Mariologie


Godsdiensten spreken over het onuitsprekelijke, het onzegbare, het onnoemelijke, het mysterie: zelfs de naam van God mag niet uitgesproken of voluit geschreven worden. Men is dus aangewezen op het gebruik van symbolen, metaforen, allegorieën, vergelijkingen.
Het gevaar is echter zeer groot dat de woorden die men gebruikt om het onuitsprekelijke te benoemen, een eigen leven gaan leiden, zoals de houten pop Pinoccio. Als we bekijken wat bijvoorbeeld twee duizend jaar christendom verzameld heeft aan ballast, dan is dat onvoorstelbaar veel. Ik lees elke morgen een stukje in het buitengewoon interessante boek The Oxford Companion to the Year, waarin telkens onder meer ook informatie staat over de heilige van de dag. Wat je daar verneemt aan fantastische verhalen tart elke zelfs religieuze verbeelding, maar het behoorde wel tot de realiteit van elke dag voor de gelovigen. Als kind heb ik nog meegedaan aan allerlei praktijken, die nu nog enkel in onze verste herinnering voortleven: rozenkransgebed, veertigurenaanbidding, portiunkelen, scapulieren, aflaten, santjes, bond van het Heilig Hart, novenen, missies, eucharistische kruistocht en nog zoveel meer, we waren er de hele dag en het hele jaar mee bezig.
Geen wonder dat in de loop van de geschiedenis van het christendom steeds weer mensen opgestaan zijn die aanstoot namen aan allerlei uitwassen die niets meer te maken hadden met de oorspronkelijke bedoeling. Die hervormers kwamen van uit de rangen van de gelovigen en bleven daar ook meestal, werden door de officiële kerk erkend en zelfs als voorbeeld gesteld. Soms echter waren de tegenstellingen zo groot, de kritiek zo fundamenteel dat men zich buiten de traditie plaatste: ketters noemde men dat en die werden bestreden met alle middelen. Zelfs een geniaal en goedaardig denker als Thomas van Aquino meende dat men hen het best kon ombrengen en dat gebeurde ook volop. Een andere mogelijkheid was een schisma: wanneer de ketters voldoende talrijk waren, konden ze zich afscheuren en een eigen ‘kerk’ beginnen. De byzantijnse kerk is daarvan een vroeg voorbeeld, de vele protestantse kerken volgden veel later en vandaag kan om het even wie een eigen kerk beginnen, zoals de sciencefictionauteur Ron Hubbard, de stichter van de Scientology-sekte.
Naarmate steeds meer mensen een goede opleiding genoten, trouwens meestal in kerkelijke scholen, groeide de kritiek van die intellectuelen op allerlei aberrante religieuze gebruiken en leerstellingen. Dat leidde tot aanzienlijke geloofsafval in die middens, al dan niet uitgesproken en publiek beleefd: men distantieerde zich van de meest ongeloofwaardige elementen, die men enkel nog goed achtte voor de ‘eenvoudige gelovigen’. Ook bij de clerus, die een langdurige vorming moest volgen die eeuwenlang de knapste koppen aantrok, was er ongetwijfeld ten minste impliciet een gezonde twijfel aanwezig, een gevoel voor relativering dat een onderscheid kon maken tussen folklore en essentie, tussen geloof en superstitie.
Maar officiële instanties hebben het daarmee veel moeilijker. Pas met het Tweede Vaticaans Concilie heeft men in de katholieke Kerk de moed gehad om bijvoorbeeld allerlei heiligen, van wie het historisch bestaan niet kon aangetoond worden, of van wie kon bewezen worden dat ze gewoon verzonnen waren, naar de prullenmand te verwijzen. Christoffel, die zoals zijn naam zegt (Christo-foros) het kindeke Jezus op zijn rug de rivier moest overdragen en die in vrijwel elke auto een medalie had, was een van de meest bekende slachtoffers van die late lenteschoonmaak.
Desondanks zijn er nog ongelooflijk (c’est le cas de le dire) veel elementen die behouden zijn en die behoren tot de religieuze fantasie, tot het bijgeloof, tot de versteende traditie. De Kerk kan moeilijk afscheid nemen van uiterlijke vormen en gevestigde opvattingen. Ik zal me beperken tot enkele voorbeelden uit de Mariologie, de leer van de Kerk over Maria, de Moeder van God.
Zulk een moeder van een God moet wel een heel speciale vrouw zijn. Zij kan dan ook geen gewone man als echtgenoot en dus vader van God hebben. Vandaar dat Jozef niet de biologische maar slechts de voedstervader vader van Jezus kan zijn: zij heeft ontvangen van de Heilige Geest, wat dat concreet ook moge betekenen. Maar Jezus is waarlijk mens geworden, hij was niet een soort verschijning in mensengedaante. Hij is geboren uit een vrouw, na een normale zwangerschap. Maar Maria wordt vereerd als Maagd, dat is, in zijn letterlijke betekenis een dogma van de Kerk al voor het jaar 200 en staat nog altijd in de catechismus. Nuchtere exegeten wijzen erop dat de Evangelies daarvoor een term gebruiken die oorspronkelijk niets anders betekent dan ‘godvrezende vrouw’ en dat we die term niet in zijn biologische betekenis moeten verstaan. Maar dat is dus wel wat er gebeurd is, tot op vandaag.
Toen de leer over de erfzonde (zie voetnoot onderaan) alom verbreid was, vooral ten gevolge van de interpretatie van Augustinus, begon men zich vragen te stellen over de Moeder Gods in die context en men kwam al gauw tot de conclusie dat men God toch niet kon laten geboren worden uit een vrouw die belast was met de erfzonde. Dat leidde ertoe dat men in 1476 al in een officieel feest maar pas in 1854 in een dogma vastlegde dat zij zonder erfzonde geboren was; wij kennen dat als de onbevlekte ontvangenis, een uitdrukking die door alle ‘eenvoudige gelovigen’ verward wordt met de maagdelijke geboorte, maar er niets mee te maken heeft: elke mens krijgt de erfzonde, volgens Augustinus gebeurt dat bij het inbrengen van het mannelijk zaad in de schoot van de vrouw. Welnu: de vader van Maria, over wie de informatie uitzonderlijk schaars is, heeft de erfzonde niet aan haar doorgegeven, zij is dus zonder de vlek van de erfzonde ‘ontvangen’, een eufemisme voor het ontstaan van het leven in de moederschoot.
Noch later meende men dat Maria toch niet het lot kon delen van al de ongedoopten, die ergens aan de poort van de Hemel moesten wachten op het Laatste Oordeel en het einde der dagen; ook niet van alle gewone heiligen, die na hun dood wel met hun ziel in de Hemel waren opgenomen, maar moesten wachten op de hereniging met hun lichaam tot de Wederkomst. Dat leidde tot het wel erg late dogma (1 november 1950) van de ten hemel opneming (assumptio) van Maria, dat wil zeggen met haar ziel en lichaam, onmiddellijk bij haar dood.
Dit zijn allemaal uitingen van de grote verering die er steeds in de katholieke Kerk is geweest voor Maria. Zolang men dat ziet als geloofspunten, als een manier om het mysterie, het onbegrijpelijke voor te stellen, dan kan men daar met enige moeite nog inkomen. Het probleem is dat men dat alles als zeer reëel is gaan voorstellen, in woorden en in talloze afbeeldingen, in gezangen en rituelen, die voor die nog altijd ‘gewone gelovigen’ naar niets anders konden verwijzen dan naar echte gebeurde feiten, onbetwistbare waarheden.
Beweren dat Maria geboren was zoals alle andere mensen, dat ze wel degelijk een man ‘bekend’ heeft, dat ze dus zoals alle vrouwen bevrucht is met het zaad van een man en dat ze dus geen ‘maagd’ meer was, dat haar dode lichaam onderhevig is geweest aan het gewone verrottingsproces: dat zijn ketterse uitspraken waarbij ik zelf nu nog huiver om ze neer te schrijven. En toch kunnen wij niet anders dan precies dat als vaststaande feiten aannemen en moeten we de tradities en de dogma’s verwijzen naar het geloof, naar dat domein van de menselijke geest waar de rede, het gezond verstand of de wetenschap niet thuishoren.
Dat is voor vele mensen een steen des aanstoots, en wel in beide richtingen. Enerzijds weigert de Kerk en met haar vele gelovigen dergelijke ketterse uitspraken zelfs maar onder ogen te nemen: wie zoiets zegt beledigt God en is voor eeuwig verdoemd. Wie de leer van de Kerk daarover niet aanvaardt, kan de hemelse zaligheid niet bereiken. Anderzijds zijn het precies dergelijke onredelijke dogma’s die intellectuelen en menig ‘gewone gelovige’ hebben afgeschrikt en afgekeerd van een Kerk die geen afstand kan of wil doen van wat in feite bijkomstigheden zijn, tradities, door historisch gegroeide omstandigheden gegroeide stellingen, onbegrijpelijk geworden formuleringen.
Geloof en wetenschap, het is steeds een verscheurend conflict geweest. Talloze slachtoffers zijn erin gevallen zijn, vooral aan de kant van de wetenschap. (Wetenschappers zijn minder geneigd om hun religieuze tegenstanders ook letterlijk aan de schandpaal of, wat veel erger is, op de brandstapel te zetten. Wanneer in atheïstische revoluties, zoals de Franse en de communistische, de hand geslagen werd aan gelovigen en bedienaars van de eredienst, dan waren dit zeker niet de enige slachtoffers, wat aantoont dat het geloof ook niet de reden was, hoogstens de aanleiding; noch gebeurde dat uit naam van de rede: de nieuwe machthebbers misbruikten slechts de naam van respectievelijk de rede en de wetenschap om hun eigen machtswellust tot een nieuwe ‘godsdienst’ te verheffen.)
Ook vandaag nog zijn we er niet uit. De wereld bestaat nog steeds vooral uit ‘gewone gelovigen’, die zonder veel nadenken aanvaarden wat de clerus of de nieuwe mediameesters hen voorhouden en in beide gevallen strookt het ‘verhaal’ niet met de werkelijkheid. Maar men trekt massaal naar Mekka, Rome, Jeruzalem, Lourdes, Benares… Men gelooft gemakkelijker een slogan dan een ontnuchterende statistiek, alles is perceptie, hype, spinning, reclame; mensen worden cynisch en nihilistisch: je kan niets of niemand meer helemaal geloven of vertrouwen, ook de wetenschap niet, dus we doen maar: nihilisme, dat tot wanhoop en vertwijfeling leidt, vooral bij ‘gewone mensen’, of tot hedonisme: geniet van het leven, morgen is het gedaan.
En toch zoeken mensen eerlijk naar een manier om het beste te halen uit de verschillende levenshoudingen die we kennen uit de geschiedenis en de verkenning van onze hedendaagse wereld. Geloven is zeer menselijk, wetenschap niet minder. Een theoloog zei ooit in een wat ambivalente boutade die iedereen liet monkelen maar uiteindelijk niemand bevredigde: ‘ik geloof ín mijn wetenschap’, heb je hem?
Is het mogelijk om de traditionele godsdiensten van binnen in of van buiten uit te bevrijden van alle ballast en de diepe waarheid achter alle beeldspraak te achterhalen? Of verbergt het religieuze symbool enkel het vacuüm van de filosofen en de kosmologie? Of blijft God zwijgen, gehuld in mysterie en horen we enkel het schamel stamelen of het schabouwelijk schreeuwen van zijn hysterische volgelingen? Is godsdienst dan niets meer dan een cultureel verschijnsel, een rituele overlevingsstrategie zonder andere aanspraken op realiteit dan de zeer reële subjectieve waarde, de genade in dit leven, voor wie haar beoefent? Of is het ook de enige mogelijkheidsvoorwaarde voor een paradijselijk eeuwig leven, waar we niet meer kijken in een duistere spiegel, maar van aangezicht tot aangezicht? Zijn er aspecten van onze wereld, de kosmos, die voor altijd moeten ontsnappen aan zelfs de verste verlegging van de grenzen van de wetenschap?
Het antwoord op dergelijke zeer retorische vragen moet concreet komen van elk van ons en is noodzakelijk vervlochten met onze individuele geschiedenis in onze omgeving. Er is geen eenvoudig antwoord dat kan medegedeeld worden aan de hele mensheid, in een verblindende flits van universele verlichting, of als het resultaat van duizenden jaren gestage vooruitgang of verkondiging. Elke mens moet zelf opnieuw de nooit opgeloste confrontatie aangaan van het bestaan in de wereld, samen met anderen, als bewust individu. Dat is genoeg voor een leven, genoeg voor een eeuwigheid.
Voetnoot: dit is wat de officiële catechismus van 1997 zegt over de erfzonde:
416
Door zijn zonde heeft Adam als eerste mens de oorspronkelijke heiligheid en gerechtigheid verloren die hij niet alleen voor zichzelf, maar voor alle mensen van God ontvangen had.
417
Adam en Eva hebben de door de eerste zonde gewonde, en dus van haar oorspronkelijke heiligheid en gerechtigheid beroofde menselijke natuur op hun nakomelingen overgedragen. Dit beroofd-zijn wordt "erfzonde" genoemd.
418
Ten gevolge van de erfzonde is de menselijke natuur in haar krachten verzwakt, onderworpen aan de onwetendheid, aan het lijden en aan de overheersing door de dood, en geneigd tot zonde (een neiging die "concupiscentie" genoemd wordt).
419
"Wij houden derhalve met het Concilie van Trente dat de erfzonde tegelijk met de menselijke natuur wordt overgedragen door voortplanting en niet door nabootsing en dat zij zo 'eigen is aan ieder"'. 2 Paus Paulus VI, Toespraak, Ter afsluiting van het jaar van het geloof, Credo van het Volk van God (30 juni 1968), 16. vert. uit Lat.

















