sub rosa


Deze tekst verscheen een hele tijd geleden in mijn Kroniek. Naar aanleiding van een commentaar van een vriendelijke lezer herlas ik hem zelf ook nog eens en ik vind het de moeite om hem hierbij nog eens naar de voorgrond te brengen. Ook voor jou kan het interessant zijn om hem eens te herlezen, het was al bij al een vrij stevige brok; en wie hem toen heeft gemist, krijgt hierbij een nieuwe kans aangeboden. Hier gaan we.
De aanleiding voor deze etymologische verkenning is een hint (een Engels woord, dat Shakespeare voor het eerst gebruikte voor: een aanwijzing, een allusie) van mijn oudste zoon Dirk, die (gisteren) jarig was. Hij is classicus en wou weten waar de uitdrukking sub rosa vandaan komt. Zoals wel meer gebeurt, zette me dat op een pad met vele omwegen, valse sporen en doodlopende straatjes. Ik hoop dat je me ‘even’ wil vergezellen.
De uitdrukking sub rosa komt in het Engels in 1654 voor. Volgens F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk), die je naast talrijke andere nuttige bronnen kan raadplegen op de website http://www.dbnl.org/ vinden we de uitdrukking in het Nederlands in de 16de eeuw. Ik citeer:
1956. Onder de roos,
d.w.z. in het geheim; vertaling van het lat. sub rosa, eene sedert de 16de eeuw bekende uitdrukking, die we lezen bij Kiliaen: Onder de roose, sub rosa dictum aut factum, dicitur, quod silentii fide stipulata inter lepidos sodales sit aut dicitur; Goedthals, 127: tis onder die roosen gheseyt; Campen, 122: tis onder die Reese; Marnix, Byenc. 125 v; Kluchtspel II, 92; Lichte Wigger, 3 r: Magme niet wat praten? t' is onder de roos hier; in Sweerts' Koddige en Ernstige Opschriften II, 117: Rontom een geschilderde roos boven een tafel:
Al wat hier onder de roos geschiet
Laat dat aldaar, en meld het niet.
Dat de roos het zinnebeeld der stilzwijgendheid is geworden, moet hieraan worden toegeschreven, dat Harpocrates (de Egyptische god Heros), de god der stilzwijgendheid, van Cupido eene roos ontving, om hem te bewegen de minnarijen van Venus niet te verklappen1):
Est rosa flos Veneris, cuius quo furta laterent
Harpocrati matris dona dicavit Amor.
Inde rosam mensis hospes suspendit amicis,
Convivae ut sub ea dicta tacenda sciant.
Vandaar dat de roos prijkte aan de zoldering van feestzalen, of zooals De Brune, Wetst. I, 254 mededeelt ‘in plaatzen van genucht aan den balk geschildert (werd), om de gasten daar deur in te scherpen dat zy de bedreve vrolikheden in stilswijgentheid (moesten) begraven’. Zie verder C. Wildsch. II, 150; Br. v. B. Wolff, 117; Nkr. VII, 26 April, p. 3; Noord en Zuid XIV, 216-219; Navorscher IV, 149; Schrader, 326-327 en Grimm VIII, 1179-1180; hd. unter der Rose; eng. under the rose.
Catul. 72; Varro de L.L. 5, 57; Plut. de Is. 68; Kil. 540.
De twee Latijnse citaten zijn te vinden bij Kiliaen, d.i. Cornelis van Kiel, 1528-1607, corrector aan de beroemde drukkerij van Plantijn te Antwerpen 1558, schrijver van het eerste Nederlands woordenboek met vertaling der woorden in het Latijn en Frans, 1574; herdrukt 1588, '99 enz. Ik citeer hem integraal, eveneens uit de dbnl, en vertaal naar best vermogen:
Roose.
Rosa. ger. rosen: sax. rose: gal. rose: ital. rosa: hisp. rosa: ang. rose Onder de roose. Sub rosa dictum aut factum dicitur, quod silentij fide stipulata inter lepidos sodales fit aut dicitur: vnde passim in caenaculis rosa lacunaribus supra mensae verticem affixa conspicitur, quo quisque sit memor silentij: qui quidem mos inde receptus est, quòd rosa Veneri sit dicata, &. Est Rosa flos Veneris, cuius quò furta laterent, Harpocrati matris dona dicauit amor. Inde rosam mensis hospes suspendit amicis, conuiuae ut sub ea dicta tacenda sciant.
Onder de roos gezegd of gedaan; dit wordt gezegd van wat gebeurt of gezegd wordt onder goede vrienden onder vertrouwelijk beding van stilzwijgendheid; vandaar dat men hier en daar aan de zoldering van gelagzalen boven de kop van de tafel een roos bevestigd ziet, zodat elkeen zich de zwijgplicht zou indachtig zijn. Dit gebruik zou hierop teruggaan, dat de roos aan Venus zou gewijd zijn en dat de roos de bloem van Venus is; toen haar heimelijke overspelige liefde dreigde bekend te raken gaf Amor de roos aan Harpocrates als een geschenk van zijn moeder. Vandaar dat een gastheer een roos boven de tafel hangt als hij vrienden ontvangt, zodat de gasten weten dat over wat daaronder gezegd is, gezwegen wordt.
Mooi verhaal. Catullus’ carmen 72 gaat niet daarover, maar in carmen 74 noemt hij een bedrogen echtgenoot een Harpocrates en in 102 vergelijkt hij zich met Harpocrates omdat hij over wat zijn trouwe vrienden hem vertrouwelijk meedeelden, het zwijgen zal bewaren. De tekst van Varro is een heel korte verwijzing naar Harpocrates als een soort van verpersoonlijking van het zwijgen, de ‘god’ van het zwijgen. Een van de emblemen van Erasmus, Silentium, herneemt dit thema, mét verwijzing naar Harpocrates.
http://www.gutenberg.org/files/17451/17451-h/images/fig105.png
Waar komt die ‘god’ vandaan? Dat is pas een leuk verhaal… Het begint allemaal in de Egyptische mythologie. Horus is de zoon van Isis (zo zegt ook de Plutarchus-referentie) en Osiris. Als volwassene is hij de zonnegod, die elke dag opkomt en de nacht verjaagt. Als opkomende zon is hij een kind en draagt dan de naam van heru pa khered, of "Horus het kind", de jonge Horus. Let op de hiëroglief voor kind aan het einde (zie foto). Het is namelijk dit symbool, een kind met zijn vinger of duim in de mond, dat in Egypte en later ook in Griekenland en in Rome, een enorme verspreiding zou kennen, onder de naam Harpocrates, een verbastering van heru pa khered. Hij werd de god van de vruchtbaarheid, de liefde en de wijn en zowat alle goede dingen, vaak afgebeeld rijdend op een gans of zittend op een hoorn des overvloeds, maar nog veel andere attributen en heel vaak ook op de schoot van zijn moeder, Isis, die hem de borst geeft, tiens, tiens, waar hebben we dat nog gezien?
Dit Egyptisch onmiskenbaar symbool voor een kind, namelijk een persoon met een vinger of duim in de mond, krijgt bij de Romeinen de vinger áán of op de mond, een oeroud teken voor zwijgen. Als Harpocrates is hij dan de Romeinse god van het stilzwijgen, met enkele verwijzingen in de klassieke literatuur, zoals Catullus en Ovidius, en later ook tot bij Erasmus. Gek eigenlijk dat bij die cross-culturele beweging een symbool voor het kind-zijn foutief vertaald is als een symbool voor het zwijgen en de zwijgplicht.
Afbeeldingen van kinderen zijn in alle culturen populair, ook vandaag nog, kijk maar eens naar al de poppen die we in huis hebben. Je kon dus ook in de oudheid al praktisch in elk huis een goedkoop terracotta beeldje vinden van Harpocrates, er zijn er vrij veel teruggevonden in alle gebieden die de Romeinen ooit ‘bevrijd’ hebben. Soms hebben ze een zeer uitgesproken, zeg maar uitgestoken fallus ofte penis, in Leiden staat er zo een beeldje in het museum waarbij het geslacht van Hapocrates gedragen wordt door maar liefst vier personen.
Het ziet er naar uit dat er al in de oudheid een vermenging gebeurd is tussen Cupido en Harpocrates. De jonge Horus met de vinger in de mond werd een Cupido met de vinger op de lippen.
Daarmee zitten we in de buurt van het zwijgen, dat sub rosa oplegt, maar geen stap dichter bij onze roos…
De roos was al in de oudheid bekend en geliefd; in Rome was de roos echt een rage (van het Latijnse rabies, razernij), een hype (een modegril als resultaat van reclame en media-aandacht, mogelijke bronnen zijn het Griekse hyper, erover, zoals we vandaag zeggen, maar ook de Engelse woorden hyperbole, overdrijving; hypochondria, een vorm van waanzin en obsessieve depressie; hypodermic needle, een spuit voor drugs). Rozen waren onder meer voor hun geur zo geliefd en dat men toen iets nodig had om de stadsgeur en die van zijn medeburgers enigszins draaglijk te maken, ligt voor de hand; het gebruik zou nog heel lang meegaan, denk maar aan onze potpourri van gedroogde bloemen.
Het is helemaal niet duidelijk dat de roos toen al een symbool was voor alles wat met de liefde te maken had. Deci(m)us Magnus Ausonius (° Burdigala (Bordeaux) ± 310 – † aldaar 393) noemt men vaak als de auteur van een idylle, de rosis nascentibus (over het ontluiken van de rozen), maar ook Vergilius, die driehonderd jaar eerder leefde wordt al eens genoemd, al staat de tekst slechts als ‘betwist’ in zijn bibliografie; laten we maar zeggen dat het een werk is van een onbekende ‘meester’, waarschijnlijk in de laat-klassieke periode. Het is wellicht de eerste en een van de zeldzame aanduidingen in de laatklassieke literatuur van een specifieke band tussen de roos en Venus. Die connectie vinden we in het (zeer) postklassieke en middeleeuwse Latijn wel vaker terug, onder meer bij Walter Map, fl. 1160–1196, † c. 1208–1210), een Welsh hoofs schrijver aan het Engelse hof, in zijn werk De nugis curialum, ‘over hoofse beuzelarijen’, waarin hij in een discussie over het huwelijk zegt: Hiis fidem habere decet, quia cum omni ueritate locuntur; hii sciunt ut placet dileccio et pungit dilectum; hii norunt quod flos Veneris rosa est, quia sub eius purpura multi latent aculei.
Ik vertaal enkel wat vetjes staat: zij weten dat de bloem van Venus de roos is. Een duidelijke echo hiervan vinden we in het Kiliaen-citaat: est rosa flos Veneris.
We zitten hier dus volop in de Middeleeuwen en dit is ook wat ik na twee dagen van zoeken in allerlei bronnen, op internet en in mijn naslagwerken meen te mogen stellen: de uitdrukking sub rosa is ‘recent’, in de zin van: niet uit de oudheid. Ze komt in geen enkel ‘klassiek’ woordenboek voor, in geen enkele klassieke tekst staat ze vermeld. Ook de roos als symbool van Venus is van veel latere datum en moet vrijwel zeker ten vroegste gesitueerd worden in de context van de hoofse literatuur, met als hoogtepunt natuurlijk Le Roman de la Rose van 1230. Van toen af was er geen ontkomen meer aan, het was een staande uitdrukking geworden, een cliché: de rode roos staat voor de liefde, meer bepaald de passionele liefde tussen man en vrouw. Dat is ook vandaag nog zo: rode rozen geef je in principe niet aan je oom, tenzij…
Op het web vind je talloze teksten, waarvan de meeste van elkaar zonder scrupules (verkleinwoord of diminutief van L. scrupus, een scherpe steen, vandaar iets dat hindert, iets kleins maar hinderlijk) afgeschreven zijn, waarin men het gebruik van de roos als een aansporing tot zwijgen terugvoert naar de klassieke oudheid. Daarvoor is er echter geen enkel bewijs, geen enkel.
In het Engels vinden we sub rosa voor het eerst onder Henry VIII, in een verordening van 1546. Het moet toen wel al een vaste uitdrukking geweest zijn. Van dan af zien we ze overal opduiken, ook bij Kiliaen in 1574, wellicht de vroegste vermelding in het Nederlands.
Ik weet dat er in dit verhaal een missing link is. Ik heb herhaaldelijk referenties gevonden naar Kiliaens verhaal van Amor die een roos krijgt van zijn moeder Venus en ze daarop aan Harpocrates geeft om hem te doen zwijgen over haar escapades. Maar ik heb nergens een spoor gevonden naar het originele verhaal. Ook deze mythe of beter: legende en de bijhorende tekst situeert men in de oudheid, maar ik meen dat we ook hier veel verder in de tijd zitten, de hoofse middeleeuwen of zelfs het begin van de renaissance. Slechts één enkele Franse tekst uit de 19de eeuw verwijst naar Martialis, maar dat is (bijna…) zeker niet de auteur van dit epigram. Wie dan wel? Tja… ik heb geen vroegere bron gevonden dan Kiliaen, alle andere zijn kennelijk letterlijk van hem afgeschreven, tenzij er een verborgen of verloren gegane gemeenschappelijke bron is.
Er is nog een tweede probleem met onze uitdrukking. Waar komt namelijk de band tussen Harpocrates en de roos vandaan? Want als in de postklassieke tijd en de middeleeuwen de roos al het symbool van de liefde was, dan was ze zeker niet meteen ook die van het stilzwijgen of de zwijgplicht, wat men er ook van zegt.
Er zijn twee mogelijke verklaringen, die ik geheel voor eigen rekening neem.
Enerzijds is er de wijdverspreide klassieke Romeinse traditie van de Harpocratesbeeldjes, die met de vermanende vinger op mond: wees niet loslippig, roddel niet. De Romeinen verloren snel het verband met de oorspronkelijke symboliek van de jonge Horus en vereenzelvigden de exotische Harpocrates met hun Cupido en Amor en zelfs met Priapus, zoals blijkt uit afbeeldingen, waar Harpocrates naast zijn oorspronkelijke Egyptische attributen (zoals de lange rechter haarlok) en houdingen ook Romeinse krijgt zoals de viagra-penis en de pijl en boog. Zo krijgen we een link (van het Engelse link, een schakel van een ketting, van een oud Indo-Germaans werkwoord dat buigen betekent, dus letterlijk een gebogen voorwerp) tussen Harpocrates en de liefdegod. Als men nu die beeldjes gaat interpreteren als liefdesgodjes met een vinger op de lippen (en niet een duim in de mond), dan krijg je al gauw de bijbetekenis van: vertel niet voort wat er in de slaapkamer gebeurt, of: wat in bed is gezegd, is met de lakens gedekt, een spreekwoord dat ik nergens terugvind… De cupido-beeldjes krijgen dus een specifieke functie: zij moeten amoureuze escapades verzwijgen.
Maar dan zijn we er nog niet. We moeten nu veronderstellen dat die klassieke Romeinse beeldjes, die altijd een ten minste gedeeltelijk naakte jongen voorstelden, vaak met zijn edele delen of family jewels ‘in flagrante’, in het steeds preutser wordend christendom steeds ongepaster waren en dus verwijderd en niet meer gemaakt. Waarschijnlijk is dat de toestand die we meemaken in de meest duistere perioden van de middeleeuwen, van het einde van het Romeinse rijk tot de vroege middeleeuwen en de eerste heroplevingen van de 13de eeuw. Wellicht heeft men dan voor het eerst die oude traditie nieuw leven ingeblazen onder invloed van het prille nieuwe contact met de postklassieke teksten. Natuurlijk was een bloot ventje dan totaal ondenkbaar, en is men, aanvankelijk enkel in de literatuur, in plaats van een cupido het symbool van de liefde gaan gebruiken, de roos. Dit is in alle geval zo in de hoofse literatuur.
En nog zijn we nog niet helemaal thuis, want we hebben nu wel een roos in plaats van een pikant Harpocratesje-Cupidootje, maar daarmee is ook het zwijgvingertje weg. De roos staat in allerlei latere teksten als symbool voor het stilzwijgen vermeld, maar waarom? Dat is mijn tweede, ietwat gedurfde veronderstelling: de roos is een symbool voor het gebruik van een zegel, zoals in verzegelen. Zegels zijn zo oud als het schrijven zelf en in de middeleeuwen was het sturen van een brief zonder zegel ondenkbaar. Zegels hadden de dubbele functie van het afschermen van de tekst voor onbevoegde blikken, naast de waarschijnlijk oorspronkelijke functie van het authenticeren: het zegel als handtekening, door het af- of indrukken met een signetring of een stempel. Dat kon in was, zegellak (rode of soms ook andere kleuren) en metaal, meestal lood. Een zegel, dan vooral in rode lak, ziet er precies uit als een roos, vind je niet? door de indruk van de meestal ronde stempel in een druppel warme lak krijg je die typische gekartelde ronde vorm van een gestileerde roos. Wat met een dergelijke ‘roos’ gesloten was, was geheim. Zo komen we bij de roos als symbool voor geheimhouding. My lips are sealed.
Als we nu de twee pistes samen nemen (van het Italiaans pista, een spoor, een afdruk van de voeten; pistare was met de voeten verbrijzelen, kapot stampen; van spoor kwam de weg die sporen maken, dus pad en vandaar onze piste in beide betekenissen van spoor en weg), dan komen we in de buurt van de betekenis van sub rosa, die we dus pas van in de 16de eeuw in het Westen vinden: wat onder de roos is gezegd, moet geheim blijven, of dat nu een amoureuze zaak is of niet. Vandaar is men ook buiten de literatuur de roos gaan gebruiken zoals in de oudheid de beeldjes van Harpocrates/Cupido/Amor. Dat is wat Kiliaen heeft gezien en genoteerd en na hem vele anderen, onder meer Levinus (Livien) Lemnius (Lemse) (1505-1568) in zijn Tetrastichon, althans volgens Sir Thomas Browne Pseudodoxia Epidemica (1646;6th ed., 1672) V.xxii (pp. 309-316):
When we desire to confine our words we commonly say they are spoken under the Rose; which expression is commendable, if the Rose from any natural property may be the Symbole of silence, as Nazianzene seems to imply in these translated verses:
Utque latet Rosa Verna suo putamine clausa,
Sic os vincla ferat, validisque arctetur habenis,
Indicatque suis prolixa silentia labris:
And is also tolerable, if by desiring a secrecy to words spoke under the Rose, we only mean in society and compotation, from the ancient custom in Symposiack meetings, to wear chaplets of Roses about their heads: and so we condemn not the German custom, which over the Table describeth a Rose in the cieling. But more considerable it is, if the original were such as Lemnius, and others have recorded; that the Rose was the flower of Venus, which Cupid consecrated unto Harpocrates the God of silence, and was therefore an Emblem thereof, to conceal the pranks of Venery; as is declared in this Tetrastick:
Est Rosa flos veneris, cujus quo facta laterent
Harpocrati matris, dona dicavit Amor;
Inde Rosam mensis hospes suspendit Amicis,
Convivæ ut sub ea dicta tacenda sciant.
Ik citeer nog even een andere Engelse auteur, Henry Peacham (1576-1664), best bekend van zijn boek The Compleat Gentleman. Peacham zegt in Truths o' our Times (1638): in many places, as well in England, as the Low Countries, they have over their Tables a rose painted, and what is spoken under the Rose, must not be revealed. The reason is this: the rose being sacred to Venus, whose amorous and stolen sports, that they might never be revealed, her sonne Cupid would neede dedicate it to Harpocrates, the God of Silence. It thus became the emblem of silence, was placed over confessionals in the 16th century, and sculpted on ceilings of banquet halls to remind guests that what was spoken sub rosa, sub vino could not be broadcast sub divo ('in open air').
Ik weet niet of iemand ooit zo’n roos heeft gezien in een oude of gerestaureerde woning of op een schilderij…
Nu weten we er alles van, vrees ik, behalve dan wie het Latijnse epigram schreef, maar uit een vraag in Britse een krant uit 1850 blijkt dat ze het toen ook al niet wisten…
Zo, nu nog enkel nog een afsluitertje. Iedereen kent de Marx Brothers, vooral Groucho, met zijn absurde humor. Maar daarnaast had je nog Harpo, Chico, Gummo (die heel vroeg gestopt is met acteren) en Zeppo. Het is natuurlijk over Harpo dat ik het even wil hebben. Hij speelde een ‘stomme’, hij praatte dus niet, misschien omdat Groucho voor vijf kletste; hij speelde op allerlei muziekinstrumenten, onder meer een harp en dus is zijn bijnaam misschien daarvan afgeleid. Zijn echte naam was Adolph, maar hij heeft die veranderd in Arthur, je zou het voor minder in de jaren dertig. Doet me denken aan dat oorlogsgrapje van een man die zich tijdens de bezetting aandient op de Kommandatur met het verzoek zijn naam te mogen veranderen: Adolph Schweinhund. De militaire overheden hadden daarvoor alle begrip en vroegen hem hoe hij wou heten, waarop hij zei: Winston Schweinhund.
En nu echt de afsluiter: was de ‘stomme’ Harpo Marx een erg late maar slimme verwijzing naar Harpocrates-met-het-vingertje-op-de-lippen?



















