incest en seksueel geweld


Niet voor het eerst en wellicht niet voor het laatst wil ik het hebben over incest. Ik heb zelf nog eens mijn bericht van 14.08.2007 nagelezen en als je dat nog niet gedaan hebt, dan raad ik je aan dat te doen voor je verder leest; in de lijst hiernaast klik je op 'incest'.
Onlangs was er in de abdij van Averbode (foto) een bijeenkomst, waarop het twintigjarig bestaan gevierd werd van de vzw ‘Incest en seksueel geweld’. Lut was als stichtend lid uitgenodigd om in het panel te zetelen. Er was behoorlijk wat belangstelling, zelfs twee ministers vonden de tijd om (even) aanwezig te zijn, Frank Vandenbroucke en Willy Van Acker.
Bij die gelegenheid werd het boek voorgesteld dat Karlijn Demasure schreef over dit onderwerp: Troost het kind in mij. Over incest en seksueel geweld, Averbode, 2007, 158 blz., ISBN 978-90-317-2564-9. Het is bestemd voor iedereen die met deze problematiek in aanraking komt en dat zijn wij allemaal, rechtstreeks of onrechtstreeks, maar vooral ook voor begeleiders, opvoeders, leerkrachten, sociale dienstverleners die jonge mensen over de vloer krijgen die het slachtoffer zijn van incest of seksueel geweld. Vertrekkend van authentieke getuigenissen of aansluitend daarbij geeft de auteur, een ‘oude’ kennis overigens, dus ik zal maar (nog meer) opletten wat ik zeg, duiding bij de verschillende vormen die ISG aanneemt, bij het ‘proces van de verleiding, het zwijgen en de ontkenning’, de sporen bij het slachtoffer, de signalen, de gepaste houding voor leerkrachten en andere begeleiders bij het vermoeden van ISG, mogelijke therapieën.
Mede door de afwisseling tussen de opmerkelijk krachtige of schrijnende getuigenissen en de verhelderende verwerking door de auteur, en ook door het gerichte perspectief van waaruit het is geschreven, is dit een boekje geworden dat niet mag ontbreken in schoolbibliotheken of op het leeslijstje van leraars en andere jeugdbegeleiders. Voor ouders en ook voor oudere kinderen is het een geëngageerde maar tactvolle, onbevangen en eerlijke inleiding in deze problematiek. Warm aanbevolen.
In de lijn van mijn prille belangstelling voor EP of evolutionaire psychologie las ik het artikel van Debra Lieberman en het echtpaar Tooby-Cosmides: The evolution of human incest avoidance mechanisms: an EP approach, 40 pp., 2000. Ook deze tekst is vrij beschikbaar op internet. De auteurs vertrekken van het bestaan van het incesttaboe, of omgekeerd: van het bestaan van een drang om incest te vermijden en gaan dan op zoek naar de mechanismen die daaraan ten grondslag liggen, gezien in de ontwikkeling van de menselijke soort, lang voor er sprake is van cultuur, mythen, godsdienst of wetten.
Enerzijds is het nodig dat daders en slachtoffers elkaar herkennen als familieleden, anderzijds moet er een mechanisme zijn dat de spontane seksuele drang verstoort en ten slotte moet er daarvoor een overtuigende reden zijn. Deze drie elementen worden in een zorgvuldig betoog nauwkeurig beschreven en overtuigend toegelicht aan de hand van talrijke studies en rapporten over wetenschappelijke experimenten. Toch blijft het allemaal heel leesbaar, ook als je hier of daar een onnodig moeilijke wetenschappelijke term moet nakijken: axilla betekent ‘oksel’ (wat anders?), een dyad is een ‘paar, tweetal’ (vanzelfsprekend).
Wat me enigszins verbaasde is dat de auteurs één aspect van herkenning van familieleden helemaal niet behandelen, namelijk fysieke gelijkenis.
Voor mij liggen twee foto’s uit mijn jeugd. Op de ene staat mijn overleden broer, leeftijd acht jaar of zo, te midden van zes van de zeven kinderen van de familie waar wij verscheidene vakanties doorbrachten. Het is gewoon onmogelijk om niet te zien dat hij de vreemde eend in de bijt is. De andere is een klasfoto waarop ik prijk tussen ongeveer veertig klasgenoten en daar is het de ongelooflijke verscheidenheid van tienjarige jongens die in het oog springt. Het kan dan wel zijn dat pasgeboren baby’s hun moeder herkennen aan haar geur en omgekeerd, maar zeker op latere leeftijd is de fysieke gelijkenis toch in vele gevallen een vrij betrouwbare aanduiding van een (mogelijke) verwantschap. Wat is het eerste dat men zegt als men op kraambezoek gaat? Juist: ‘het is juist zijn vader/moeder/grootvader/grootmoeder/de melkboer (grapje)’. Het is zoveel als zeggen: het is geen buitenechtelijk kind.
In mijn familie werd elk pasgeboren kind (door de ongetrouwde tantes) onderworpen aan de D’huyvetters-test: ‘heeft het de neuze?’ Zonder in details te willen treden, kan ik bevestigen dat sommige van onze familieleden inderdaad een wat prominente, hoekige neus hebben, mijn bijnaam op school was gewoon ‘Neuze’. Het was alsof de brave tantes de legale afkomst wouden bevestigen door het identificeren van die familietrek. Ook in rosharige, uitzonderlijk grote, kleine, getaande, flaporige &c. families zal men dergelijke familiegrapjes wel kennen.
Misschien past dit aspect van fysieke herkenning niet goed in de studie, die zich meer concentreert op de herkenning op basis van lichamelijke ervaringen tijdens de allereerste levensjaren. Maar het is vreemd dat men het gewoon niet vermeldt.
Incestvermijding wordt door EP bijna uitsluitend gezien van uit het standpunt van (het verbod op) de voortplanting. Zoals ik in mijn vroegere tekst ook als stelde, berust het taboe op de sterk vergrootte kans op ziekte en kindersterfte bij inteelt. En het is daarbij inderdaad niet nodig dat men de twee, incest en minder gezonde kinderen, op een biologisch causale manier met elkaar verbond, want dat is pas begin vorige eeuw stilaan duidelijk geworden, nee, men deed dat op andere gronden, bijvoorbeeld door het te zien als een straf van de goden.
De vader die met zijn dochter sliep wist natuurlijk niet dat de kinderen die daaruit voorkwamen duizend maal meer kans hebben op een ziekte of afwijking omdat zijn genetisch materiaal voor 50% het zelfde is als dat van zijn dochter. Maar hij weet het ongeluk, namelijk een doodgeboren, gehandicapt of weinig levensvatbaar kind, dat de leeftijd om zich voort te planten vaak niet haalde, aan zijn overtreden van een ‘goddelijke’ wet.
Maar incest en seksueel geweld is ook een negatieve gedraging buiten elke problematiek van voortplanting om. Seksualiteit op een dierlijk of
voor-cultureel menselijk niveau is een vrij gewelddadige bedoening, iets dat overigens nog helemaal niet verdwenen is sinds de mens (in principe althans) een cultureel wezen geworden is. Denk ook aan verkrachting in oorlogssituaties. Incest als seksueel geweld is nog steeds aanwezig.
In de vroegste vormen van samenleving werd geweld geweerd binnen de eigen familie of clan. Het Joodse gebod ‘Gij zult niet doden’ sloeg/slaat enkel op mede-Joden, niet op de Filistijnen/Palestijnen. Seksualiteit, als een van de vormen van geweld binnen de familie, is eveneens beladen met een taboe. Naast incest met zijn moeder maakte Oidipoes zich ook nog schuldig aan ouder(vader)moord, de hoogst mogelijke vorm van niet-seksueel geweld binnen het gezin, naast de kindermoord die zijn vader op hem dacht gepleegd te hebben. Voor al die vormen van geweld, waarvan het ‘overweldigen’ van zijn moeder er ‘slechts’ één was, moest hij en zijn hele familie de wraak van de goden ondergaan. De tragedie eindigde, zoals later bij Shakespeare, faute de combattants, bij gebrek aan overlevenden.
Wellicht niet voor het laatst, zei ik, breng ik deze problematiek hier ter sprake. Erover nadenken en schrijven heeft me heel wat beelden uit mijn jeugd terug in herinnering gebracht, misschien was dat ook voor u het geval. De schone Vlaamse kinderrijke families, waarover onze pastoors het zo graag hadden, verborgen veel onheil achter het burgerlijk fatsoen. Die gesloten, hypocriete manier van doen en denken, door de kerk nog ondersteund en in de hand gewerkt, heeft veel slachtoffers gemaakt en ik reken de daders van incest en seksueel geweld daar even goed bij als hun slachtoffers, zonder het leed van die laatsten en de schuld van de eersten ook maar enigszins in twijfel te willen trekken.



















