Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld /span>
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug? Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Categorie: ex libris

Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman, deel 2

Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman. Een zoektocht naar menselijkheid, deel 2, Antwerpen: Houtekiet, 2026, 400 blz., pb, € 24,99.

Bij het verschijnen van het eerste deel in 2023 schreef ik een enthousiaste recensie: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2552842 . Na lezing van het tweede deel moet ik bekennen dat mijn hooggespannen verwachtingen niet helemaal ingelost konden worden, dat is althans mijn oprecht aanvoelen. Waaraan ligt dat? Misschien aan de onderwerpen, die mij, dat geef ik graag toe, toch wat minder liggen dan die van het eerste deel. Nochtans is spreken en schrijven over taal, geweld, maakbaarheid, de vrije wil, zingeving — de vijf hoofdstukken van dit werk — evident niet onbelangrijk, maar deze thema’s sluiten veel nauwer aan bij de actualiteit en lenen zich daarom bijna onvermijdelijk gemakkelijker tot vermelding van en wat oppervlakkiger commentaar bij opvallende concrete voorbeelden dan tot meer diepgaande analyse van en reflectie over de grond van de zaak: onze menselijkheid.

Ligt het aan de tekst zelf van dit tweede deel? Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de intrinsieke kwaliteit van de inhoud aanmerkelijk moet onderdoen voor het eerste deel; dat het tweetal niet altijd even gedreven is; dat de onderwerpen minder essentieel en de behandeling en de uitwerking ervan daarom allicht af en toe minder prangend zijn. De gesprekken waarop het boek gebaseerd is, of althans de uitgeschreven dialogen die eruit resulteerden, overstijgen niet altijd het niveau van de betere avondlijke gedachtewisselingen onder vrienden, en blijven ze niet zelden beneden het peil van de betere blogs. Soms kon ik me niet van de al dan niet terechte indruk ontdoen dat het nu meer gaat over badinerende tafel- of werkgesprekken, die gaandeweg opgenomen en later uitgeschreven werden. Bij het redigeren van de definitieve tekst werd dan vermoedelijk achteraf inhoudelijk materiaal uit de relevante wetenschappelijke literatuur toegevoegd is — in het beste geval; een enkele keer is dat echter niet meer dan terloopse namedropping. De uitvoerige bibliografie is eenzelfde uitbreiding, maar dan with a vengeange: veeleer een tergend lange lijst voor verdere (zeer) eventuele lectuur, la mer à boire, dan de bij monografieën gebruikelijke sobere rechtstreekse verantwoordingen van gebruikt materiaal in de tekst zelf.

Het resultaat van deze complexe ontstaansgeschiedenis en werkmethode is voor het grote publiek in ten minste een deel van de gevallen wellicht niet altijd even fascinerend en meeslepend, terwijl de traditionele veeleisende geïnteresseerde leek veel zal herkennen uit de eigen lectuur en uit de media.

Over enkele echt belangrijke onderwerpen zoals atheïsme, het voortbestaan na de dood en de echte vrije wil komt Braeckman pas goed op dreef en schrijft hij gelukkig voorwaar memorabele hoogstaande maar heel toegankelijke passages, zoals we dat van hem mogen verwachten, en lost hij de verwachtingen gewekt door zijn eerdere publicaties ruimschoots in. Daarom alleen al is het zonder enige twijfel de moeite waard om dit boek meteen aan te schaffen en het schouder aan schouder met zijn voorganger te plaatsen in het boekenrek.

Vooral bij die inhoudelijk sterkste passages van Johan Braeckman valt het des te meer op dat zijn sidekick het intellectuele niveau van de meester niet haalt.  Dat heeft onvermijdelijk gevolgen voor het ‘format’, de nogal gekunstelde, om niet te zeggen geforceerde ‘dialoog’ tussen Sherlock Braeckman en Watson Verhofstadt, die bij mij ook al in het eerste deel wat wrevel opriep. Bij hun woorden-en gedachtewisselingen zijn ze nu vaak persoonlijker, alsof het om een echt interview ging, en niet een fictieve dialoog naar het klassieke voorbeeld van Plato. Ook dat draagt mijns inziens niet altijd bij tot het literaire en inhoudelijke niveau van de uiteindelijke tekst.

Net zoals in het eerste deel is het aandeel van Braeckman gelukkig niet alleen veruit het meest uitgebreide maar ook het meest waardevolle. Na dit tweede deel kan men de vraag niet meer ontwijken waarom hij over deze en andere onderwerpen niet zelf de gedegen monografie(ën) heeft geschreven waartoe hij uitermate in staat is. Op deze pseudo-socratische formule zit helaas enige sleet; ze leidt mij althans, ondanks mijn nochtans welwillende vooringenomenheid, nu nog meer dan in het eerste deel veeleer af dan dat ze aanzienlijk zou bijdragen tot de leesbaarheid van het boek.

Bis repetita placent, maar niet altijd. Het spijt me werkelijk dat ik ondanks de vele verdiensten van dit werk geen onverdeeld lovende recensie kon schrijven. Een openhartig atheïstisch ernstig boek is in het Nederlandse taalgebied nog altijd een zeldzaamheid, en verdient voorzeker alle hulp en aanmoediging die men kan opbrengen, en dat geldt ook voor het tweede deel van deze zoektocht, dat naar wij hopen bij een ruim publiek goed onthaald zal worden, mede door de ruchtbaarheid die er terecht aan gegeven wordt. Maar een echt volwaardige opvolger schrijven voor het fameuze eerste deel, laat staan dat proberen te overtreffen, is althans in de ogen van deze lezer toch net een ietwat te grote uitdaging gebleken. Daarmee ben ik allicht helaas de enige Vlaamse auteur die in het boek nominatim vermeld wordt maar er geen blitse blurb of ronkende recensie voor gepleegd heeft. Van je vrienden moet je het hebben, zal men denken. Om in de stijl van de dialogen te blijven: amicus Plato, magis amica veritas?

 

Stuur door

Frans spreken gelijk een koe Latijn

Onvindbaar en onbegrijpelijk.

Bij de merkwaardige Franse uitgeverij Coda verscheen in 2004 van Paul Henri Thiry, Baron d’Holbach Oeuvres philosophiques 1773-1790, 842 pp., met daarin zijn Système social (pp. 5-314), La morale universelle (pp. 315-786) en Catéchisme de la nature (pp. 787-842). De teksten zijn gebaseerd op de originele uitgaven uit de 18de eeuw, de Franse spelling en de interpunctie zijn gemoderniseerd door Jean-Pierre Jackson. ‘De editor houdt eraan de Heer Frédéric Gayet te danken voor zijn hulp verleend aan de vertaling van de Latijnse citaten.’

Bij die laatste vermelding valt toch wel een en ander op te merken. Enerzijds is het een vaststaand feit dat wanneer er een Latijns citaat voorkomt in een tekst, daarin altijd typefouten staan, een regel die hier ruime bevestiging krijgt. Ik keek enkele gevallen na in de voorbeeldige website Tout d’Holbach: https://artflsrv04.uchicago.edu/philologic4.7/tout-d-holbach/ en daar staan die fouten niet, dus meer dan waarschijnlijk ook niet in de originele teksten. Anderzijds zijn de vertalingen waarvoor Gayet, professor aan de universiteit van de Côte d’Azur, geholpen heeft bijna steeds onjuist. Ik geef enkele voorbeelden.

Blz. 143, voetnoot 1 (het volgnummer van de voetnoten is enkel met een loep leesbaar):

‘’Ea demum tuta [ontbreekt : est] potentia qua viribus suis modum imponit.’ Salluste. [‘Ce pouvoir prudent (circonspect) précisément, par lequel il impose la juste mesure à ses hommes.’]

Ik kon het citaat niet vinden bij Sallustius, maar wel bij Valerius Maximus, de Romeinse auteur uit de eerste eeuw van een verzameling van historische anekdoten, Factorum et dictorum memorabilium libri IX, in de middeleeuwen een van de vaakst gekopieerde klassieke Latijnse prozateksten.

Het probleem zit in viribus. Dat is in tegenstelling met wat de vertaler denkt geen vorm van vir, man, maar van vis, kracht. Het datief meervoud van vir is viris. Een elementaire fout, een latinist onwaardig. De vertaling is dus evident: ‘Enkel die macht is veilig die aan de eigen krachten een maat oplegt.’ Dat blijkt overduidelijk uit de tekst waarbij de voetnoot hoort: ‘… nul pouvoir… ne peut être assuré s’il ne fait des limites à lui-même.’

Blz. 187, voetnoot 10):

‘Humanum paucit vivit Genus.’  Lucain, livre 4. [‘Le genre humain ne subsiste que chez quelques-uns.’

De woordvorm paucit bestaat niet. Uit de context blijkt paucis het meest voor de hand liggend, en dat heeft ook de vertaler begrepen: ‘quelques-uns’, enkelen. Maar de Franse vertaling is op zich onbegrijpelijk: de menselijke soort bestaat slechts bij enkelen? Het is nochtans niet moeilijk om de ware betekenis van deze typisch lapidaire Latijnse uitspraak te achterhalen. Het volstaat te kijken waarbij deze voetnoot hoort in de tekst: ‘Le genre humain n’est-il donc fait que pour être le jouet du caprice de quelques individus !’ Is de menselijke soort dan slechts gemaakt om het speeltuig te zijn van de grillen van enkele individuen!’ Een correcte vertaling is dan: ‘De menselijke soort leeft voor weinigen.’ d’Holbach wijst er herhaaldelijk op dat vorsten en hun ministers en hun hofhouding ten onrechte capricieus heersen over en op de kosten van een onwetend en arm gehouden publiek. Paul Claes, die ik hierover mocht raadplegen, zocht de sententia op bij Lucanus en in verscheidene vertalingen; hij wijst erop dat een datief bij het werkwoord vivere een anomalie is, en beschouwt paucis veeleer als een ablatief, te vertalen als 'door, bij de gratie van': de mensheid leeft maar door (de willekeur) van een minderheid. Dat is inderdaad wat d'Holbach vooropstelt en aanklaagt.

Blz. 190, voetnoot 1:

‘Justum est bellum quibus est necessarium, et pia arma quibus nulla nisi armis relinquitur spes.’ Hier ontbreekt een woord: ‘in armis’. De Franse vertaling gaat helemaal de mist in: ‘La guerre est juste pour ceux auxquels elle est nécessaire, et aucune pieuse justification (ne leur est nécessaire), à moins que l’espérance ne soit abandonnée par les armes.’ (Titus Livius, X, 1) Het tweede deel van het citaat is echter veel eenvoudiger dan dat: ‘en de wapens zijn rechtmatig voor wie geen andere hoop overblijft dan in de wapens.’

Blz. 191, voetnoot 2:

‘Ciceron a dit: “Quorum bello solum id scires esse miseriorem qui vicisset. » [Citation non trouvée et incompréhensible.]

Misschien beschikte de vertaler in 2004 niet over de online opzoekmiddelen van vandaag, maar toch! De correcte tekst van het citaat is ‘… quorum bello solum id scires, esse deteriorem fore qui vicisset’ en dat staat gewoon bij Tacitus, Historiae I, 50, in fine, dus weliswaar niet bij Cicero, maar evenwel ook niet bepaald moeilijk te vinden. Het gaat over twee van de Romeinse keizers van het vierkeizersjaar 69, Otho en Vitellius. Tacitus stelt dat ze beiden verachtelijk zijn, en ‘dat men maar één zaak zeker weet, namelijk dat degene van hen die de overwinning behaalde in de strijd de slechtste zal zijn.’ De tekst waarbij de voetnoot hoort is trouwens duidelijk: ‘souvent le vainqueur est plus à plaindre que le vaincu.’ Zo onbegrijpelijk is dat nu ook weer niet.

Corruptio optimi pessima. Het is erg als zelfs een universiteitsprofessor, gespecialiseerd in de geschiedenis van de Romeinse oudheid en zelfs departementsvoorzitter, eenvoudige citaten niet behoorlijk kan vertalen. Of anders was zijn hulp bij het vertalen ten ondomme.

Stuur door

De behendige Van Bendegem

Jean Paul Van Bendegem, Abecedarium. Van de A van Amerika tot de Z van Zalig, Antwerpen: Houtekiet, 2025, ISBN 978 90 5720 962 8, 178 blz., € 23,99 gebonden. Tekeningen: Serge Baeken.

De teksten, elk gehecht aan een letter van het alfabet, verschenen eerder in De Geus, het lokale tijdschrift van de humanistische vrijzinnigheid in Gent, in de opeenvolgende afleveringen van 2017 tot 2024. Het zijn dus gelegenheidsstukjes, en De Geus en zijn lezers mogen zich gelukkig prijzen dat ze telkens een column voorgeschoteld kregen van een prominente filosoof en een begenadigde auteur. Hijzelf spreekt van een ‘bescheiden werk’, en van ‘bedenksels’. Maar vergis je niet: de plichtsgetrouwe auteur heeft er zich niet met de Franse slag van af gemaakt, maar integendeel enthousiast de geboden gelegenheid aangegrepen om de lezers te vergasten op een waar festijn van zwierige zwans. Op zijn onnavolgbare manier heeft hij zich hier uitgelaten laten gaan op de vrolijke vleugels van zijn ietwat frivole fantasie, zonder evenwel zijn filosofische onderlegdheid ook maar enigszins onder de korenmaat te schuiven. Het pretentieloze genre van de column leent zich uitstekend tot speelse overpeinzingen en grappige invallen, en daarin is de auteur meer dan een behendige kleine meester. Als denker lardeert hij zijn kwistige kwinkslagen echter bijna kwansuis met diepere gedachten, aan de hand van soms arcane anekdoten en treffende trivia, met tintelende taalspelletjes en met ontwapenende zelfspot op de schrijver en het schrijven van de teksten.

Veel meer valt er over dit fraai uitgegeven en kunstig geïllustreerde boek niet te zeggen. Het is een schoolvoorbeeld van het utile dulci, het nuttige aan het aangename paren, een bij wijlen hilarisch freewheelen door de actualiteit, verleden en toekomst, een frisse duik in de diepe, en een plonzend pootjebaden in de ondiepere wateren van de wetenschap en de filosofie, een lichtvoetige letterdans op ernstiger muziek. Aldus is het een verrassende versnapering voor jezelf, en een uitgelezen geschenk voor een min of meer geliefd iemand die je wil verblijden met iets onvergelijkelijk originelers en zo oneindig veel beters dan de gebruikelijke commerciële portie gebraden lucht of dooie mus. Houtekiet heeft er goed aan gedaan de efemere pittige hersenspinsels van deze prestigieuze prestidigitateur in taal en denken smaakvol te bundelen voor het ruimere publiek dat ze moeiteloos verdienen.

 

Stuur door

Corsica

Zetti & Bosch, Leven en dood van een Corsicaan. Dagboek van een week, of de verknipte geschiedenis van een eiland, van God en zijn goedgezinden, van buitenstaanders en andere mensen, Uitgeverij Klein, 2025, ISBN 97894644774429, € 36 pb.

Ondanks de al uitvoerige titel en ondertitels vond men het nodig om daaraan op de titelpagina nog toe te voegen: ‘Roman met foto’s, voetnoten en bijlagen. Gebaseerd op echte feiten en mogelijke waarheden’. Dat alles roept vele vragen op bij potentiële lezers, die na de lezing bij deze lezer grotendeels onbeantwoord bleven. Van een dagboek verwacht of veronderstel je dat het min of meer bij de feiten blijft, en ook van een geschiedenis. Maar een ‘verknipte’ geschiedenis? Verknipt heeft vele betekenissen, waarvan enkele niet meteen uitnodigend zijn bij een boek van 336 bladzijden, die hoe dan ook onmogelijk kunnen volstaan om de al te vermetele ambities van de titel waar te maken. Een roman is fictie, maar dan verwacht je niet meteen foto’s, voetnoten en bijlagen.  Fictie kan best wel gebaseerd zijn op feiten, maar wat zijn echte feiten? Laten we toch maar blijven hopen dat onze wereld niet zomaar opgedeeld wordt in echte en niet echte, fake of alternatieve feiten. Om nog te zwijgen van ‘mogelijke waarheden’; waarheden zijn intrinsiek mogelijk en hopelijk meer dan dat, maar wat is dan hun antoniem, onmogelijke waarheid? De auteur/s zaaien van meet af aan twijfels en verwarring, ook over zichzelf, want het vermeende duo blijkt een pseudoniem te zijn voor één auteur en ‘vijf lees- en schrijfvrienden’, en nog twee ‘redacteurs’ die in de voetnoten zoals Nessie te pas en te onpas opduiken, Ada en Tikker, maar verder niet identificeerbaar zijn. Er zijn ettelijke meestal melige motto’s, een nogal ongeleid Ten geleide, vier ‘delen’ die zich elk in een tijds- en plaatselijk kader situeren, maar voortdurend van perspectief veranderen; een al te alternatief addendum, en meer bizarre bijlagen dan je lief is, onder meer een al dan niet fictieve stamboom, pseudoniemen incluis.

Er is een verhaal, en een verteller, die echter ook een van de hoofdpersonages is, een tweede vertelster, ook hoofdpersonage, en beiden zijn tevens auteur; en een bonte zwerm neven- en nichtenpersonages. Er zijn foto’s, veel foto’s, op één uitzondering na in z/w, heel fraai, maar niet altijd echt ter zake in het verhaal. En niet alleen foto’s: ook clichés, te veel clichés om goed te zijn.

Hebben we te maken met postmoderne schriftuur? Is het een autobiografie, een vaderbiografie als eerbewijs, een roman fleuve, een stream of consciousness? Een pastiche, een persiflage? Een navolging van Nabokovs Ada en zijn dooreengeschudde-steekkaarten-compositiemethode?  Een bekentenis-, een bildungsroman? Een commerciële reisreportage? Een beeldloze graphic novel?  Een vermetel filmscenario? Is het een ‘noodzakelijk kunstwerk’? Een late puberale death wish? Wie zal het zeggen. Is het boeiend? Soms. Is het goed geschreven? Hier en daar. Het is vooral warrig, aan flarden gereten, of uit flarden lukraak aaneengenaaid (stevig, met wit garen en open rug, weliswaar). Is het geheel meer dan de delen? Is dat dan de diep onderliggende bedoeling: dat de lezer de frêle fragmenten mentaal accumuleert, en er dan onbewust uit de metaforen een meta-verhaal ontstaat, zo magistraal bedoeld door de gewiekste ‘auteur-regisseur’? Ik heb zo mijn twijfels. Er is veel te vaak sprake van dagboeknotities en andere ‘teksten’, er wordt te veel al dan niet fictief geciteerd en vertaald, er is te veel gratuite lapidaire dialoog. De focus verspringt schijn- of toch blijkbaar zonder veel aanwijsbare reden van tijd en plaats, namen worden vermeld alsof ze evident zijn, quod non, dragende personages en thema’s worden nauwelijks uitgediept, figuren en feiten komen op en gaan af als in een deurenkomedie; belangrijke gebeurtenissen worden amper aangeraakt, nietszeggende details uit het dagelijks leven en de herinnering van het hoofdpersonage daarentegen mate- en nodeloos uitvergroot. Genres worden vermengd dat het een lieve lust is, alsof het succes van een ratatouille bepaald wordt door het aantal soorten van ingrediënten, niet door hun specifieke karakter en de juiste dosering. Beschränkung? Nooit van gehoord.

Ik las en recenseerde eerder al het eerste boek van Uitgeverij Klein, het prachtige Ouroboros. Odyssee 2.0, van Paul Claes. Elke vergelijking van dit heterocliete Corsicaanse dagboek met dat doorwrochte klassieke én moderne literaire meesterwerk is uit den boze. Het is natuurlijk niet onmogelijk dat ik me compleet vergis, maar mijn krachtige innerlijke overtuiging is dat het hier gaat om een ongemeen onorthodox, maar vooral onvolkomen, onrijp, onecht onding van een argeloos ‘alternatieve’ amateur. En als dat niet zo is, dan is het een verdraaid sterk staaltje van een parodie daarop. De uitgeverij is Klein, maar in dezen danig uitdagend dapper.

Stuur door

 

Vandaag verschijnen de eerste twee delen uit de nieuwe serie Vrijdenkers. Het eerste deel is het hoofdwerk van Ludwig Feuerbach, nu voor het eerst in het Nederlands vertaald: Het wezen van het christendom. Daarnaast verschijnt het tweede deel, ook voor het eerst in het Nederlands vertaald: John Stuart Mill met Drie essays over godsdienst.

Vrijdenkers is een nieuwe reeks vertalingen van historisch belangrijke en invloedrijke teksten over het denken over de verhouding tussen mens, God, religie en staat. 
In april - de Maand van de Filosofie - zal deel 3 verschijnen: David Hume - Gesprekken over de natuurlijke religie. 

 

 

 

 

Vandaag verschenen!

Ludwig Feuerbach - Het wezen van het christendom

Vertaald door Karel D’huyvetters
Inleiding Johan Braeckman
Gebonden boek met leeslint
ISBN: 9789463404259 I 208 pagina's I €29,90
Deel 1 in de serie Vrijdenkers

Heeft God de mens geschapen? Of heeft de mens God geschapen? Dat is de centrale vraag in Het wezen van het christendom (1841), het hoofdwerk van de Duitse filosoof Ludwig Feuerbach. Dit boek wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste en invloedrijkste godsdienstkritieken in de moderne filosofie. Hierin benadert hij religie vanuit een humanistisch perspectief en onderzoekt hij het idee dat goddelijkheid een uiterlijke projectie is van onze idealistische menselijke aard. Feuerbachs scherp geformuleerde standpunten waren van enorm belang voor de ontwikkeling van de moderne menswetenschappen. Het werk heeft grote invloed gehad op onder anderen Marx, Nietzsche, Freud en Darwin.

De boekpresentatie van Ludwig Feuerbach - Het wezen van het christendom zal op 6 mei plaatsvinden. Voor meer informatie KLIK HIER.

 

 

 

 

Vandaag verschenen!

John Stuart Mill - Drie essays over religie

Vertaald door Karel D’huyvetters
Inleiding Cor Hermans
Gebonden boek met leeslint
ISBN: 9789463404266 I 208 pagina's I €29,90
Deel 2 in de serie Vrijdenkers

John Stuart Mill, filosoof, politiek econoom en ‘feminist’, was een van de invloedrijkste denkers van de negentiende eeuw. Zijn Drie essays over godsdienst bieden een uitgebreide en boeiende analyse van het verschijnsel religie. Hij behandelt hierin onder andere zaken als ‘intelligent design’, leven na de dood en het nut van religie. Ook geeft hij een reeks argumenten voor het bestaan van God en waarom monotheïsme beter in dan polytheïsme. Het geheel mondt uit in een kritiek op de traditionele kijk op religie en leidt tot een Religie van de Mensheid.
De Drie essays over godsdienst zijn postuum gepubliceerd door zijn stiefdochter, omdat Mill de reactie van de kerk vreesde. De lezer zal ontdekken dat Mills essays vandaag de dag nog net zo relevant en prikkelend zijn als ze waren voor zijn tijdgenoten. De essays verschijnen nu voor het eerst in Nederlandse vertaling.

 

 

Stuur door

De hondse filosofen

Georg Luck, Levenskunst uit de Griekse oudheid. Teksten van de Griekse cynici, Gorredijk: Noordboek 2024, ISBN 9789464711714, 384 blz., € 24,90 pb.

Boeken kennen weleens een complexe ontstaansgeschiedenis. De originele Duitse tekst verscheen in 1997. De Nederlandse vertaling, althans voor die gedeelten van de tekst die over de Griekse cynici gaan, kwam er voor het eerst in 2011, door Gerard Janssen voor de Griekse bronteksten, door Goverdien Hauth-Grubben voor de ‘inleidende teksten’ – wat daarmee ook moge bedoeld zijn–, uitgegeven door Bornmeer onder de titel ‘De wijsheid van de honden. Teksten van de Griekse cynici’. De uitgave door Noordboek is daarmee identiek, zelfs de afbeelding op de cover is dezelfde. Als we dan naar de literatuuropgave gaan kijken (blz. 373 vv.), stellen we vast dat de compilator, Georg Luck, een beroep heeft gedaan op de vroegere compilaties van (vertalingen van) de teksten van de cynici. Wel dient opgemerkt dat de Nederlandse vertaler, Mr. drs. G.W.J. Janssen, de tekstfragmenten vertaald heeft uit de oorspronkelijke Griekse en Latijnse bronnen; hij is ook de auteur van de nuttige verklarende voetnoten, terwijl de vaak meer uitvoerige toelichtingen achteraan in het boek van de hand van Luck zijn; het is mij niet duidelijk wie die vertaald heeft.

De verdiensten en de tekortkomingen van het voorhanden liggende boek moeten dus aan verscheidene personen toegeschreven worden. Georg Luck is verantwoordelijk voor de keuze van de teksten, en hem geldt daarvoor zowel lof als blaam. Lof voor het noeste opzoekingswerk, hoewel hij zoals gezegd daarbij de deskundige hulp heeft ingeroepen van auteurs sinds de oudheid die teksten van de cynici verzameld hebben. Enige blaam omdat hij daarbij wellicht en helaas veeleer de volledigheid betrachtte, die evenwel noodzakelijkerwijs moest leiden tot talrijke herhalingen en menige minder dan veelzeggende passages, terwijl een meer selectieve bloemlezing dat had kunnen verhinderen, wat althans deze lezer zeker zou geapprecieerd hebben: 384 bladzijden aan tekstfragmenten, kleine druk, is een niet geringe opgave. We weten niets over de vertaaltalenten van Luck, aangezien vertaler Janssen terecht niet zijn vertalingen heeft vertaald, maar de oorspronkelijke Griekse en Latijnse fragmenten. Dat is voortreffelijk gebeurd, in die zin dat de teksten vlot lezen – ik heb ze niet vergeleken met het origineel, al nopen sommige minder duidelijke passages wel tot een dergelijk nazicht. Het Nederlands is hedendaags, soms iets te naar mijn smaak (slagroomgebakjes? jurk? trui?), en af en toe schrik je van een suslapje (afgeschrokken, sic, blz. 170).

Het eindresultaat is een nuttige verzameling van wat er aan teksten van de Griekse cynici overgeleverd is, zodat de lezers zich zelf een oordeel kunnen vormen over hun filosofische inzichten en hun levenshouding en -wijze, en dat is altijd beter dan zich te verlaten op secundaire literatuur, die altijd ten minste gedeeltelijk verteken(en)d is. Doordat de teksten slechts gedeeltelijk en vooral uit lapidaire citaten bij (veel) latere auteurs tot ons gekomen zijn, blijft het ‘hondse’ denken een uitdaging voor de moderne mens. Aan de andere kant zal men vaak met genoegen kennisnemen van het originele denken van deze ‘ietwat’ vreemde figuren uit de Griekse wijsbegeerte. Maar ondanks die opvallende vreemdheid zal men zeker niet kunnen zeggen dat zij wereldvreemd waren: van alle filosofen waren zij misschien wel de meest aardse, en dat is geen geringe verdienste.

Stuur door

Inquisitie in de Middeleeuwen

Bernadette Demeulenaere, Inquisitie in de Middeleeuwen. Veroordeeld tot de brandstapel, Gorredijk: Sterck & De Vreese, 2024, ISBN 978 94 6471 221 6, 256 blz., € 29,90 pb.

De auteur, advocate en criminologe, is tevens de auteur van misdaadromans. Zoals velen onder ons is ze katholiek opgebracht, en heeft daaraan de gewone herinneringen en frustraties overgehouden. Die hebben ongetwijfeld haar belangstelling gewekt voor een minder bekend aspect van de beschavingsgeschiedenis van West-Europa, namelijk de intens christelijke middeleeuwen, die gekenmerkt waren door de machtsstrijd tussen wereldlijke en kerkelijke heersers, en door een grote verscheidenheid in de christelijke opvattingen, en de pogingen van het gezag om daarop in te grijpen met alle mogelijke middelen.

Het is geen fraaie geschiedenis. De auteur heeft ervoor gekozen om die toe te lichten aan de hand van zeven ‘schrijvers’, die ze achtereenvolgens voorstelt, en wier teksten ze gebruikt om haar verhaal te stofferen. Dat doet ze op een persoonlijke manier, met veel terzijdes en uitweidingen en interpretaties. Haar keuzes zijn deels voor de hand liggend: Dante van de Divina Commedia mag natuurlijk niet ontbreken, evenmin als Franciscus van Assisi, en ook paus Clemens V (die de orde van de Tempeliers ophief) is een verantwoorde keuze; deels zijn ze ook verrassend: de kerkjurist Gratianus, de inquisiteur Jacques Fournier, de begijn Marguerite Porette, en ten slotte Dostojevski’s Grootinquisiteur. De ondertitel verwijst naar het lot dat talrijke ‘ketters’ moesten ondergaan. Het valt op hoe gewelddadig het kerkelijke en het wereldlijke gezag tekeergingen, niet alleen tegen individuen, maar ook tegenover ketterse bewegingen en tegen de islam, tijdens de infame kruistochten uit deze periode.

De auteur vertelt haar verhaal op een levendige, bijna journalistieke manier. Ze brengt veel historisch materiaal aan dat ze heeft verzameld tijdens haar opzoekingen en lardeert dat met haar persoonlijke commentaren en reacties. Het is vanzelfsprekend onmogelijk om binnen het beperkte bestek van deze monografie de hele problematiek van de Middeleeuwen in al zijn aspecten aan bod te laten komen, en dat is ook niet de bedoeling geweest. Voor de geïnteresseerde leek is dit een goede kennismaking met enkele belangrijke momentopnames van die ‘duistere’ periode. Mij viel vooral het gemak op waarmee toentertijd over leven en dood beslist werd door rechtbanken, op grond van procedures en getuigenissen die men heden ten dage onaanvaardbaar acht, zoals bekentenissen na foltering, of afwijkende meningen over religieuze dogma’s. Aan de andere kant gebeuren dergelijke zaken nog steeds her en der in de wereld. De middeleeuwen zijn nog niet overal voorbij. Het is goed ons aan ons eigen verleden te herinneren, om in te zien waar we vandaan gekomen zijn, en welke weg er nog afgelegd moet worden.

Stuur door

Heksen

Marion Gibson, Heksen. Een wereldgeschiedenis in dertien heksenprocessen, van de middeleeuwen tot nu, Amsterdam: Ambo|Anthos Uitgevers, 2023, 337 blz., ISBN 9789026367977, € 24,99 pb.

Papier is verduldig, of zoals Cicero al schreef (ad fam. V, 12, 1) epistola non erubescit (een brief bloost niet). Zo komt het dat men onbeschaamd een boek de wereld kan insturen onder een titel als deze, en zo zelfs iemand zoals ik verleiden om zich het boek aan te schaffen, in mijn geval ter recensie. Van bij de aanvang was mijn argwaan gewekt. De auteur is hoogleraar renaissanceliteratuur ‘en magische literatuur’ en heeft al negen ‘wetenschappelijke’ studies geschreven over heksen in de geschiedenis en de literatuur. Dat is ook wat we hier aangeboden krijgen. Enerzijds beroept de auteur zich op historische bronnen, anderzijds gebruikt ze secundaire literatuur, journalistiek en fictie als ‘bronnen’. Het resultaat is een vreemd amalgaam, gevat in een geëngageerd betoog, veeleer dan de historische studie die de titel doet vermoeden.

Blijkbaar is dat de nieuwe manier om aan wetenschap te doen. Geen poging meer om als objectieve waarnemer zoveel mogelijk de feiten zelf weer te geven, maar een persoonlijke, ‘empathische’ interpretatie, waarin volop intentieprocessen gemaakt worden, dat wil zeggen dat men mensen van alles toedicht. Dit boek is als het ware een parodie van een wetenschappelijke studie. De auteur is hoogleraar en schrijft een boek dat er ernstig uitziet, met feiten, verwijzingen, citaten en voetnoten, vaak veel meer dan relevant of nodig is. Wat je te lezen krijgt, is echter helemaal geen historisch relaas, maar de persoonlijke en emotioneel gedreven interpretatie van al het materiaal dat de schrijfster gelezen heeft. We krijgen niet zozeer de feiten, maar veeleer een eigenmachtige fictieve reconstructie van de gebeurtenissen alsof we erbij aanwezig zijn, en met uitvoerige toelichtingen over de gemoedsgesteltenis, de gevoelens en de vermeende uitspraken van alle betrokkenen, ook al staat daarover niets in de bronnen. Dat is het goed recht van een auteur van een historische roman, maar dat is dit boek niet. Wat het dan wel is, is me niet helemaal duidelijk, maar het zou mijns inziens een ernstige vergissing zijn het als geschiedschrijving te beschouwen.

De titel is overigens op alle punten misleidend. Het is geen wereldgeschiedenis, verre van. Het is zelfs geen eigenlijke geschiedenis van de hekserij of de heksenvervolgingen, maar een losse collectie van erg arbitraire commentaren bij dertien willekeurig gekozen, niet-representatieve uiteenlopende vreemde gebeurtenissen in de marge van de geschiedenis, hier opgeklopt tot sensationele feiten. Vooral het naast elkaar plaatsen van werkelijke heksenvervolgingen en dwaze gevallen van oplichterij en volksmisleiding is stuitend en laakbaar. Het onderwerp, en de slachtoffers, verdienen veel beter dan wat we hier voorgeschoteld krijgen. Woke personen en andere verdwaasden zullen er allicht hun hart aan ophalen: het boek heeft bewust alle ingrediënten om hen in hun bizarre opvattingen te bevestigen. De vertaling is vlot, maar hier en daar lijkt de betekenis van het origineel zelfs de vertaalsters te ontgaan.

Stuur door

De Blijde Boodschap, andermaal

Daniël De Waele, Heilige woorden. Een rondleiding door de geschriften van het Nieuwe Testament en het vroege christendom, Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers 2024, ISBN 978 90 435 4140 4, 495 blz., € 34,99 hardcover.

Waarom haalt een overtuigde atheïst en rabiate antiklerikaal als deze recensent een boek in huis over het Nieuwe Testament, en biedt hij zijn recensie daarover zonder enige scrupule ook nog aan voor opname op de website van het Humanistisch Verbond – waar die als je dit leest ook nog zonder meer aangenomen werd?

Wat me het eerst daartoe aanzette, was het feit dat het niet om een katholieke, maar een protestantse auteur gaat, en dat bleek al meteen een terechte overweging te zijn. Katholieke exegeten en Bijbelse apologeten zijn door de band/k genomen niet alleen meer gezagsgetrouw, maar (daarom) ook stellig(er) overtuigd van de goddelijke inspiratie en dus de onaantastbaarheid van de Bijbel als het Woord Gods. Protestanten (er)kennen geen centraal gezag, het protestantisme is in de 16de eeuw ontstaan uit verzet tegen het pausdom, en alvast deze protestant, Daniël De Waele, (ooit?) docent aan het Hoger Instituut voor Protestantse Godsdienstwetenschappen te Brussel en andere Vlaamse protestantse onderwijsinstellingen, spreekt eigenlijk met geen woord over een rechtstreekse goddelijke inspiratie van de ‘heilige woorden’ uit de titel van zijn boek. Hij situeert het ontstaan van die geschriften helemaal in hun historische, menselijke context, als door mensen bedacht en neergeschreven. Dat alleen al is een opluchting voor ongelovigen, die het idee van heilige woorden, afkomstig van een bovennatuurlijk wezen, vanzelfsprekend terecht verontwaardigd van de hand wijzen, maar wie niets menselijks vreemd is, of mag zijn.

Een verdere bedenking was dat hedendaagse vrijzinnigen, in tegenstelling tot sommigen van hun voorgangers, niet bepaald Bijbelvast zijn, en vaak zelfs geen idee hebben van wat er in de Bijbel staat, om nog te zwijgen van andere christelijke teksten. Dit boek is, zo werd me algauw duidelijk, op dat punt een veel betere handleiding dan de typisch katholieke inleidingen en commentaren, die geplaagd worden door de jammerlijke onbuigzame rechtgelovigheid van hun auteurs.

Maar – er is altijd een maar – laten we wel wezen: De Waele is geen vrijzinnige in onze betekenis, geen atheïst. Het is me niet duidelijk geworden uit dit boek waarin zijn geloof nog bestaat, dat komt niet expliciet ter sprake, behalve misschien in enkele zinnen uit de ’persoonlijke’ inleiding. Dat betekent dat hij weliswaar kritisch staat tegenover de teksten en hun oorsprong, en daarover heel open en in de eerste plaats vooral informatief communiceert, maar niettemin die teksten toch als belangrijk behandelt, en uitvoerig ingaat op hun betekenis, en die betekenis kan men moeilijk anders zien dan als godsdienstig.

Vandaar een merkbare tweeslachtigheid in zijn benadering. Terwijl hij vrijmoedig en zonder enige dogmatische terughoudendheid schrijft over de ‘menselijke’ oorsprong en overlevering van de geschriften, en op die manier bijna iconoclastisch en voor overtuigde en traditionele gelovigen zelfs blasfemisch, en voor ongelovigen dan weer voorbeeldig nuchter en zakelijk te werk gaat, zijn er evenveel passages en zelfs hoofdstukken waar hij zijn lovenswaardige (tekst)kritische houding achterwege laat, en zich hoofdzakelijk beperkt tot het klakkeloos weergeven van de inhoud van christelijke teksten, zonder zich veel zorgen te maken over de nochtans evidente vragen over hun herkomst en (kreupele) overlevering, noch over hun belang voor de mensheid, toen en nu. Daar blijkt hij veeleer te preken voor eigen parochie dan te vloeken in de kerk.

We zijn dus enerzijds op goede weg met deze genuanceerde protestantse voorstelling van de christelijke basisliteratuur, althans in vergelijking met de veel dogmatischer kerkelijke katholieke, maar anderzijds blijft de auteur helaas wel nog in ruime mate schatplichtig aan zijn gelovige tradities. In die zin is dit voor vrijzinnigen of atheïsten ongetwijfeld een betere keuze dan de vaak compleet onverteerbare katholieke schrijfsels, maar doet men er uiteindelijk toch beter aan om te rade te gaan bij nog minder vooringenomen benaderingen. Het verschil met bijvoorbeeld de boeken uit de monumentale tiendelige reeks van Deschners Kriminalgeschichte de Christentums over dezelfde materie is … monumentaal. Men zal allicht opwerpen dat Deschner dan weer zondigt door een onverholen vooringenomenheid tegen alle godsdienst, maar zelfs met al de pathos van zijn terechte verontwaardiging lijkt die me toch ver te verkiezen boven de aangenaam verrassend vrijmoedige en in die mate verdienstelijke maar ondanks haar hoge informatieve waarde uiteindelijk ten gronde door haar inherente ‘godsdienstigheid’ getekende en zeker en in die mate voor vrijzinnige en andere streng kritische lezers finaal toch onbevredigende poging van deze auteur.

Stuur door

Verwondering

Cornelis Verhoeven, Inleiding tot de verwondering, Eindhoven: Damon, 20246, ISBN 978 94 6340 421 1, 210 blz., € 19,90 pb.

Uitgeverij Damon is, het moet gezegd, dapper. Dit boek van Cornelis Verhoeven verscheen voor het eerst in 1967 bij Ambo, en vanaf 1999 in opeenvolgende herdrukken, waarvan dit de zesde is, bij Damon. Om een onvermijdelijk gedateerde filosofische publicatie gedurende meer dan vijftig jaar in druk te houden is voorwaar een flinke dosis koppige branie of lef vereist, en ongetwijfeld niet minder pienter marktinzicht, maar vooral een eigenschap waaraan Verhoeven hier een uitvoerig slotessay wijdt: enthousiasme. Nu is Cornelis Verhoeven (1928-2001) blijkbaar ook na zijn dood een safe bet, vooral doch niet uitsluitend in Nederland. Damon bracht nog recentelijk drie verzamelingen uit met onuitgegeven essays van hem uit de jaren ’50. In de loop der jaren heb ik enkele van zijn talrijke (latere) essays verzameld, en die telkens met genoegen gelezen. Ook zijn vertalingen van Seneca zijn me telkens behulpzaam. Het was vanuit die welwillende belangstelling dat ik deze uitgave van de Inleiding tot de verwondering ter recensie aanvroeg en gretig ter hand nam.

De herkenning was instantelijk. Dit was de Verhoeven die ik me herinnerde, en dat hielp me om door te zetten, want deze inleiding tot de wijsbegeerte is niet echt gesneden brood, en is overigens duidelijk ook niet zo bedoeld. Vooreerst is het onderwerp zelf weerbarstig: filosofie is op zich al arcane kennis, en filosoferen over filosofie is letterlijk om moeilijkheden vragen. Die moeilijkheden gaat de auteur niet uit de weg, hij lijkt ze eerder op te zoeken, gaat ze dan onvervaard te lijf, en neemt geen vrede met half werk of halve waarheden. Zijn meticuleus analyseren van fundamentele begrippen en geijkte termen is op zijn zachts gezegd koppig, zo al niet verbeten. Vervolgens stellen we nu vast dat zijn methode en stijl niet verwonderlijk typerend zijn voor de periode waarin het boek ontstond: de vroege jaren ’60. Vlaanderen en Nederland werden toen overspoeld door Franse en Duitse filosofische geschriften, en Verhoeven, die van opleiding en ook van beroep aanvankelijk veeleer een classicus is: hij vertaalde onder anderen Seneca, heeft zich daarin verdiept, heeft de problematieken, de methode, de taal en de stijl ervan overgenomen en zich eigen gemaakt. Sommige bladzijden lezen alsof het vertalingen zijn van Heidegger (die hij inderdaad eveneens vertaalde), en de citaten en verwijzingen in de voetnoten naar andere – vooral destijds – prominente denkers liegen er niet om.

Vandaag doet dat toch enigszins modieus en dus gedateerd aan. De toenmalig originele en vernieuwende uitgesproken voorliefde voor etymologische verklaringen en tegendraadse poëtische verwoordingen lijkt nu vaak gezocht, en soms zelfs misleidend doordat ze andere, zelfs evidente wegen onbetreden laat. De auteur is niet vies van uitgesproken meningen en verregaande conclusies uit zijn scherpe en uitgeplozen analyses, maar laat zich weleens verleiden en verblinden door zijn eigen briljante fascinaties.

Filosofie mag uitdagend omgaan met de taal, maar het hoeft niet noodzakelijk, het mag ook gewoon zakelijk zijn. Het poëtiseren van het filosofische discours is niet altijd verhelderend, het ongebruikelijke woord niet altijd het meest welsprekende. Verhoeven houdt ervan om de zaken grondig aan te pakken, alle aspecten ervan te bekijken en de diepere betekenis ervan te gaan zoeken in zelfs de verste uithoeken van alle mogelijke benaderingen. Vaak werkt dat inderdaad verrassend goed, maar soms raakt de lezer – en misschien zelfs de auteur – even de trappers kwijt, en zijn we aan het freewheelen in het ongewisse.

Niettemin blijft de Inleiding tot de verwondering ook voor hedendaagse lezers een boeiende verzameling van essays die niets aan belang ingeboet hebben, en waarvoor we Cornelis Verhoeven erkentelijk moeten blijven. Er zijn niet veel Nederlandstalige filosofen die ons een dergelijk kostbaar oeuvre nagelaten hebben, laten we deze dus maar koesteren als een dierbare blijvende waarde.

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten