Het abortus-debat: de rechten van het ongeboren leven
Recht op leven
Wanneer het abortusdebat weer eens oplaait, zie je altijd dat ene tegenargument opduiken, namelijk het recht op leven van het ongeboren kind. Het is een moeilijke discussie, ook juridisch, want een foetus is geen persoon, geen rechtssubject. Pas bij de geboorte, wanneer de foetus de moederschoot verlaten heeft, spreken we van een kind, een mens. Maar het is onmiskenbaar zo dat men een kind niet los kan zien van de conceptie en de ontwikkeling gedurende de zwangerschap. Het kind ontstaat bij de bevruchting en groeit spectaculair naar levensvatbaarheid toe. De geboorte is in die zin slechts een moment in een ontwikkeling van een levend wezen. Een foetus is geen onderdeel van de moeder, zoals haar longen of haar baarmoeder. Toch voelt men aan dat de reële belangen en de fundamentele rechten van de moeder, zoals haar zelfbeschikkingsrecht, een beperking kunnen betekenen voor de bescherming die een foetus impliciet en expliciet, dus ook juridisch geniet. Dat blijkt uit e abortuswetgeving, die zwangerschapsonderbreking toelaat, maar onder voorwaarden, en niet na het verstrijken van een eerste periode. Vanaf een bepaalde — maar sterk variërende — ‘leeftijd’ van de foetus, is die ook beschermd tegen niet-therapeutische zwangerschapsonderbreking op verzoek van de moeder.
In feite is dat absurd. Waar men ook die grens trekt, het is altijd een arbitraire beslissing. Meestal erkent men 24 weken als de grens voor levensvatbaarheid, maar dat is geen absolute zekerheid, slechts een statistische benadering. Op 24 weken is er slechts 50% kans op overleven. Meestal legt men de grens voor abortus om niet-medische redenen veel eerder, op 12, 14 of 18 weken. Dat wijst erop dat men twijfelt over de status en de rechten van het ongeboren leven: in een eerste periode is de bescherming minimaal of zelfs onbestaande (de morning-afterpil, een spontaan miskraam) , dan louter afhankelijk van de beslissing van de moeder, dan absoluut, terwijl het altijd over eenzelfde levend wezen gaat. Vandaar dat veel mensen absoluut tegen ‘vrijwillige’ abortus zijn, en dat is ook mijn aanvoelen.
Er moet dus iets anders zijn dat mensen, inzonderheid moeders, ertoe brengt om toch tot zwangerschapsonderbreking over te gaan. Veelal is dat omdat de foetus op een of andere manier als een bedreiging aangevoeld wordt. Dat is een realiteit waar men niet om heen kan. Vruchtafdrijving is van alle tijden. In Vlaanderen gebeuren er jaarlijks ongeveer achtduizend (geregistreerde) abortussen, tegenover meer dan zestigduizend geboortes. Vroeger waren alle abortussen illegaal, maar ter bescherming van alle betrokkenen heeft men in België vanaf 1990 abortus onder bepaalde voorwaarden gedeeltelijk gedepenaliseerd. Dat is blijkbaar het opzet van de wetgeving: een feitelijke toestand, namelijk het (laten) uitvoeren van abortussen uit de illegaliteit halen zodat ze ook hier ongestraft onder de beste medische voorwaarden kunnen gebeuren. Er wordt geen uitspraak gedaan over het recht op leven van het ongeboren leven, en dat kan ook niet: als men dat absoluut stelt, kan abortus niet; als men dat absoluut ontkent, kan abortus ook tot vlak voor de geboorte. Over de grond van de zaak, namelijk het ontstaan van het menselijk leven bij de voortplanting, is het vrijwel onmogelijk om op grond van deugdelijke argumenten tot sluitende conclusies te komen die voor (bijna) iedereen aanvaardbaar zijn. Dus beperkt men zich tot het vastleggen van praktische wetten in het parlement bij meerderheid van stemmen — in principe zijn de parlementsleden in deze materies niet gebonden door de partijtucht, maar dat is alleen in principe zo, en niet in de praktijk —, meestal na politieke akkoorden bij de regeringsvorming.
Een argument dat in deze discussie vaak naar voren gebracht wordt, is dat van de rechten van de ouders met betrekking tot hun kinderen. Dat is zeker het geval bij abortus, waar de ouders —en uiteindelijk de moeder — beslist over leven en dood van een (potentieel) kind. Men verwijst dan naar de (bewuste of de facto) beslissing van die ouders om een kind te verwekken. Zoals gezegd, is de discussie daaromtrent eindeloos en zonder uitkomst. Wanneer het over levende wezens gaat, inzonderheid mensen, heeft iedereen wel een (al dan niet eigen, en al dan niet verdedigbare) mening, maar algehele eensgezindheid is er niet, en dat is ook niet te verwachten. Oorlog, armoede, verdeling van de rijkdom, sociale zekerheid, abortus, euthanasie, seksualiteit, moord, de doodstraf &c. geven al altijd en nog steeds aanleiding tot verhitte discussies, zowel politiek, wetenschappelijk als onder individuen.
Op de rechten van de ouders over hun kinderen wil ik nog even wat dieper ingaan. Historisch gezien is daar een enorme evolutie merkbaar, namelijk van quasi absoluut beschikkingsrecht van de ouders, inzonderheid de vader, naar een in de leeftijd van het kind steeds verder dalend recht van het kind. Dat merken we in het abortusdebat, waar men zelfs het recht op leven van het amper verwekte leven absoluut verdedigt. Ook de leeftijd van seksuele instemming is aanzienlijk verlaagd, evenals de leeftijd van de stemgerechtigdheid. Maar ook over dat recht van de ouders is er geen overeenstemming. Zo verdedigt men bijvoorbeeld het recht van de ouders om pasgeboren kinderen te doen besnijden. In de praktijk beslissen ouders vanaf de geboorte vanzelfsprekend de facto noodzakelijkerwijs over vrijwel alles, en de kinderen niets, maar verschuift dat in omgekeerde richting naarmate de kinderen opgroeien. Toch zijn er ook daar enorme individuele en collectieve verschillen. Sommige ouders blijven bazig, andere erkennen (vaak noodgedwongen) de groeiende zelfstandigheid van hun opgroeiende kinderen. Uit mijn eigen pijnlijke ervaring als kind wil ik ervoor pleiten om als ouder (en opvoeder in het algemeen) steeds slechts zo veel als noodzakelijk en zo weinig mogelijk de vrijheid van kinderen te beperken. Zeker, de ouders moeten keuzes maken voor hun kinderen, maar overleg daarover met hen van zodra dat mogelijk is, en ook met anderen, is niet alleen aangewezen, maar absoluut vereist. In die zin is iets als besnijdenis van pasgeborenen —en à la rigueur later! —uit den boze. Dat geldt ook voor het opleggen van religieuze en cultuurgebonden verplichtingen die de kinderen in een bepaalde ideologische richting sturen. In dat opzicht hebben ouders mijns inziens géén verdedigbare rechten, en is elk machtsmisbruik ter zake ten zeerste laakbaar. Men onderschat de eigen gefundeerde mening van kinderen op dat vlak meestal heel erg. Zo heb ik me vanaf mijn prilste jeugd altijd verzet tegen een alomtegenwoordige katholieke christelijke opvoeding en opname in een van de zuilen; desondanks heeft de hardvochtige gewelddadige indoctrinatie me zodanig misvormd dat ik daarvan nog elke dag de gevolgen draag.
Wanneer men ertoe overgaat om nieuw leven te verwekken, moet men ervan uitgaan dat het om een uniek zelfstandig individu gaat. Dat dat individu aanvankelijk volledig van jou afhankelijk is, en zelfs dat je het onvoorwaardelijk liefhebt, verandert daaraan niets wezenlijks. Elke mens is vrij geboren en moet in en tot vrijheid kunnen opgroeien. Als ouders, en als maatschappij, kunnen wij geen aanspraak maken op rechten tegenover kinderen, onze kinderen of die van anderen, ook al zijn ze tijdelijk van ons afhankelijk.
De verhoudingen tussen mensen onderling zijn complex en evolueren voortdurend: tempora mutantur, nos et mutamur in illis. In een democratische samenleving leggen we de grondregels daarvoor vast in wetten en besluiten. Dat ontslaat ons er niet van om ons ook voortdurend te bezinnen over de grondvragen van ons bestaan. Errando discimus, we leren uit onze fouten, of uit het besef dat iets beter kan. Berusten in de bestaande toestand, of die verdedigen met dogmatische argumenten, verhindert vooruitgang op de weg naar grotere volmaaktheid. Plus est en nous. Meliora sequamur.

