lichaam en geest, body and soul


Theologen zijn vindingrijk op een eenzame creatieve hoogte die menig belastingontduiker hen benijdt.
Kardinaal Danneels verdedigt het gebruik van het condoom door Aidslijders als volgt: het condoom dient in dat geval niet om de bevruchting te vermijden, daarvoor is het trouwens niet 100% safe, maar om besmetting van een medemens te voorkomen. Zo blijft hij min of meer trouw aan de kerkelijke leer die het condoom altijd en overal verbiedt, maar laat in de praktijk toe dat het toch zonder beperkingen wordt gebruikt, want wie kan nu met absolute zekerheid weten dat hijzelf of zijn partner niet besmet is met wat dan ook?
Zo was en is het ook met abortus, evenzeer kerkelijk verboden. In een aantal gevallen, waarbij het leven van de moeder in gevaar is, past men ook in katholieke ziekenhuizen sinds jaar en dag medische technieken toe die enerzijds het leven van de moeder redden, maar anderzijds tot gevolg hebben dat het ongeboren kind sterft. Is dat abortus? Welnee, want de bedoeling van de ingreep is niet de dood van het kind maar het leven van de moeder; de dood van het kind is een betreurenswaardig maar helaas onvermijdelijk neveneffect. Collateral damage, zeg maar. In de taal van de moraaltheologen: een daad met dubbel gevolg.
Het was denkend aan dergelijke subtiele maar essentiële onderscheiden, dat ik bij de vraag kwam die me al enkele jaren actief bezig houdt, namelijk of er iets bestaat dat op geen enkele wijze materieel is.
Ik heb hier al herhaaldelijk mijn overtuiging uitgesproken dat er niet zoiets is in de mens als een louter ‘geestelijke’ ziel, iets dat los staat van elke materie en toch bestaat, maar dan op een andere manier dan de materie. Het is de aloude vraag van de klassieke filosofie en theologie: lichaam en geest, body and soul. Alle klassieke antwoorden zijn voor mij niet alleen totaal onbevredigend maar wekken bovendien een wrevelige weerstand op door hun mystificaties en zweverigheid en door hun bewuste onverzoenbaarheid met elke ernstige wetenschappelijke benadering van de mens.
Pas met de evolutietheorie en de sociobiologie/evolutionaire psychologie zijn we erin geslaagd om de tweedeling tussen materie en geest te doorbreken. De zeer ernstige wetenschappelijke boeken van Antonio Damasio over het bewustzijn tonen overduidelijk aan dat er geen geestelijke activiteit mogelijk is zonder een materiële grondslag. Geestelijke activiteit is een fysisch proces dat zich afspeelt in de hele mens en waarin de hersenen een belangrijke maar niet exclusieve rol spelen. Er is geen onderscheid tussen materie en geest, tenzij als aspecten van één realiteit. Daar ligt een verband met de daad met dubbel gevolg van onze moraaltheologen. Onze daden hebben vrijwel steeds meer dan één gevolg. Als je je arm naar omhoog doet en die vervolgens snel naar beneden brengt, dan kan je die beweging beschrijven van uit de bewegingsleer en nauwkeurig het fysisch proces beschrijven van de spieren, het skelet, de bloedsomloop &c. Maar wat als die beweging gemaakt wordt door een beul die iemand het hoofd afhakt? De fysische beschrijving is dan wel accuraat, maar zegt helemaal niets over het gevolg, voor de beul of zijn slachtoffer.
Als we de hersenactiviteit louter fysisch beschrijven, kan die analyse zeer accuraat zijn, zelfs met de nog altijd relatief vrij beperkte technische middelen waarover we nu beschikken, maar het is zeer moeilijk om er met wetenschappelijke apparatuur meer uit af te leiden dan een vage aanduiding van het soort van denkproces dat zich afspeelt: herinnering, lust, genot, taal…
Het denkproces is materieel, maar het heeft ook een aspect van betekenis, van zin. Net zoals een lichamelijke beweging veel meer is dan een activiteit van de spieren, is ook het denken veel belangrijker, rijker en betekenisvoller als wij het bekijken vanuit de gedachte-inhoud. De mens is geëvolueerd met zijn hersenen. Wij zijn de enige soort die over zoveel en zo’n complexe hersenen en aanverwante systemen beschikken. Onze denkvermogens hebben zich in de loop van onze ontwikkelingsgeschiedenis ontplooid in een parallelle opgang met de complexiteit van ons lichaam en vooral de hersenen, inzonderheid de hersenschors. Er is met andere woorden niet zoiets als een ziel die is ingestort en die van een aap plots een mens heeft gemaakt, het is een lang en zeer geleidelijk proces geweest tot we vandaag zijn waar we zijn. Onze lichamen en onze denkvermogens dragen nog steeds de diepe sporen van die ontwikkeling.
Het heeft lang geduurd voor de mens inzag dat alles een materiële infrastructuur heeft. Natuurverschijnselen zoals de bewegingen van de hemellichamen, de gang van de seizoenen, eb en vloed, ziekte en gelukkig toeval, het werd allemaal toegeschreven aan machtige godheden of natuurkrachten. Onzichtbare, ontastbare dingen zoals de lucht, warmte, vochtigheid, magnetisme en later zwaartekracht, elektriciteit, kunstlicht, radiogolven, X-stralen, kernstraling: ze werden reëel met de vooruitgang van de wetenschap, ze werden herkend en erkend en omschreven in een sluitend systeem als vormen van materie en energie, ook al merkt men de krachten pas in hun uitwerking. Ook abstracte begrippen, zoals tijd en ruimte en beweging hebben we leren integreren in ons wereldbeeld, in een wetenschap die nog slechts voor specialisten enigszins begrijpelijk is, maar dat perfect leefbaar is voor elke mens: iedereen weet wat bedoeld wordt met tijd, het verloop is voor iedereen duidelijk, ook al is het begrip zo abstract dat niemand erin slaagt om er een afdoende definitie van te geven. Evenzo hebben we geleerd dat niet alle krachten een merkbare en relevante invloed hebben op de mens: de zon en de maan zijn krachtig genoeg om eb en vloed in beweging te brengen, maar de invloed van de hemellichamen op onze gedachten en gedragingen is zo goed als verwaarloosbaar.
Toen homo sapiens eindelijk zijn intrede had gedaan en meteen ook zijn concurrenten had uitgeschakeld, merkte de mens stilaan dat hij zijn geestelijke vermogen kon aanwenden, dat hij “zijn verstand kon gebruiken”, letterlijk en figuurlijk: hij kon overleven in het heden en plannen maken voor de toekomst op basis van een redenering die gebruik maakte van zijn herinnering, zijn ervaring. Daarin bleek taal en elke andere vorm van communicatie van essentieel belang. Met taal, in de ruimste zin van het woord, kunnen wij ons meten met de natuur en met anderen, omdat we gedachte-inhouden kunnen overbrengen en bewaren, in het geheugen of in voorschriften en literatuur. Wij kunnen als het ware met onze geest communiceren.
Maar daarbij vergeten we te gemakkelijk dat een materiële onderlaag absoluut nodig is. Net zoals we niet weten hoe ons lichaam precies werkt en er ook maar weinig controle over hebben, zo is het ook met onze ‘geest’: die werkt grotendeels autonoom, onze gedachten en emoties zijn slechts de bewustwording van de spontane activiteit. Freud heeft al dan niet accuraat verschillende lagen in ons bewustzijn ontdekt en er namen aan gegeven, maar het zijn slechts aspecten van één en dezelfde entiteit, onze geestelijke vermogens, die bestaan in zeer materiële lichamelijke activiteit. Psychologie beschrijft niet een louter geestelijke mens, maar een mens van vlees en bloed. Spreken gebeurt door ons hele lichaam, niet door onze geest alleen, zelfs met de beste wil van de wereld is gedachten lezen en zenden niet mogelijk als een betrouwbaar communicatiemiddel. Wij hebben ons lichaam nodig om te leven, het is een evidentie maar we staan er niet bij stil, we zijn zo vol van het geestelijke, inhoudelijk aspect van onze activiteiten dat we op de duur gaan denken dat ze zonder ons lichaam mogelijk zijn, dat we geestelijke wezens zijn, die helaas gevangen zitten in een onvolmaakt, hinderlijk lichamelijk lichaam.
Men zegt dat de wetenschap niets kan zeggen over onze hogere geestelijke vermogens: wat weet de wetenschap over de liefde? Blijkt dat ze er heel wat over weet, zowel wat de processen in ons ruimtelijk lichaam betreft als over die in wat we onze geest noemen, ons ik, maar wat eveneens ons materieel lichaam is, onze hersenen en de ontelbare banen die ons lichaam tot een levend, functionerend geheel maken.
Onze materie en onze geest zijn als de donder en de bliksem: twee aspecten van één fysisch verschijnsel. Er is nooit het ene zonder het andere. Wat is muziek? De noten op het blad? Het geluid dat de instrumenten voortbrengen? Het geluid dat ik waarneem? De emoties die het geluid en de andere omstandigheden in mij, met mijn hele voorgeschiedenis en mijn toekomstprojectie, oproepen?
Het is onmogelijk de twee aspecten te scheiden; we kunnen het fysisch aspect niet wegdenken, maar ook het inhoudelijke niet, ze bestaan niet zonder elkaar, het is slechts één verschijnsel, betekenisvolle materiële activiteit van een individu in de wereld. Met de geestelijke vermogens van mijn lichaam voeg ik betekenis toe aan de wereld waarin ik leef. Dat gebeurt door communicatie met de buitenwereld en in mezelf.
Freud heeft met klinische nauwkeurigheid vanuit het geestelijk standpunt beschreven wat er verkeerd kan gaan in de menselijke psyche; Damasio heeft even nauwkeurig aangetoond op welke plaats in de hersenen het daarbij verkeerd gaat. Het grote gevaar voor onze geestelijke vermogens is het verlies van het contact met de buitenwereld en de vervanging van de reële buitenwereld door een imaginaire, die zich louter binnen de denk- en voelcentra afspeelt: paranoia.
Voor homo sapiens en zeker voor de moderne mens is de buitenwereld niet de ongerepte natuur, maar de wereld zoals hij hem voor een zeer groot gedeelte zelf heeft gemaakt, het is een beschaafde wereld, een cultuurwereld. Die cultuur is even reëel als de bergen en de bossen en de zee: arbeid, ontspanning, gezondheidszorg, sociaal leven, oorlog, maar ook opvoeding, literatuur en kunst, filosofie en godsdienst. Het is de manier van de mens om te leven, zoals het nachtelijk jagen voor een vleermuis. Maar de cultuur mag en kan de mens niet vervreemden van de natuur, van zijn basis. Zij mag geen barrière zijn tussen hem en de natuur en zijn medemens.
Ideologieën, maatschappelijke stromingen, politiek en godsdienst vervullen functies, maar zij zijn niet de realiteit zelf, het zijn hulpmiddelen, structuren, hulpmiddelen voor het bereiken van een gemeenschappelijk vastgelegde en voortdurend aan te passen samenleving van individuen. Maar we moeten de relativiteit blijven inzien van onze pogingen, we mogen niets verabsoluteren, ook de godsdienst niet, dat zouden we nu toch al moeten weten.
Elke mens blijft een uniek exemplaar, elke gedachte is origineel omdat ze zich voordoet bij een uniek wezen. Al onze abstracte begrippen worden in een mens op een unieke wijze vertaald. Spreken over ‘de mens’ is een verraderlijke conceptuele vergissing: er is slechts de verzameling van alle mensen die er ooit geweest zijn, die er nu zijn en die er ooit zullen zijn. Het is verkeerd om te spreken van ‘de liefde’, er zijn alleen liefhebbende mensen, elk op zijn unieke manier. Het is verkeerd om te spreken over één God: elke mens gaat op zijn manier om met het religieuze en elk verordend uniformiseren is een miskenning van de originaliteit en de waardigheid van elke mens. Elk abstraheren van het noodzakelijk onvolmaakte, tijdelijke, aardse, menselijke tot een goddelijk volmaakt ideale norm is een bedreiging van de menselijke vrijheid, die zich enkel door de vrijheid van de anderen beperkt mag weten. De mens is niet gericht op oneindigheid, volmaaktheid, transcendentie: hij is al blij als hij weet dat hij voldoende eten heeft voor zijn volgende maaltijd. Ideeën zijn maar nuttig om het reële aspect van ons bestaan te duiden, niet als onbereikbare maar desondanks na te streven idealen. Alleen de mens bestaat, niet de idealen die hij zich heeft geschapen.
Zoals de idealen zijn al onze gedachten, begrippen, metaforen, beelden, ideeën maar reëel, bestaan maar als en op het moment dat zij gedacht worden door een mens. Als ze neergeschreven staan, komen ze maar tot leven wanneer ik ze lees. Het zijn communicatiemiddelen van fysieke mensen, zonder een eigen, autonoom, abstract ‘spiritueel’ bestaan. Het is dan ook verwarrend om een onderscheid te maken tussen de zogezegd materiële vorm van een gedachte en haar zogezegd geestelijke inhoud: het ene is niet mogelijk zonder het andere, er is nooit een gedachte zonder een denker, er is geen liefde zonder mensen, er is geen God zonder een gelovige.
Onze gedachten zijn fysieke gebeurtenissen, activiteiten van ons hele lichaam, die betekenis hebben voor de zelfbewuste mens en die gebruikt worden in zijn ontmoeting met de wereld en de andere. Gedachten zijn origineel, ze moeten telkens opnieuw gedacht worden; als we ze communiceren, kunnen we er nooit zeker van zijn dat ze zullen begrepen worden zoals we ze bedoelen, al gebruiken we nog de meest versleten beelden en woorden.




















