De bergrede: de acht zaligheden

Men zegt me wel eens: waarom richt je je pijlen toch zo op allerlei negatieve nevenaspecten van het christendom? Niets of niemand is immers volmaakt. Ook vrome christenen zijn het oneens met bepaalde dogma’s of pauselijke uitspraken en betreuren de dingen die in de loop van de geschiedenis duidelijk verkeerd zijn gegaan. Het christendom heeft zoveel positieve kanten, waarom je niet veeleer daarop concentreren? Waarom niet naar de kern van de zaak gaan en al het bijkomstige terzijde laten?
Zo denk ik ook wel eens, zo heb ik heel lang gedacht. Het is immers niet omdat de kerk iets voorhoudt, dat het daarom alleen al verkeerd zou zijn. Het is niet omdat christenen iets gedaan hebben, dat er niets goeds zou aan zijn. De vraag stelt zich dan echter onvermijdelijk: is dat goede en waardevolle wel typisch christelijk? Zou het er niet zijn zonder het christendom? En vervolgens: heeft het christendom globaal een heilzame rol gespeeld in de geschiedenis, of veeleer een onderdrukkende, nefaste?
Ik las voor u en besprak hier kritisch al het scheppingsverhaal, de tien geboden, het Credo, het verhaal van Kaïn en Abel, van Maria Magdalena, Ursula en Cordula en nog enkele andere echte of vermeende heiligen, het bijbelse thema van de zondebok, het jubileum; ik zocht voor u op wat de kerk zegt over de erfzonde, het leven na de dood, genade, aflaten, de hel, het vagevuur en het voorgeborchte van de hel, de goddelijke voorzienigheid, de ziel, de verrijzenis, de realis presentia van Jezus in de hostie, engelen en duivels… Als ik dat zo bekijk, dan ben ik toch wel ernstig op zoek naar die kern van de zaak, niet?
Ook de meeste van de talrijke atheïstische boeken die ik las en hier besprak, concentreren zich op de Blijde Boodschap, namelijk dat er een God is die de wereld heeft doen ontstaan en hem bestuurt in zijn almacht en volgens zijn wil; die de mens heeft geschapen naar zijn beeld en gelijkenis met een sterfelijk lichaam en een onsterfelijke ziel; dat de mens zich van Hem heeft afgekeerd; dat Hij daarom zijn Zoon heeft gezonden, die door zijn kruisdood de erfzonde ongedaan heeft gemaakt voor hen die in Hem geloven en leven volgens zijn geopenbaarde leer.
Het zijn die essentiële geloofspunten die ik heb afgezworen, in zoverre ik ze ooit echt voor waar heb aangenomen, want de diepe twijfel en het ongeloof zijn in mij zeer sterk aanwezig en knaagden aan wat men mij probeerde te doen geloven sinds mijn aller-prilste jeugd, zelfs nog voor de lagere school!
Een Bijbeltekst die men vaak aanhaalt als een essentiële verwoording van de christelijke boodschap is de (aanvang van de) Bergrede. Toen ik vele jaren geleden in Israel was voor het organiseren van een congres, maakten we een dagtrip met de bus langs verscheidene bijbelse plaatsen, die we zo goed kennen uit de verhalen van het Oude en het Nieuwe Testament. Het deed me wat, zeker: je beseft dat je op de plaats zelf bent waar die gebeurtenissen zich in de Bijbel afspeelden. Een ontroerend hoogtepunt, ook letterlijk, was toen de Franciscaanse monnik die ons deskundig begeleidde, op een winderige hoogte bij het meer van Galilea de tekst van de Bergrede, meer bepaald de zaligsprekingen voorlas.
Laten we die tekst van de zaligsprekingen eens van dichterbij bekijken.
Vooreerst moeten we vaststellen dat hij behoort tot wat exegeten noemen: Matteus’ Sondergut, een term die, als je hem hardop leest, ongetwijfeld een glimlach zal produceren; het is een vast grapje van elke docent Nieuw Testament. Men bedoelt daarmee dat de tekst enkel voorkomt bij Matteus, niet bij de andere evangelisten. Ik wil je hier niet de hele complexe synoptische kwestie opdissen, maar het is toch nuttig om te weten dat men nu meestal aanneemt dat Marcus het oudste evangelie is en dat Matteus en Lucas op een of andere manier van Marcus afhankelijk zijn. Om uit te leggen waarom Lucas en Matteus ook nog andere teksten gemeenschappelijk hebben, veronderstelt men dat er nóg een vroegere tekst of verhalenkern moet geweest zijn, met daarin vooral gezegden of toespraken van Jezus: de Logia-bron of Q, voor Quelle, waarvan men het bestaan vermoedt, maar waarvan geen teksten zijn overgebleven. De inhoud ervan zou vooral bestaan hebben uit spreuken, gezegden en toespraken, een traditie die men terugvindt in het Oude Testament, de zogenaamde joodse Wijsheidsliteratuur, maar ook in de Griekse traditie en in de Hellenistische literatuur en vervolgens ook in de gnostische teksten, waarvan de oudste eveneens dateren van voor het christendom.
De Zaligsprekingen staan dus enkel bij Matteus, met enkele sporen ervan bij Lucas en ook in het zogenaamde Thomasevangelie, een gnostische apocriefe tekst die waarschijnlijk jonger is dan de canonieke evangeliën. Ze zijn daarom en ook omwille van de vorm en de inhoud vermoedelijk afkomstig uit Q.
Dit is Matteus’ tekst van de zaligsprekingen (Mt 5,1-13):
1 Toen hij de mensenmassa zag, ging hij de berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen. 2 Hij nam het woord en onderrichtte hen:
3 ‘Gelukkig wie nederig van hart zijn,
want voor hen is het koninkrijk van de hemel.
4 Gelukkig de treurenden,
want zij zullen getroost worden.
5 Gelukkig de zachtmoedigen,
want zij zullen het land bezitten.
6 Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.
7 Gelukkig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
8 Gelukkig wie zuiver van hart zijn,
want zij zullen God zien.
9 Gelukkig de vredestichters,
want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
10 Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden,
want voor hen is het koninkrijk van de hemel.
11 Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. 12 Verheug je en juich, want je zult rijkelijk worden beloond in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie de profeten.’
Gewoonlijk spreekt men van de ‘acht zaligheden’; hier tellen we er negen, de laatste in vers 11-12 neemt een speciale plaats in, omdat ze niet op iedereen betrekking heeft, maar enkel op de apostelen en bij uitbreiding op alle volgelingen van Christus.
Dit is de parallelle tekst van Lucas (Lc 20b-23):
20 Hij richtte zijn blik op zijn leerlingen en zei: ‘Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God. 21 Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden. Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen. 22 Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie omwille van de Mensenzoon haten en buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen. 23 Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel. Vergeet niet dat hun voorouders de profeten op dezelfde wijze hebben behandeld.
Meteen valt het verschil op met Matteus: de tekst is veel korter; van de acht basiszaligsprekingen blijven er maar drie over en die zijn anders geformuleerd: het zijn concrete gezegden, geen symbolische of overdrachtelijke. Het gaat gewoon over arm en rijk, honger en verzadiging, huilen en lachen. Het lijken wel Zen-teksten of spreuken van Epicurus.
De zaligsprekingen vallen op door hun vorm: de herhaling van ‘Zalig…’. Een dergelijke repetitieve formule trekt de aandacht: het gaat om iets belangrijks. Ze trekt ook grenzen: enkel die zijn zalig, die tot deze groep behoren, let dus goed op.
Wat ook opvalt, is de herhaalde tweeledigheid van elke zaligspreking: ‘Zalig…, want…’. Bij Lc is er nog een echte tegenstelling tussen de termen (arm-rijk, honger-verzadiging, wenen-lachen), bij Mt is dat niet voor elke zaligspreking zo, in de meeste gevallen is het een literaire formule geworden, waarbij in het tweede lid gevarieerde formuleringen staan van het goede: het bezit van het Rijk Gods. Er is op dat punt geen echt verschil tussen de zaligsprekingen, het tweede lid zegt enkel dat de categorieën genoemd in het eerste lid, een gunstig lot wacht.
Men duidt deze tekst van Lc meestal als apocalyptisch: een voorspelling van het einde der tijden, wanneer er een oordeel zal zijn en waarbij al het leed dat men hier moet ondergaan zal omgezet worden in geluk. Het is een thema dat niet alleen alle Oud- en Nieuwtestamentisch teksten kleurt, maar ook alle andere wijsheidsteksten die de mens ooit geschreven heeft, waar ook ter wereld. Het bestaan is precair, maar (enkel) voor wie luistert naar de boodschap van de wijzen, is er verlossing.
Wat is dan de specifieke boodschap, wat moet men volgens deze tekst doen om het Rijk Gods, de zaligheid te bereiken? Als we het op de keper beschouwen, is er niets bijzonders met de zaligsprekingen zoals Lc ze stelt. Wat is er nu goed of verdienstelijk aan arm zijn, wenen, honger hebben?
Drie van de zaligsprekingen grijpen terug naar en citeren letterlijk het Oude Testament: de treurenden (Js 61,2); de zachtmoedigen (Ps 37, 11); de reinen van hart (Ps 24,4). In die zin zijn ze dus niet specifiek voor het christendom, maar behoren ze tot de joodse traditie.
Het is pas in de versie van Mt dat er licht in de zaak komt. Bij Mt zijn de armen plots ‘armen van geest’; het gaat om een vorm van geestelijke eenvoud, die een direct contrast oproept met het niet vernoemde tegenovergestelde groep. Het is evident dat Mt hier niet (specifiek) de zwakzinnigen bedoelt, mensen die omwille van een genetisch defect niet over al hun verstandelijke vermogens beschikken. Wel is het zo dat de ‘armen’ van Lc vaak ook ‘arm van geest zijn’, dat zij geen geleerden zijn, geen hogere opleiding genoten hebben, dat ze geen intellectuelen zijn. Dat kan misschien in de ogen van de wereld een negatief gegeven zijn en daarvan gaat deze zaligspreking ook uit: in tegenstelling met wat men zou denken is arm van geest zijn géén nadeel maar misschien wel een voordeel. Men hoeft geen intellectueel te zijn om het Rijk Gods te verwerven, het is wellicht zelfs beter zo. Maar dan moet je wel luisteren naar wat je voorgehouden wordt en doen wat van jou gevraagd wordt. Niet je eigen verstand volgen, maar de Heer.
De hongerigen bij Lc zijn bij Mt ‘zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid’. Zij die wenen bij Lc blijven bij Mt gewoon zij die treuren, maar de ommekeer krijgt bij Mt een oorzaak: zij zullen lachen omdat ze zullen getroost worden.
Mt geeft niet alleen een andere, diepere betekenis aan de tekst, hij voegt er ook aan toe: de zachtmoedigen, de barmhartigen, de reinen van hart, de vredestichters, zij die vervolgd worden ter wille van de gerechtigheid.
Het thema van de gerechtigheid is hier herhaald: zalig zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid én zalig die vervolgd worden omwille van de gerechtigheid. Mogen we daaruit afleiden dat men niet alleen moet verlangen naar gerechtigheid, maar er ook voor werken? Hoe kan men immers iemand vervolgen omwille van de gerechtigheid, tenzij hij of zij daarvan ook blijk van geeft, in woord en/of daad? Ook het vredestichten is een actieve bezigheid, een opdracht: niet zomaar naar vrede verlangen, maar er iets aan doen. In ten minste één gedrukte versie van de Engelse vertaling van de Bijbel staat deze vervelende drukfout: blessed are the pacemakers (in plaats van peacemakers). In Monty Pythons hilarische persiflage Life of Brian werd dat zelfs de cheesemakers…
De zachtmoedigen, de barmhartigen en de reinen van hart horen bij elkaar, vormen een groep. Hier gaat het niet om wat men doet, maar om een ingesteldheid, een levenshouding die vooral de armen van geest kenmerkt. En hoewel velen, onder wie zeker ook Nietzsche, die nederigheid die ook Augustinus zo aanprijst in het sermoen dat hij bij deze tekst schreef, als een zeer typisch christelijk kenmerk beschouwen, toch zijn er enerzijds evidente parallellen in álle andere godsdiensten en levensbeschouwingen, terwijl anderzijds in het christendom ook andere deugden primeren, zoals meteen al blijkt in deze tekst zelf, waar het actief vredestichten en streven naar gerechtigheid wel eens kunnen botsen met de hier aangeprezen lankmoedigheid.
Men kan de acht zaligheden dan ook bezwaarlijk een treffende, laat staan een belangrijke of zelfs exhaustieve opsomming noemen van wat men moet doen om het Rijk Gods te verwerven.
De Bergrede, meer bepaald de acht zaligheden. Ongetwijfeld een van de meest gekende Bijbelteksten en vaak aangehaald als een samenvatting, de kern zelf van het christendom. Bij nader toezien is het echter vooral de literaire vorm die de aandacht trekt, met zijn prachtige incantatie, de bezwerende acht- of negenvoudige woordelijke herhaling en tweeledigheid. Erg origineel is de boodschap niet: er zijn joodse elementen in, citaten zelfs en inhoudelijk zijn er erg vergelijkbare spreuken in andere oosterse godsdiensten en in de Griekse en Hellenistische filosofische en religieuze tradities. Dat de tekst enkel bij Matteus voorkomt wijst erop dat ook bij het tot stand komen van de evangelieteksten zelf deze passage niet als een essentieel of zelfs prominent element is beschouwd. Literair-kritisch is het waarschijnlijk dat haar oorsprong niet specifiek christelijk is, maar veeleer behoort tot de voorchristelijke gnostische traditie.
Zo blijkt nog maar eens dat wij wel vaak spreken over evangelieteksten en ze eventueel zelfs gebruiken als argumenten, maar ze zelden lezen en nog minder stilstaan bij hun achtergrond, vormgeving en hun betekenis. Doen we dat wel, dan blijkt dat die zogenaamd heilige teksten, waarvoor in vele gevallen zelfs bloed is gevloeid, ook dat van christenen, in feite niet eens zo verhelderend of belangrijk zijn en dat, verre van ze letterlijk te nemen als het woord van God, we ze als mensentaal moeten lezen in al hun zeer relatieve wijsheid en waarheid.
Zalig wie zijn verstand gebruikt, want hij zal wijzer worden.
Zalig wie de treurenden troost, want hij zal zich daar goed bij voelen.
Zalig de zachtmoedigen, dat ze zich maar niet laten ontmoedigen.
Zalig wie vecht tegen onrecht zonder daarbij zelf slachtoffers te maken.
Zalig de barmhartigen, want zij maken deze wereld leefbaar.
Zalig de reinen en ook de groenen, want zij zullen de aarde erven.
Zalig de vredestichters, ze hebben nog werk met hopen.
Zalig die vervolgd worden, en weg met alle vervolgers!










