussen wat men zegt en wat men bedoelt, net zoals bij de Socratische ironie, waar er een verschil is tussen wat men zegt en wat men weet.
Socrates zelf (steeds volgens Plato) beweerde dat hij dom was. Zijn enige wijsheid bestond erin dat hij wist dat hij niet alles wist. Dat was het verschil tussen hem en zijn tegenstanders of gesprekspartners, die vol waren van hun eigen kennis. Hij pretendeerde niets te weten en ondervroeg hen van uit die een beetje oneerlijke onwetendheid om van hen de waarheid te weten te komen. Natuurlijk draaide het er meestal op uit dat zij hun onkunde moesten toegeven en dat het Socrates was die hen handig leidde naar de waarheid, die hij natuurlijk al van te voren wist. Zijn ironie was dus inderdaad geveinsde onwetendheid. Het is een heel levendige, natuurlijke manier van argumenteren en Plato is een meester in die literaire techniek. Soms is het ook een beetje doorzichtig. Je kan immers de gesprekspartners laten zeggen wat je wil, ook dat ze ongelijk hebben, of dat Socrates gelijk heeft, ook als dat niet zo is.
Die Socratische methode moet een aantal Atheners serieus op de zenuwen gewerkt hebben. Vooral politici, ook toen al voornamelijk verkozen om hun populariteit en niet speciaal om hun bekwaamheid, vonden het niet leuk dat een boerenkinkel hen in het ootje nam en uiteindelijk wijzer bleek dan zij zich hadden voorgedaan. Hij werd veroordeeld, weigerde gratie of verbanning en stierf na het drinken van de gifbeker. In zijn apologie, zijn verdedigingsrede, ook weer een tekst van Plato, geeft hij allerlei argumenten voor zijn keuze voor de dood. Een ervan vinden we in par. 38a, waar hij zegt ‘dat een leven zonder onderzoek geen leven is voor een mens’ (vertaling van X. De Win).
In het Grieks:
ho de anexetastos bios ou biôtos anthrôpôi of
ὁ δὲ ἀνεξέταστος βίος οὐ βιωτὸς ἀνθρώπῳ.
In het Engels zegt men het zo: The unexamined life is not worth living, een zeer populair citaat.
Socrates zegt zeer nadrukkelijk dat hij zijn ondervraging van zijn medeburgers niet wil opgeven, want leven zonder zich vragen te stellen over het leven is mensonwaardig. Dat is zowat het tegenovergestelde van wat men hedonisme noemt: geniet van het leven, carpe diem, morgen kan je dood zijn. Die tegenstelling zie je ook rondom u: er zijn mensen die het er goed van pakken, die er vooral op uit zijn om zich te amuseren; ze houden van goed eten en drinken, van mooie kleren, auto’s, van roken en eventueel zelfs andere genotsmiddelen, van aangenaam gezelschap, of van reizen, concerten, tentoonstellingen; ze rijden met mooie wagens en fietsen… Wie kan het hen kwalijk nemen?
Er zijn ook mensen die veel minder aandacht schenken aan al die uiterlijkheden, ook al kunnen zij zich dat vaak evengoed permitteren. Voor hen ligt het geluk niet in de bevrediging van die materiële ‘behoeften’. Zij voelen aan dat het oppervlakkig genot niet het hoogste goed is, dat een mens het verder, hoger moet zoeken. Dat kan allerlei vormen aannemen, zoals heel sociaal actief zijn in de wereld, bijvoorbeeld ten dienste van de minderbedeelde medemens, zonder daar al te veel vragen bij te stellen: dat is wat men meent te moeten doen, daarbij voelt men zich goed.
Sommige mensen blijven een leven lang gedreven en onrustig zoeken naar wat het nu eigenlijk is om mens te zijn. De mens heeft een bewustzijn en je kan dat voor allerlei zaken gebruiken, bijvoorbeeld om er heel rijk mee te worden en daarbij alle middelen te gebruiken, of een serie moorden te beramen zonder gevat te worden. Je kan je bewustzijn ook toepassen op dat bewustzijn zelf en op alle aspecten van het mens-zijn. Dat is wat Socrates bedoelde: een leven waarbij men zich geen vragen stelt, is niet waard geleefd te worden. Niet dat iedereen ergens in een hoekje moet gaan zitten navelstaren of intreden bij de Trappisten of in een Zen-klooster, natuurlijk. Het leven is meer dan alleen maar nadenken, ook voor Socrates was dat zo en er is niets verkeerds aan genieten van het leven.
Men moet echter ook durven nadenken over wat men doet, over wat men moet doen en over wat men niet moet doen, en waarom.




















