
Hoop doet leven. Dat is wat we altijd gehoord hebben. Maar
is dat ook zo? En wat is hoop eigenlijk?
Ik heb het moeilijk met hoop, sinds mijn prille jeugd al.
Hoop is bedrog. Ze maken je iets wijs, zodat je er begint op te hopen, ernaar
te verlangen. En als het dan niet komt, dan zeggen ze: ja maar, het is niet
omdat je erop hoopt dat het ook gebeurt, hé.
Als kind leer je snel af om teveel te hopen. In Eeklo, mijn
geboortestad, was donderdag marktdag. De marskramers stelden hun waren tentoon op
lange toontafels, grote panelen uit planken die rustten op houten schragen. In
onze buurt was er een oudere man, Kamiel, die de toontafels wekelijks uit zijn opslagplaats
naar de marktplaats bracht. Hij deed dat met een steek- of stootkar, letterlijk
een kar die je voor je uit duwt, in tegenstelling met een trekkar, die trouwens
meestal door een lastdier getrokken werd. Dat beeld van Kamiel en zijn steekkar
staat me nog levendig voor ogen, al is het zestig jaar geleden. Vermoedelijk
was Kamiel erg geamuseerd door de belangstelling van de peuter die ik was en
dat verleidde hem tot een vast grapje: ‘k zal u ne keer en klein kerreken
geven! Ik wist niet beter dan dat hij ergens zo’n klein karretje had, op mijn
maat en ik zag mezelf daar al mee rijden. Elke week opnieuw stond ik daar,
hopend op mijn karretje en elke week stelde Kamiel me gerust: ja ja, ik mocht
gerust zijn, hij zou me een karretje geven. Toen dat zo een tijdje geduurd had,
begon ik me stilaan vragen te stellen. Waarom lachte hij altijd zo als hij dat
zei? En waarom had ook mijn moeder zoveel plezier bij ons tafereeltje?
Misschien had hij nu nog al zijn karretjes nodig, maar hij was al oud (vond ik
toen) en misschien deed hij binnenkort zijn karren weg. Nog wat geduld, dus. Of
misschien was ik nog te klein en moest ik wachten tot ik groot was, dat had ik
ook al gehoord. Een kar, ook een kleintje, geef je niet zomaar weg, van de ene
dag op de andere, dat begreep ik ook wel, maar als ik hem lang genoeg
herinnerde aan zijn belofte, vriendelijk, beleefd, zonder hem lastig te vallen,
dan zou het op een goede dag toch eens zo ver zijn. Hij had het immers beloofd,
toch?
Je begrijpt, lieve lezer, veel beter dan ik toen, dat het
niet meer was dan een grapje. Uiteindelijk heb ik op een dag mijn stoute
schoenen aangetrokken. Ik moet een jaar of zes geweest zijn. Kamiel was de grootvader
in de snoepwinkel in de Zuidmoerstraat, enkele huizen van ons vandaan. Ik ben
hem daar gaan vinden, een grote, struise man in een verschoten lichtbruin panen
werkmanspak, een vormeloze ‘klak’ op zijn kalende kop. Eerst lachte hij mijn
vraag weg: hij kon zich blijkbaar niet realiseren dat ik het ernstig meende,
het was toch maar een grapje, dat had ik toch ook door? Toen hij inzag dat dat
niet zo was, werd hij ernstig en zelfs een beetje kwaad: ik wist toch wel dat
hij geen klein karretje had voor een kind als ik? En hij had al zijn karren
nodig. Wat zou ik overigens met zo’n kar aanvangen? Waar zou ik er mee blijven?
Een kar kost veel geld, dat verstond ik toch ook?
Ik had het eigenlijk al door toen ik hem ging opzoeken. Het grapje
was niet leuk meer, hij speelde met mijn voeten, het was een loze belofte. Dit was
mijn manier om een einde te maken aan onze wekelijkse pantomime. De realiteit
was binnengedrongen in mijn droomwereld. Mijn hoop was vervlogen. Zo groeien we
op, zo worden we volwassen. Maar ik ben Kamiel en mijn ‘kerreken’ nooit
vergeten, blijkbaar en ik heb het hem en alle volwassenen en hun loze beloften ook
nooit vergeven.
Hoop is verlangen dat iets goeds gaat gebeuren, terwijl je
daar geen goede redenen voor hebt. Als er een goede kans is dat je verlangens
zullen uitkomen, dan is dat geen hoop, maar een verwachting. Het is enkel als het
meer waarschijnlijk is dat je zal teleurgesteld worden, dat we spreken van
hoop. Of als je helemaal geen reden hebt om te hopen, als er een heleboel contra-indicaties
zijn. Hoop is vermetel, ijdel, vroom, vals, ongegrond, zonder reden, tegen alle
beter weten in. Hopen is jezelf iets wijsmaken. Anderen hoop geven is hén iets
wijsmaken. Dat is niet netjes, geen van beide.
Als het einde voor mij gekomen is, dan wens ik dat zo vroeg
mogelijk te vernemen, zonder vergoelijking. Ik zou het zeer kwalijk nemen
indien men mij de waarheid zou onthouden en me valse hoop zou geven. Waarom immers?
Hoop doet leven? Maak dat een ander wijs. Matteüs 6,27: ‘Wie van jullie kan
door zich zorgen te maken ook maar één el aan zijn levensduur toevoegen?’
Of door hoop? Zou het kunnen dat een hoopvolle ingesteldheid
een gunstige invloed heeft op onze levensduur of op ons geluk? Ik zou nog
kunnen aannemen dat een optimistische levenshouding daartoe bijdraagt, maar
optimisme is iets anders dan hoop. Dat is wat Matteüs bedoelt: maak je geen
onnodige zorgen, dat helpt niet, integendeel. Er sterven meer mensen van angst dan
van iets anders. Bij de kernramp in Fukushima zijn al meer mensen gestorven
door zich zorgen te maken over het stralingsgevaar dan door de straling zelf.
Angst is een slechte raadgever. Maar hoop is dat eveneens.
Want wie teveel hoopt, komt voortdurend bedrogen uit en dat is geen goed
gevoel: teleurstelling leidt tot verbittering en dat is het tegenovergestelde
van gezond optimisme. De optimist richt zich vooral op de positieve kant van de
zaak en haalt zijn schouders voor al wat verkeerd kan gaan. De hoopvolle mens hoopt
vooral dat er geen kwaad zal geschieden, dat hij of zij zal gespaard worden, of
het groot lot zal winnen. Mensen die hopen, verwachten het geluk van het toeval
of van anderen. Zij zijn veeleer passief, ze slaan niet zelf de hand aan de
ploeg. Mensen die op hoop leven, kopen een loterijbiljet en kijken hoopvol uit
naar het resultaat van de trekking. De hoopvolle mens is daarom angstig en
onzeker, de optimist is een realist. Hoop is wat je overhoudt wanneer alle
redenen voor optimisme verdwenen zijn.
Hoop is een van de drie goddelijke of christelijke deugden,
ontleend aan Paulus’ eerste brief aan de Korintiërs: “Ons resten geloof, hoop
en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.” Een christenmens
heeft veel om in te geloven en nog meer om op te hopen. De grondgedachte van
het christendom is dat er een God is die ons na onze dood zal belonen met
eeuwige gelukzaligheid, op voorwaarde dat wij hier op aarde zijn wil hebben
gedaan. Wij moeten dat geloven op zijn woord, dat hij tot ons gesproken heeft in
de Bijbel. Maar, zo zei ook de pientere Godfried Kardinaal Danneels altijd: wij
weten daar in feite niets over, wij hopen dat het zo is. Geloof en hoop vallen
dan samen. Geloven is aannemen dat wat men hoopt zal uitkomen. Het geloof
probeert ons redenen aan te reiken die onze hoop uit zichzelf mist.
Als kind al vond ik de zo aangeprezen christelijke hoop
totaal ongegrond en misplaatst, belachelijk zelfs. We moesten toen dagelijks de
Vier Akten afdreunen. Dit is die van Hoop, eerst in het Latijn, dan in mijn letterlijke
vertaling en vervolgens in de officiële Nederlandse en Vlaamse versies.
Domine Deus, spero per
gratiam tuam remissionem omnium peccatorum, et post hanc vitam aeternum
felicitatem me esse consecuturum: quia tu promisisti, qui es infinite potens,
fidelis, benignus, et misericors. In hac spe vivere et mori statuo. Amen.
Heer God, ik hoop op
de vergeving van alle zonden door uw genade en dat ik na dit leven het eeuwige
geluk zal verwerven; omdat gij het beloofd hebt, omdat gij oneindig machtig
zijt, trouw, welwillend en mededogend. Ik bevestig dat ik in deze hoop wil leven
en sterven. Amen. (KD)
Mijn Heer en mijn God,
ik hoop met een vast betrouwen van U te bekomen, door de verdiensten van Jezus
Christus het eeuwig geluk en de genaden om het te verdienen, omdat Gij oneindig
goed zijt voor ons, almachtig en getrouw in uw beloften. In deze hoop wil ik
leven en sterven. (Vlaanderen)
Oneindig goede God, ik
hoop, door de verdiensten van Jezus Christus, van U te verkrijgen: de eeuwige
zaligheid en alle genaden, die ik daarvoor nodig heb. Dat hoop ik met een vast
vertrouwen, omdat Gij het hebt beloofd, die almachtig zijt, oneindig goed voor ons
en getrouw in uw beloften. Heer versterk mijn hoop! (Nederland)
Merk de verschillen
op… In de oorspronkelijke tekst is er geen sprake van Jezus Christus, in de
Nederlandstalige teksten staat er geen woord over de vergeving van de zonden.
Let ook op de redenering: wij hopen dat onze zonden zullen vergeven worden en
dat we de eeuwige zaligheid zullen verwerven, maar waarom? Letterlijk omdat God
het beloofd heeft, omdat hij bovendien ook nog almachtig is, hij kan dus zowel
het een als het ander waarmaken; omdat hij trouw is en dus zijn beloftes zal
nakomen; omdat hij het goed voor heeft met ons en omdat hij medelijden heeft met
ons.
Dat hij het beloofd heeft, dat staat in de Bijbel, vooral in
de brieven van Paulus, veel minder duidelijk in het Evangelie. Dat hij
almachtig is, trouw, welwillend en medelijdend, daar moeten we van uitgaan, dat
moeten we geloven, maar de enige grond die we daarvoor hebben, is de Bijbel.
Als we dus niet geloven in de Openbaring, dan vervalt de hele redenering.
Daarom is dit een akte van hoop: we hebben geen enkele reden om aan te nemen
dat onze hoop zal bewaarheid worden dan ons geloof in de openbaring. Geloof en
hoop vallen weer samen. We geen geloof heeft, heeft ook geen hoop.
Zijn ongelovigen dan hopeloos of wanhopig? Dat blijkt niet.
Er zijn meer heidenen dan christenen, altijd al geweest en de balans slaat
steeds verder door in het voordeel van de ongelovigen. Maar de wanhoop en de
vertwijfeling vinden we vaker bij christenen dan bij ongelovigen. Geen enkele
godsdienst is zo verscheurd door wanhoop als het christendom. En dat is niet te
verwonderen. Datgene wat we verhopen is immers zo vergezocht en zo veraf, dat ook
de meest fanatieke gelovigen er de grootste moeite mee hebben. Zelfs Jezus werd
door twijfel gekweld, bij de aanvang van zijn openbaar leven, toen hij zich
ging bezinnen in de woestijn en helemaal op het einde, in de tuin van Getsemane,
de hof van olijven en zelfs aan het kruis: Mijn God, waarom hebt gij mij
verlaten?
Geloof is waar het opaankomt. In Markus 9, 14-29 lezen we
het verhaal van een kind dat door de duivel bezeten is (maar meer
waarschijnlijk epileptisch). Ik citeer wat er dan gebeurt:
21 Jezus vroeg aan zijn vader: ‘Hoe lang heeft hij hier al last van?’
Hij antwoordde: ‘Al vanaf zijn vroegste jeugd, 22 en hij heeft hem zelfs vaak
in het vuur gegooid en in het water met de bedoeling hem te doden; maar als u
iets kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.’ 23 Toen zei Jezus
tegen hem: ‘Of ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie gelooft.’ 24 Meteen
riep de vader van het kind uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.’ 25 Toen
Jezus zag dat er een grote groep mensen toestroomde, sprak hij de onreine geest
op strenge toon toe en zei: ‘Geest die doof en stom maakt, ik gebied je: ga uit
hem weg en keer niet meer in hem terug.’ 26 Onder geschreeuw en met hevige
stuiptrekkingen ging hij uit hem weg; de jongen bleef voor dood achter, zodat
de mensen zeiden dat hij was gestorven. 27 Maar Jezus pakte hem bij de hand om
hem overeind te helpen en hij stond op.
Jezus vraagt alleen dat de vader gelooft, waarop de vader
vanzelfsprekend antwoordt: natuurlijk geloof ik, zeg maar wat ik moet geloven!
Als het dat maar is…
Er is iets fundamenteel verkeerd met de christelijke hoop op
de vergeving van al onze zonden en op een eeuwig verblijf in de hemel. In het
Evangelie zegt Jezus herhaaldelijk: uw zonden zijn u vergeven, tot grote
ergernis van de Farizeeën, want volgens hen kan enkel God de zonden vergeven.
Maar dan speelt Jezus met hen een spelletje blufpoker (Mt 9):
1 Hij stapte weer in
de boot en stak over, terug naar zijn eigen stad. 2 Daar probeerden een paar
mensen een verlamde bij hem te brengen die op een draagbed lag. Bij het zien
van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Wees gerust, uw zonden worden u vergeven.’
3 Daarop zeiden enkele schriftgeleerden bij zichzelf: Wat een godslasterlijke
taal! 4 Jezus doorzag hun gedachten en zei: ‘Waarom hebt u zulke boosaardige
gedachten? 5 Wat is gemakkelijker, te zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of:
“Sta op en loop”? 6 Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op
aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde: ‘Sta op, pak uw bed
en ga naar huis.’ 7 En hij stond op en ging naar huis. 8 Bij het zien hiervan
werden de mensen van ontzag vervuld en ze loofden God, om de macht die hij aan
mensen heeft verleend.
Jezus was mens, maar ook God. Dat ook de apostelen en dus
later alle priesters de macht hadden om zonden te vergeven, staat enkel bij
Johannes (20,23 ). Bedenk ook dat de mirakels in de Bijbel (en bij
heiligverklaringen vandaag) niet meer zijn dan een literair genre. Indien er
ooit een echt en onbetwist mirakel zou gebeuren, zou dat de zaak totaal
veranderen. Mirakels bestaan niet, zo simpel is het.
Wat is er zo belangrijk aan die vergeving van de zonden? Simpel:
enkel wie zonder zonde is, kan de eeuwige zaligheid bereiken. In de
oorspronkelijke tekst van de akte van hoop staat dat duidelijk vermeld. Het is
een soort koehandel: alle mensen zijn zondaar, dat is evident; zondige mensen
gaan niet naar de hemel, God is immers rechtvaardig, hij beloont de goeden en
straft de slechten. Dus gaat niemand naar de hemel. Gelukkig is er een uitweg:
je zonden kunnen vergeven worden, maar enkel als je in God gelooft en in Jezus
en vooral in Paulus en in de Kerk. En je hoeft niets te bewijzen: het pas ‘aan
het einde der tijden’ dat de grote afrekening plaatsvindt. Er is nog nooit
iemand teruggekomen, we weten het dus niet, al wat we kunnen doen is hopen.
Het is precies die belofte van eeuwig leven die zo totaal ongeloofwaardig
is en het is de valse hoop op het eeuwig leven die voor de mens alles verpest
hier op aarde. Als er een buitenaardse almachtige God is, dan zijn wij nietig
en is elk van onze tekortkomingen een zonde, een belediging van God. Denk God
weg en het hele perspectief verandert. Wij zijn niet meer nietig, maar autonoom
en vrij maar ook verantwoordelijk. Zonde is dan een begrip dat we niet meer verstaan,
onze fouten zijn overtredingen van onze eigen wetten, waarvoor we hier onze
straf (kunnen) krijgen. Misdaden begaan we tegenover de gemeenschap, niet
tegenover een abstracte God. Alles is hier en nu te doen en te laten. En er is
geen miraculeuze vergeving van de zonden, door niemand, we moeten leren leven
en sterven met de gevolgen van onze daden, in het besef dat niemand van ons
zonder fouten is.
Is er dan geen hoop voor ons?
Natuurlijk wel. Er is niets mis met hoop, alleen met de
christelijke hoop op de vergeving van de zonden en op het eeuwig gelukzalig leven.
Het christendom heeft het begrip hoop hopeloos verknoeid. We moeten het opnieuw
uitvinden, want zonder hoop is er inderdaad geen leven.
Hopen doen we allemaal, te beginnen met de hoop dat het morgen
beter zal gaan. Voor die overtuiging, dat geloof, hebben we wel degelijk goede
gronden. We hoeven slechts om ons heen te kijken om te zien dat we het nu
globaal gezien veel beter hebben dan ooit in de geschiedenis van de mensheid en
dat met meer mensen dan er ooit tegelijk geweest zijn. We kunnen dus gerust
hopen dat het zo verder zal gaan, dat er ooit vrede op aarde zal zijn, dat
ziekten uitgeroeid of onder controle zullen zijn, dat er voldoende eten en
drinken zal zijn voor iedereen, dat onze beschaving in haar diversiteit alle
mensen ter wereld zal ten goede komen, dat de rijkdom rechtvaardig zal verdeeld
zijn en dat zelfs de minste onder de mensen niet nodeloos ontbering zal hoeven
te lijden, kortom dat zoveel mogelijk voorwaarden zullen vervuld zijn om het
geluk van zoveel mogelijk mensen te realiseren. Dat mogen we hopen, omdat het
gaat over hier en nu, omdat we het in eigen handen hebben, omdat we er zelf
iets kunnen aan doen, omdat het niet afhangt van de genade van God of het offer
van zijn zoon, maar van onze eigen inspanningen voor elkaar. Zeker weten doen
we het niet, het is ‘maar’ een hoop en het is niet omdat we het hopen dat het
ook zo zal zijn, het kan ook helemaal fout gaan, als een grote asteroïde op de
aarde inslaat, dan is het met ons gedaan, zoals miljoenen jaren geleden met de
dinosaurussen. We hopen dat het niet gebeurt: we weten dat het kan, maar de
kans is gering. Dat is een gezonde manier van hopen, omdat ze rekening houdt
met de realiteit. Er is een zeer reële kans dat er geen asteroïde inslaat voor onze
zon haar destructieve eindfase ingaat. Dat rechtvaardigt ons optimisme.
Enkel op die manier kunnen wij mensen de wanhoop vermijden. Een
geestelijk gestoorde geïnterneerde in een overvolle Belgische gevangenis is van
alle hoop verstoken. Voor hem of haar zal het nooit beter worden, er is geen
hoop op genezing, er is zelfs geen therapie, geen behandeling, geen kans op
vrijlating. Als je nog niet gek was, zou je het wel worden onder dergelijke
omstandigheden. Dat is wat ook in de concentratiekampen gebeurde en in de
goelag en in Guantanamo en in de kerkers van dictatoriale regimes overal ter
wereld. Neem mensen hun hoop af en je ontneemt hen het leven. Maar als je ook
maar een sprankje hoop laat, zal zelfs de meest geslagen mens omhoog kijken
naar het licht dat schijnt in de duisternis en in zichzelf voldoende kracht
vinden om de menselijke waardigheid op te eisen en te realiseren.
Laten we elkaar goed begrijpen. Zonder hoop kunnen we niet
leven. Maar onze gezonde hoop is op de mens gevestigd, niet op een God die
mensen uitgevonden hebben met als enige bedoeling om andere mensen aan zich te
onderwerpen, zelfs als dat met de beste bedoelingen gebeurde, wat zelden het
geval was.
Wie gelooft in een dergelijk fictief Opperwezen is levenslang
overgeleverd aan knagende onrust, onvermijdelijke twijfel, vernietigende radeloosheid,
verlammende onzekerheid, irrationele gevoelens en tegenstrijdige emoties: zwarte
wanhoop, kortom.