Onverzoenbaarheid
Op Facebook stond een bericht over een lezing die Susan Blackmore gehouden heeft in Oxford. Niet aan de universiteit aldaar, maar in het kader van een van de vele ‘zomercursussen’ die handige ondernemers organiseren in universiteitssteden en die vooral op (welgestelde) jongeren gericht zijn. Het is een vorm van jeugdtoerisme, en op zich niet oninteressant, maar het blijft hoofdzakelijk een commerciële onderneming. Als er enig intellectueel voordeel aan vastzit voor de deelnemers, is dat veeleer een neveneffect.
Hoe dan ook, Susan Blackmore, een vigoureuze atheïste en de bekende auteur van The Meme Machine had een lezing voorbereid over dat thema, waarbij vanzelfsprekend ook de evolutietheorie ter sprake kwam. Ze illustreerde haar stellingen over het ontstaan, de verspreiding, de weerbaarheid en de kwetsbaarheid van memen onder meer aan de hand van hun werking in verscheidene godsdiensten. Toen ze op die manier de kwalijke propagandapraktijken en de irrationele indoctrinatie van concrete godsdiensten aantoonde, naast andere ook meer bepaald die van de Islam, stonden enkele jeugdige toehoorders op en verlieten ostentatief de zaal. Toen de spreker hen vroeg waarom, kreeg ze als antwoord: je beledigt ons, en wij hoeven dat niet te pikken. Naarmate ze verder ging met haar betoog, verlieten steeds meer jongeren de zaal, zodat het auditorium uiteindelijk half leeggelopen was. Na afloop werd ze opgewacht door een aantal boze jongeren die haar agressief te woord stonden.
Ik was geschokt toen ik dit vernam. Ik was stilaan gaan denken dat wij hier in het Westen, en uitgerekend in Oxford, aan het begin van de 21ste eeuw zover waren gekomen dat de rol van de godsdienst niet meer primordiaal was. In mijn leefwereld komt godsdienst nog nauwelijks ter sprake. Zelfs in het machtige ‘katholiek’ onderwijs, van kleuterschool tot universiteit, is er amper sprake van God of godsdienst. Ik ken niemand, op een vriendelijke en verstandige getuige van Jehova na, die het onderwerp ooit ter sprake brengt. Wat men er ook over moge denken, men leeft alsof er geen God is, en men doet niet aan godsdienst. Statistieken tonen aan dat dit niet zomaar een indruk is: het aantal mensen dat zich niet-religieus noemt neemt sterk toe, het kerkbezoek in Vlaanderen is bijna volledig uitgestorven, en dat mag je letterlijk nemen.
Het blijkt echter een vergissing te zijn te denken dat dit een wereldwijd verschijnsel is, en dat het geldt voor alle godsdiensten. Ik moet vaststellen dat alle godsdiensten fanatieke fundamentalistische strekkingen hebben, en dat die zeer strijdbaar zijn. Het is moeilijk, zoals dat altijd al het geval geweest is, om uit te maken hoe diep het geloof gaat van de aanhangers, maar misschien doet dat er ook niet toe: als iemand zich opstelt als een fervent aanhanger van een godsdienst, dan is dat zo, ook al herhaalt die persoon klakkeloos wat de godsdienst voorschrijft, en kan die daarvan zelf geen redelijke verantwoording geven. Ook in het verleden konden bijvoorbeeld de meeste christenen geen zinnig woord zeggen over hun geloof, maar dat belette hen niet om massaal getrouw de rituele voorschriften te volgen: kerkbezoek, gebed, vasten, sacramenten, initiatieriten, kerkelijk huwelijk, uitvaartplechtigheden enzovoort. Dat toebehoren tot een geloof of kerk uitte zich verder in een maatschappelijke samenhorigheid en een keuze voor een politieke partij in een sterk verzuilde samenleving. Het was niet zozeer wát men geloofde, maar dát men geloofde.
In het Westen en in een aantal andere landen is de volksopvoeding het verst gevorderd, en dat is overal de aanleiding tot de achteruitgang van het geloof. Er is immers geen enkel geloof dat kan standhouden tegen het spontane verzet van de vrij denkende mens. Alle pogingen tot een redelijke verantwoording van het geloof lopen onvermijdelijk dood op de nuchtere vaststelling dat het geloof niet redelijk is, omdat het berust op onredelijke veronderstellingen, zowel die geformuleerd in de heilige geschriften als die voorgeschreven door de kerkelijke instanties. Er is altijd sprake van bovennatuurlijke wezens, goddelijke openbaringen, profetieën en voorspellingen, miraculeuze gebeurtenissen, en het geloof in een eeuwig leven dat niet in overeenstemming te brengen is met het gezond verstand.
Vandaar dat de meeste godsdiensten zich met hand en tand verzetten tegen alle redelijk denken: geloof en rede gaan niet samen, het geloof gaat voorbij aan de rede, overstijgt de rede, en maakt zo al die onmogelijke bovennatuurlijke geloofspunten niet alleen geloofwaardig, maar verheft ze boven elk redelijk verstaan. Het geloof is een hoger en dieper inzicht in de werkelijkheid, toont de werkelijkheid zoals ze echt is.
Voor mensen die leven in een samenleving die gebouwd is op de rede en haar toepassing in de wetenschap en alle aspecten van de maatschappij, het onderwijs, de politiek, de economie enzovoort, is dat wat men noemt een spagaathouding, een spreidstand waartoe slechts weinigen in staat zijn en die niemand lang kan volhouden. Men kan geen twee essentieel tegengestelde fundamentele levensopvattingen combineren. En aangezien de meeste mensen in staat zijn tot zelfstandig nadenken, en dat in principe des te meer naargelang ze beter opgeleid zijn, en het onderwijs precies gericht is op de bevordering van het zelfstandig nadenken, gaat het geloof erop achteruit naarmate de redelijkheid toeneemt.
Een andere mogelijkheid is echter dat men de redelijkheid helemaal afzweert en het geloof als de enige maatstaf neemt voor alles, de hele samenleving en alles wat ermee te maken heeft. Dat is wat het christendom beoogde, zoals het jodendom waarop het christendom is geënt, en dat is ook wat de islam voorhoudt. En dat is het verschijnsel dat wij vandaag meemaken.
Een bijzonder aspect van dit eeuwenoud dilemma is dat door de migratie de godsdiensten een verspreiding kennen die vroeger enkel door religieuze veroveringsoorlogen en politieke overheersing kon gerealiseerd worden. De islam heeft sinds zijn ontstaan dikwijls aan de poorten van Europa gestaan, bijvoorbeeld al in 732 bij Poitiers, en in 1683 bij Wenen, maar werd toen telkens verslagen. In de 20ste eeuw begon er een immigratie uit de moslimwereld naar Europa, en die instroom duurt nog steeds voort. Die migranten brengen hun cultuur mee, en ook hun godsdienst, die uitdrukkelijk aanspraak maakt op het alleengezag van God: de islam is een theocratie, of beter, aangezien God niet bestaat, een hiërocratie, dat wil zeggen dat de geestelijkheid de hoogste macht is op alle gebied, inclusief de burgerlijke rechtspraak, en dat gelovigen veeleer moeten gehoorzamen dan nadenken.
Er is een sterke neiging onder moslim-migranten om zich niet te integreren, en hun eigenheid te behouden. Dat zorgt voor moeilijkheden in het Westen, die vooral tot uiting komen in het onderwijs. Ons onderwijs is erop gericht om onze kinderen te leren nadenken, en hen onze beschaving eigen te maken. Het is kenmerkend voor die beschaving dat kerk en staat gescheiden zijn, en dat wij een democratisch bestel aanhangen. Dat is in rechtstreekse tegenspraak met de Islam. Wanneer dan een aanzienlijk aantal kinderen uit moslim-middens onze scholen bevolken, soms zelfs in die mate dat zij de meerderheid of zelfs de totaliteit uitmaken, dan moet het wel fout lopen. Enerzijds voor die migrantenkinderen, die in een gewetensconflict komen tussen enerzijds wat hen voorgehouden wordt in de familie en de gemeenschap waarin ze leven, en anderzijds wat hen op school wordt bijgebracht en wat zij zien in de gemeenschap waarnaar ze geïmmigreerd zijn.
Soms haalt de rede het, en overtuigt ze gaandeweg de migrantenkinderen, die hun levenshouding dan grotendeels baseren op de rede en de wetenschap, en nog enkel lippendienst bewijzen aan hun geloof, zoals destijds ook de christenen hebben gedaan.
Soms ook niet. Er zijn scholen waar de moslimjongeren ostentatief afstand nemen van wat hen wordt voorgehouden op school, bijvoorbeeld in de lessen wetenschap of geschiedenis. Zij sluiten de oren, en stellen dat zij een andere wetenschap aanhangen, namelijk die van hun geloof. Soms gedragen zij zich zeer agressief tegenover leraren en directies. Soms haken ze helemaal af, en weigeren ze naar de ‘heidense’ scholen te gaan. Er gaan stemmen op om moslimscholen op te richten. Er gaan nog meer stemmen op om ons onderwijs aan te passen aan het moslimpubliek, of althans te vermijden dat deel van het publiek te schofferen, te beledigen of te maken dat ze zich ongemakkelijk voelen.
Kijk, daar wordt het moeilijk. Als je twee fundamenteel tegengestelde levensopvattingen hebt, dan is het onmogelijk om bijvoorbeeld een onderwijs aan te bieden dat beide opvattingen volledig respecteert, dat als het ware ‘neutraal’ is. Je kan geen wetenschap of geschiedenis aanleren als je rekening moet houden met de letterlijke tekst van de Koran en al de voorschriften die de Islam daaraan verbindt, en de aanwijsbaar bedrieglijke onwaarheden die zogenaamde islamistische geleerden verzinnen. Onze beschaving is niet te verzoenen met een fundamentalistisch islamisme, niet omdat we ons daarmee niet willen verzoenen, maar omdat de twee onverzoenbaar zijn.
Als men in onze scholen, zoals dat nu gebeurt, probeert om toch te vermijden dat de moslimjongeren afhaken, en toegevingen doet door bepaalde zaken, zoals de evolutietheorie en de kosmologie, om er maar enkele te noemen, te gaan verzwijgen of minimaliseren als niet meer dan veronderstellingen, en ruimte laat voor alternatieven die aangereikt worden door fundamentalistische moslimgroeperingen en kwaadwillige pseudowetenschappers, dan doen we onze eigen beschaving geweld aan, en belanden we voor we het weten weer in de Middeleeuwen.
Susan Blackmore is geen doetje. Ze is inderdaad een uitgesproken atheïste, maar haar betoog is steeds streng wetenschappelijk onderbouwd. Wanneer zij haar aanzienlijke kennis en haar scherp verstand gebruikt om de verderfelijke mechanismen bloot te leggen die godsdiensten gebruiken om mensen aan hun gezag te onderwerpen, botst dat onvermijdelijk met een godsdienst die zich daaraan manifest schuldig maakt. Haar gelijk wordt bewezen door het ongelijk dat ze krijgt van de aanhangers van die godsdiensten, die door zich af te sluiten van haar betoog precies aantonen hoe die mechanismen op hen inwerken.
Wij kunnen alleen hopen dat het gezond verstand zal zegevieren, vroeg of laat. We kunnen niet veel meer doen dan onze scholen en universiteiten open stellen voor die jongeren, zodat ze in de confrontatie met onze beschaving de gelegenheid krijgen om hun mentale vermogens, die in hun potentieel absoluut niet verschillen van die van ons, adequaat te gebruiken.
Of kunnen, en moeten we toch meer doen? Moeten we ons strijdbaar opstellen tegen degenen die een levensopvatting voorstaan die fundamenteel tegengesteld is aan de onze, dat wil zeggen de kerkelijke instanties van alle godsdiensten, dus niet alleen de islam maar ook het christendom en allerlei sekten? Ik meen van wel, en dat is ook wat ik hier doe. Ik pleit voor onze westerse beschaving en voor onze democratie, al zijn ze allebei onvolmaakt en kwetsbaar. Ik toon de desastreuze invloed aan van alle godsdiensten, zowel op het persoonlijk leven en geluk van elke mens als op maatschappelijk gebied. Ik verzet me tegen elk klerikalisme, dat wil zeggen tegen de invloed van de godsdiensten en hun bedienaars en vertegenwoordigers op maatschappelijk gebied. Maar ik doe dat in geschrifte en in gesprekken, ik voer geen acties en neem niet deel aan manifestaties, ik onderteken geen petities, en ik richt geen persoonlijke aanvallen tegen personen.
Ik meen dat men mij niet kan beschuldigen van islamofobie. Maar dat belet mij niet mijn afschuw uit te spreken over heel wat dingen die gebeuren in de naam van de islam, zoals ik diezelfde zaken veroordeel wanneer ze zich voordoen of zelfs voordeden in een andere godsdienst. Dat geldt onder meer voor discriminerende wetten en gedragingen tegenover vrouwen en personen met een seksuele geaardheid of een levenshouding die afwijkt van wat de godsdienst voorschrijft. Dat geldt voor alle geweld dat geschiedt in naam van of onder het mom van een godsdienst. Dat geldt voor de onwaarheden die godsdiensten verspreiden als wetenschap. Dat geldt vooral voor de liefdeloosheid waarvan zogenaamde gelovigen en bedienaars van erediensten blijk geven in hun omgang met anderen.
En ja, ik maak me zorgen als ik zie hoe overal ter wereld godsdiensten nog steeds mensen aanzetten tot liefdeloosheid, haat, geweld en domheid.

