
Bij mijn jongste bezoek aan de bibliotheek
van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte (HIW) van de Leuvense Universiteit
merkte ik bij de nieuwe aanwinsten een boek met de titel Matter and Mind en het was moeilijk om eraan te weerstaan. Het is
een van oudste vragen van de filosofie en van elke denkende mens en een kwestie
waarop ik hier al herhaaldelijk ben ingegaan.
Het is geen wereldvreemde of esoterische
vraag voor beroepsfilosofen, vind ik. Dat er materie is, dat moet ik niet
uitleggen. Dat er ook gedachten zijn, evenmin. Maar wat is het verschil tussen
beide? We zeggen dat materie ‘is’, dat ze ‘er is’. Dat zeggen we ook van onze
gedachten, onze gevoelens, van abstracte begrippen. We voelen spontaan aan dat
er een verschil is tussen het ‘zijn’ van een blok arduin en het ‘zijn’ van de
gedachte ‘met geweld los je niets op’, of het gevoel van verliefdheid, of het
concept ‘de som van de hoeken van een driehoek is 180°’. Het zijn allemaal zeer
reële ‘dingen’, maar niet op dezelfde manier.
Dat er een verschil is, dat is een
vaststelling die we allemaal wel eens maken. Van sommige dingen zeggen we: dat
is maar inbeelding, of het is maar een gedacht, of je kan niet leven van de
liefde en de hemelse dauw.
Veel moeilijker wordt het als we proberen
de verschillen aan te duiden, ze te benoemen.
Sommige dingen zijn tastbaar, andere niet.
Lucht is veel minder tastbaar dan arduin, maar je merkt de aanwezigheid van
lucht als het waait. Sommige dingen, waarvan we zeker zijn dat ze er zijn, zijn
niet echt tastbaar. Neem nu de zwaartekracht. Zelfs als we de wiskundige
formules niet kennen, weten we dat die er is: de appel valt van de boom. Iets
moeilijker, maar nog begrijpelijk: eb en vloed worden veroorzaakt door de
aantrekkingskracht van de maan. We zien dat er een kracht wordt uitgeoefend,
ook als we die kracht zelf niet zien. Als je kookt merk je dat de ingrediënten
lekker ruiken, ook al zie je de geur niet die zich beweegt van wat je kookt
naar je neus. Elektriciteit is niet zichtbaar, maar wel tastbaar, als je niet
oplet. Het licht van de zon of van een lamp is maar zichtbaar als het op of
door iets schijnt; je ziet dat de dingen, dank zij het licht, maar niet het
licht zelf.
‘Tastbaar’ is een rekbaar begrip, waarin we
allerlei materiële ervaringen onderbrengen. In de les fysica leren we dat er
atomen zijn en dat die uit nog kleinere deeltjes bestaan. We stellen ons die
voor als minuscule bolletjes die rond elkaar draaien. We zien ze niet, maar we
nemen aan dat ze er zijn. Iets moeilijker zijn allerlei stralingen, golven en
velden, die niet uit van die kleine bolletjes bestaan, maar uit krachten, zoals
de zwaartekracht van daarnet, of uit licht, of radioactieve straling. Maar met
enige moeite kunnen we ook dat nog tot het materiële rekenen, omdat we er
energie in ‘zien’, of de effecten van die energie kunnen vaststellen,
bijvoorbeeld als het goed fout gaat, zoals in Tsjernobil.
Maar wat met de gedachten die we
voortdurend hebben, zoals de dingen die bij jou opkomen terwijl je dit leest?
Zijn dat materiële, tastbare ‘dingen’?
Oppervlakkig gezien niet, dat is evident:
het is geen arduin. Anderzijds weten we dat ze zich afspelen in onze hersenen,
in ons brein, dat op een zeer intensieve manier verbonden is met de rest van
ons lichaam. Zonder hersenen kan je niet denken: gebruik uw verstand! Ben je op
je hoofd gevallen? We weten dus waar het te doen is, in onze hersenen en die
zijn zeer materieel, je kan ze wegen, als je iemand een dreun op zijn hoofd
geeft is hij ten minste tijdelijk buiten bewustzijn, als iemand een hersenletsel
heeft, is zijn verstandelijk vermogen aangetast.
Dat is het materiële aspect. Stilaan
ontdekt de wetenschap welke processen zich afspelen in onze hersenen terwijl we
denken: chemische, elektromagnetische, biologische, maar altijd
wetenschappelijk vaststelbare en onderzoekbare, dus altijd nog materieel.
Als de onderdelen van onze hersenen werken en
we meten die activiteit, dan stellen we vast dat we denken. Kunnen we op die
manier ook vaststellen WAT we denken?
Ja en neen. Niet in detail, dat lukt niet.
Maar men kan wel vaststellen welke delen van de hersenen werken en aangezien we
proefondervindelijk hebben ontdekt dat bepaalde hersencentra zich vooral met
bepaalde activiteiten of emoties bezighouden, kunnen we ook weten waarmee de
hersenen op een bepaald moment bezig zijn: kijken, luisteren, herinneringen
ophalen… We leren op dat punt voortdurend bij en dat stelt ons in staat om nog
een stapje verder te gaan.
Mensen die verlamd zijn en ook niet meer
kunnen praten, maar nog prima denken, kunnen we, door de signalen van hun
hersenen via een elektrode op te vangen en naar een computer te sturen, leren
om hun rolstoel te bewegen en zelfs te schrijven.
Dat is het beste bewijs dat wat zich in
onze hersenen afspeelt materieel is, anders konden we die signalen niet
opvangen. Die signalen zijn dragers van specifieke informatie: een letter, een
bevel om vooruit te gaan of te stoppen enzovoort.
Laten we nog iets dieper graven. Wat is het
verband tussen het materiële signaal, dat bestaat uit elektrische of andere
‘tastbare’ elementen in de hersenen enerzijds en de informatie anderzijds?
Dat is een wat moeilijker vraag. Denk aan
een boek, of de tekst die je nu leest. Enerzijds heb je de informatiedrager en
die is materieel, daaraan twijfelen we niet. Maar die informatie wordt maar
reëel op het moment dat je het boek of mijn tekst leest. Dan gebeurt er iets in
jouw hersenen: als bij mirakel begrijp je wat ik geschreven heb, of toch
grotendeels, of op je eigen manier. Er gebeurt iets in je brein. Ook dat is
materieel, zoals bij mij wanneer ik schrijf.
Maar daarmee is de kous niet af.
Er is immers meer gebeurd dan twee keren
materiële hersenactiviteit, eerst bij mij, dan bij jou. Er is ook een
informatieoverdracht gebeurd. Jij weet nu immers wat ik dacht toen ik dit
schreef! De gevolgen daarvan kunnen beperkt zijn. Je kan bijvoorbeeld matig
geïnteresseerd zijn en na lezing besluiten: tja, misschien wel en wat dan nog?
Maar als ik weer eens fel tekeer ga tegen de katholieke kerk, dan reageer je
misschien boos, ofwel juist heel positief, al naargelang je overtuiging. Als je
een oproep krijgt om mee te doen aan een betoging of een uitnodiging voor een
vergadering, of een aanmaning om je belastingen te betalen, dan kan die
informatieoverdracht ook zeer materiële gevolgen hebben.
We kunnen dus een zeker onderscheid maken
tussen de materiële kant van het denken en die is er zeker, daaraan twijfelen
we niet, en anderzijds de inhoud van dat denken, zowel bij wie die de
informatie stuurt als bij wie ze ontvangt. Het gaat dan om de betekenis van die
hersenactiviteit voor de betrokken personen.
Die betekenis is volledig afhankelijk van
de materiële processen in onze hersenen, anders kon onze verlamde persoon zijn
rolstoel niet bedienen via een hersenscan of een ingeplante elektrode. Maar die
betekenis zelf, dus het bevel ‘vooruit’ of ‘stop’, die we afleiden uit de
materiële signalen die we zenden en ontvagen, bestaat die ook echt, op een
materiële manier, zoals die signalen zelf? Dat, lieve lezers, is de vraag.
We twijfelen er niet aan dat die
gedachte-inhoud zeer reëel is: onze gedachte-inhouden zijn voor ons veel
belangrijker dan de materiële signalen. De materiële hersenactiviteit gebeurt
onbewust, automatisch, spontaan, we merken ze niet. Wat we waarnemen is enkel
de informatiedrager: het gesproken woord, een knipoog, een mailtje, een boek. Maar
een boek betekent niets voor ons als we het niet lezen. Als onze verlamde
medemens geen computer heeft om de signalen om te zetten in een bevel, dan
blijft hij of zij ter plaatse.
Maar ‘bestaat’ die gedachte-inhoud ook
echt, zoals atomen, of als een vorm van energie, of nog anders?
Het is duidelijk dat we de twee nooit mogen
of kunnen scheiden. Zonder hersenen en hun specifieke signalen: geen inhoud. De
inhoud is dus een aspect van een gedachte, zoals het materiële ook een aspect
is, namelijk de vorm waaronder de gedachte gebeurt in onze hersenen. Gedachten moeten
altijd de beide aspecten hebben: een materiële vorm en een betekenisinhoud.
Zoals men het feit van een gedachte niet los kan zien van de materiële
processen die zich in de hersenen van een mens afspelen, zo mag men ook de
inhoud en betekenis die ze heeft voor een individu niet losmaken van die
hersenactiviteit. Het ene kan nu eenmaal niet zonder het andere. Zonder
hersenen, geen gedachte en ook geen betekenis zonder hersenen.
Men kan dus nooit zeggen dat een gedachte
‘bestaat’ als men daarmee enkel de abstracte gedachte-inhoud bedoelt. Elke
gedachte is een gebeurtenis in een brein.
Het is dus ook niet zinvol om enkel over de
betekenis te spreken, als had die geen materiële vorm. Het gevaar is immers
groot dat, als we de twee scheiden, we tot conclusies komen die niet
gerechtvaardigd zijn.
Een voorbeeld. Er zijn mensen die beweren
dat ze over buitengewone gaven beschikken, waarmee ze bijvoorbeeld uit een pak
speelkaarten net die kaart kunnen halen die jij even tevoren hebt aangeraakt,
of die je in uw gedachten hebt gekozen. Zij beweren met andere woorden dat ze
jouw gedachten kunnen lezen, zonder dat jij die gedachte aan hen hebt verteld,
dus zonder dat er een materiële gegevensoverdracht heeft plaatsgevonden.
Hoe zou dat kunnen gebeuren? Ofwel
beschikken zij over de mogelijkheid om de materiële processen te lezen die zich
in uw hersenen hebben afgespeeld, zoals dat gebeurt met de elektrode in de
hersenen van onze verlamde. Dat is in principe niet uit te sluiten, maar tot
nog toe heeft men nog nooit een dergelijke materiële gedachteoverdracht bij
mensen kunnen vaststellen, noch met meetapparatuur, noch door testen waarbij de
accuraatheid van die overdracht wordt vastgesteld. Zij beweren dus in feite dat
zij uw gedachte-inhoud kunnen lezen op een niet materiële manier. Dat betekent
dat die inhoud afzonderlijk bestaat, voor de korte periode waarin de gedachte
van uw hoofd overgaat naar het hunne.
Dat is niet in overeenstemming met wat we
hebben vastgesteld, namelijk dat men de inhoud nooit kan scheiden van de
materiële vorm. Gedachten lezen is een kunstje van handige goochelaars, meer
niet.
Ik hoopte dat ik over dit subtiel
onderscheid tussen het materiële en het mentale aspect van onze gedachten meer
zou vernemen in Mario Bunge, Matter and Mind. A Philosophical Inquiry,
Springer 2010, xviii + 319 pp., hardcover, $150 (Amazon), ontleend bij het HIW,
Leuven.
Professor Mario Bunge (°1919) is een filosoof
en fysicus van Argentijnse afkomst, vooral actief in Canada. Hij is de auteur
van meer dan 400 tijdschriftartikels en meer dan 80 boeken, waaronder zijn achtdelige
Treatise in Basic Philosophy.
Voortgaande op dit boek kan ik alleen maar zeggen dat professor Bunge een enorm
erudiet man is, zeer grondig vertrouwd met de menswetenschappen, vooral
filosofie en met de positieve wetenschappen, vooral de fysica, met hun
geschiedenis maar ook met de laatste stand van zaken. Hij goochelt met namen
van auteurs en met begrippen dat het een lieve lust is. Dat is ook een beetje
het probleem met dit boek. De index met de verwijzingen alleen al beslaat
vijftien zeer volle bladzijden, kleine druk. In elke paragraaf van dit boek
staat er ten minste één andere auteur vermeld, vaak echter vijf of meer. Ontelbaar
zijn de opsommingen van begrippen en concepten die hij ontleent of meent te
onderscheiden bij de auteurs die hij vermeldt. Het wemelt de lezer voor de
ogen.
Mario Bunge is geen timide auteur. Hij is
direct, zelfs behoorlijk (en soms al eens onbehoorlijk) agressief. Hij aarzelt
niet om zeer krachtige termen te gebruiken om zijn aversie uit te drukken
tegenover auteurs met wie hij het niet eens is en dat zijn er nogal wat en niet
van de minsten: Einstein, Niels Bohr, Hegel, Freud, Sartre maar ook Dawkins,
Dennett en Churchland en Eccles moeten het voortdurend ontgelden in de meest
sterke bewoordingen.
De stijl en de methode van Mario Bunge zijn
wellicht uniek, om het beleefd te zeggen. Het is niet dat er geen methode in
zit, maar het is een heel eigen methode, nu eens streng rationeel ordenend, dan
weer zich hopeloos verliezend in wijdlopige uitwijdingen. Sommige paragrafen
zijn zo technisch dat ik ze zelfs na drie keer lezen niet begreep, andere zijn
zo geestig dat ik herhaaldelijk in lachen uitgebarsten ben. Elk vogeltje zingt
zoals het gebekt is, maar ik kan dit boek toch enkel veilig aanraden aan lezers
die beschikken over een meer dan normale welwillendheid.
Er zit, naar mijn aanvoelen, in dit boek
van driehonderd (te) grote bladzijden, (te) kleine druk, een uitzonderlijk
verhelderend essay verborgen van een veertigtal (bescheiden) bladzijden, grote
druk. Dat zou men inderdaad bekomen wanneer men al de herhalingen, terloopse
opmerkingen, nodeloze uitwijdingen, overbodige historische analyses en
vergelijkingen en ook al vernietigende commentaren op wetenschappelijke
tegenstanders zou weglaten.
De titel van het boek, Matter and Mind, is in dat opzicht misleidend. De auteur benadert
het onderwerp van wel heel ver en komt eigenlijk nooit expliciet en exclusief
bij de kwestie zelf terecht. Wat hij over materie en geest te zeggen heeft,
moet je sprokkelen uit zijn brede omzwervingen in de meest verscheidene
domeinen van de wetenschap en de literatuur. Nergens vind je op een conciese en
bevattelijke manier zijn leerrijke opvattingen en conclusies geformuleerd,
terwijl zijn scherpzinnige inzichten nochtans getuigen van een uiterst diepzinnig
aanvoelen van wat authentiek is en wat niet.
Wat professor Bunge te zeggen heeft is
belangrijk, origineel, uiterst zinvol, opmerkelijk goed geïnformeerd, zeer
evenwichtig en nog veel meer, maar je moet zelf voortdurend het koren van het
kaf weten te scheiden en dat is een lastige taak.
Ik heb de indruk dat prof. Bunge zich had
voorgenomen om een soort van afsluitende systematische samenvatting te
schrijven van zijn hele omvangrijke oeuvre. Helaas is hij tijdens het schrijven
voortdurend op allerlei min of meer interessante zijwegen en kronkelpaden beland
en heeft hij niet altijd de rode draad terug gevonden die hem naar zijn eigenlijk
onderwerp en zijn einddoel had kunnen leiden. Dat is spijtig, want het had
gekund en dat essay, die synthese, die had ik graag gelezen en u ook dolgraag
aangeraden. Met dit (dure!) boek kan dat helaas niet echt.