De schoonheid en de troost van het atheïsme

In mijn recensie van het boek De schoonheid en de troost van een wereldbeeld zonder god kwam ik tot het besluit dat precies op dat punt het boek tekortschoot: er is te veel kritiek op het theïstisch wereldbeeld, wij zijn nog altijd bezig ons af te zetten tegen hoe het was en te weinig met hoe het is en hoe het kan zijn.
Ik kreeg ook enkele reacties van personen die zich afvragen waarin die schoonheid en die troost dan wel gelegen zijn. Dat heeft me aan het denken gezet. Ik voel mijn atheïsme echt wel aan als vertroostend en als iets moois, maar waarom precies?
Als ik daarop probeer te antwoorden, moet ik erop letten dat ik niet in dezelfde val trap als de auteur van dat boek en de talrijke andere oude en nieuwe atheïsten die zich bijna uitsluitend beperken tot het in de verf zetten van wat er verkeerd is met de godsdiensten, in ons geval het christendom. Dat is een afzonderlijke discipline in het strijdbare atheïsme en een uiterst rechtgeaarde bovendien. Maar het is nu stilaan wel duidelijk dat het christendom zich schuldig heeft gemaakt aan alle zonden uit zijn eigen biechtboeken. Wordt het geen tijd dat we meer aandacht gaan besteden aan wat er goed en mooi is aan een leven zonder God?
Voor we daaraan toe zijn, meen ik dat het toch van belang is te wijzen op de positieve gevolgen van het afscheid van God en kerk. Wanneer men zoals ik katholiek opgevoed is in een katholieke landstreek en zijn hele leven heeft gewerkt in een katholieke instelling, is men gemazeld en gepokt in dat katholicisme, of men dat wil of niet. Men beseft het op de duur niet meer, het is een deel van jezelf geworden. Als je, zoals ik heb gedaan, dan toch de knagende vragen die er altijd al geweest zijn, probeert te beantwoorden en tot de conclusie komt dat godsdienst inderdaad zelfbegoocheling en misleiding is, geeft dat een enorm gevoel van opluchting. Door afstand te nemen, in de mate van het mogelijke, want het zit allemaal heel diep, van de veronderstellingen en vooringenomenheden van het geloof, bevrijd je jezelf van een last waarvan je niet besefte hoe terneerdrukkend ze was. Door vervolgens ook afstand te nemen van al wat christelijk is in de maatschappij en de rangen van de gelovigen te verlaten, heb je het gevoel niet meer tot de verkeerde, schuldige partij te behoren. Ook dat is een bevrijdende ervaring: je hebt je voorgenomen om niet meer mee te werken aan iets dat je als fout beschouwt. Je kan van nu af aan als een vrije persoon in het leven staan, onbelast met de fouten van de groep waartoe je behoorde. Ik heb die ervaring doorgemaakt en dat heeft me sterker gemaakt, minder afhankelijk, meer autonoom, minder volgzaam, meer bewust en verantwoordelijk voor mijn eigen opinies en daden en aandachtiger voor die van anderen.
Dat is een aspect van een bekering tot een atheïstische levenshouding dat men niet mag onderschatten. Men legt waarlijk de oude gewaden af. Volg deze link voor wat ik vijf jaar geleden al schreef over het achterlaten van een traditie en het behouden van wat de moeite is. Door de deur achter zich dicht te trekken, begint men een nieuw leven en dat is een hoopgevende gebeurtenis.
Het verlaten van de christelijke manier van denken is ook een fameuze intellectuele ontnuchtering, en ik gebruik het woord hier in zijn etymologische positieve betekenis, en niet in de afgeleide betekenis van een ontgoocheling. Het is inderdaad alsof men ontwaakt uit een dronken roes en eindelijk voor het eerst helemaal nuchter is, nuchter genoeg om de zaken niet meer te zien door een dronken waas van wierookslierten, maar met de heldere en onbevangen blik van het gezond verstand en de rede. Het christendom is niet bestand tegen de kritiek van de rede en beoogt dat ook niet: geloven is niet rationeel, het is een keuze op niet-rationele gronden. Welnu, als men er integendeel voor kiest om zich te laten leiden door de rede, lijkt het alsof plots de mist opgetrokken is in je hoofd en je hart. Ook dat is een diepe emotionele en bevrijdende ervaring.
![]()
Kenmerkend voor een goddeloze visie is dat er geen hiernamaals is, geen eeuwig leven. Los van consideraties over hemel en vagevuur en hel als beloning en straf voor wat je met je leven hebt gedaan, geeft denken over het leven als een eenmalig en intrinsiek eindig gebeuren een indringend en zinderend gevoel van eenheid met de natuur. Als je om je heen kijkt, zie je dat alles ontstaat, groeit en vergaat en dat je daarvan integraal deel uitmaakt. Je begint helemaal anders naar je eigen leven en dat van anderen te kijken en er anders over te denken. De dood is niet meer de afschrikwekkende man met de zeis, de ultieme mislukking van het leven. Integendeel, het is niet alleen de normale gang van zaken voor al wat leeft, het is de waardige bekroning van een bewust geleefd leven, het einde van iets dat eindigen moest, iets dat ons altijd al wachtte aan het einde. Eindelijk kunnen we het hoofd neerleggen en aanvaarden wat alle leven beschoren is: de dood, hoe die ook komt en wanneer die ook komt. Leven is leren sterven (Seneca, Brieven aan Lucilius). Het besef dat er ooit een einde komt aan het leven, dat ik ooit zal sterven en er zelf op geen enkele manier meer zal zijn, is een van de meest troostgevende gedachten die een mens kan hebben. Mij heeft het een gevoel van volmaakte rust bijgebracht, iets waarnaar ik kan uitkijken tijdens mijn leven. Het idee van een oneindig bestaan, op welke manier dan ook, is daarentegen een werkelijk ondraaglijk belastend perspectief.
Leven zonder God is niet leven zonder ethiek. Daarvan raken stilaan ook sommige gelovigen overtuigd, zoals ongelovigen ook alle reden hebben om te denken dat een leven met God niet meteen een ethisch leven is. Het verschil is dat de atheïst zich niet laat leiden door normen die namens een God opgelegd zijn door een godsdienst, maar de regels aanvaardt van de maatschappij waartoe hij behoort en voortdurend die regels in vraag stelt en probeert bij te sturen. Men bepaalt zelf hoe men wil leven en men neemt die zware verantwoordelijkheid op door op een bewuste manier en met kennis van zaken beslissingen te nemen, veeleer dan zich onnadenkend te conformeren aan opgelegde geboden en verboden. Dat biedt onvermoede mogelijkheden voor diverse persoonlijke overtuigingen, op voorwaarde dat die beantwoorden aan de meest fundamentele normen van medemenselijkheid. Dus geen banbliksems voor meningen en gedragingen, bijvoorbeeld in verband met de beleving van de seksualiteit en maatschappelijke samenlevingsvormen. Verdraagzaamheid, tolerantie zijn essentiële kenmerken van het ware atheïsme en dat is een voorwaarde en zelfs een garantie voor een menswaardige samenleving.

Het atheïsme kent aan de mens geen uitzonderlijke voorrechten toe. Het is een levensvorm die geëvolueerd is uit andere en niet essentieel verschilt van de andere, maar enkel op sommige punten, voornamelijk in het gebruik van onze mentale middelen voor het tot stand brengen van onze leefwereld. Als een van de resultaten van die evolutie van ons universum zijn wij alle andere bestaansvormen, levende en niet-levende, respect verschuldigd. Ons samenleven gebeurt echter vooral met andere mensen. Daarbij moeten wij rekening houden met onze fundamentele bestaansdrang, die alle bestaan en alle leven kenmerkt, maar ook met het onmiskenbare feit dat wij samen tot meer in staat zijn dan alleen of in strijd met elkaar. Dat is de basis van elke ethische overweging. Dat is een besluit waartoe wij kunnen komen op louter redelijke, dat wil zeggen atheïstische gronden, en het vormt een betere basis voor het bepalen van het gedrag dan welke andere overweging ook.
De mensheid neemt vrijwel exponentieel toe in aantal. Maar zelfs vanaf het prilste begin hebben wij gezocht naar de beste manieren om samen te leven. Er is veel onschuldig en onnodig bloed vergoten in die zoektocht, maar stilaan hebben wij ontdekt dat een democratisch bestel de minst slechte staatsvorm is. Atheïsme is bij uitstek democratisch, of moet dat zijn, omdat het geen hoger gezag duldt. Daarom verwerpt het elke vorm van monarchie, aristocratie, plutocratie en dictatuur. Een atheïstische opvatting van de maatschappij streeft naar de grootste vrijheid van het individu binnen de gemeenschap, in het besef dat enkel in gemeenschap het individu zichzelf en de gemeenschap optimaal kan realiseren. Er is geen enkele godsdienst die dat principe huldigt, integendeel. Ook om die reden moet men toegeven dat het atheïsme verkieslijk is en een hogere waarde inhoudt, doordat het onze hoop voedt.

Godsdiensten en menselijke kennis of wetenschap hebben steeds samen bestaan sinds het ontstaan van homo sapiens. Maar het is een moeizame co-existentie geweest vanaf het begin en dat is vandaag niet anders. Alle ernstige wetenschappers zijn ongelovig, alle godsdiensten verwerpen de wetenschap als enige verklaring van al wat is. Er is absolute en principiële onverenigbaarheid tussen beide. Anderzijds is onze moderne wereld steeds meer en vandaag vrijwel uitsluitend gebaseerd op de verworvenheden en het gebruik van de wetenschap. Een atheïstische opvatting impliceert een aanvaarden en huldigen en verdedigen van de wetenschappelijke methode en dat is voor heel veel mensen een houvast dat ze niet willen loslaten. Zelfs nominale gelovigen geloven ten minste op alle belangrijke punten veeleer in de wetenschap dan in de godsdienst. Ons dagelijks leven speelt zich af in een goddeloze wereld, onderbouwd door de wetenschap en de technologie. Er zijn nog nauwelijks mensen die zich buiten die wereld plaatsen om in volstrekte afzondering God te dienen, en zelfs dat is niet meer echt mogelijk. Wie atheïst is, stelt zich geen vragen meer over God, maar wel over de wetenschap waarin hij of zij gelooft als principe. Wetenschap is inderdaad een principe, een uitgangspunt, en geen geloof; geen dogma maar een zoektocht geleid door de ervaring en de rede. Wanneer men bij die zoektocht geen rekening meer moet houden met God of godsdienstige dogma’s, vallen belemmeringen weg die de mensheid eeuwenlang onnodig in duisternis, armoede, honger, ziekte, lijden en angst hebben gedompeld.
Atheïsme is een intellectuele ontvoogding en bevrijding van de mens, die ons de schoonheid van de Renaissance heeft opgeleverd, de maatschappelijke revoluties van de 18de eeuw en de explosieve ontplooiing van de moderne technologie en wetenschap, de grondslagen van onze beschaving.
Dat atheïsme staat open voor de adembenemende schoonheid van het universum in zijn ontstellende oneindigheid, zowel in het allerkleinste als het allergrootste.
Elke vorm die het universum aanneemt, is op zijn manier volmaakt. Elke levensvorm zal ernaar streven dat universum zo nuttig en aangenaam mogelijk te maken voor zichzelf en daarbij zullen de belangen van de enen allicht in botsing komen met die van anderen. Maar enkel als wij daarbij de atheïstische principes trouw en met overtuiging toepassen, bestaat er een kans dat op een dag onze aarde voor iedereen een thuis zal zijn.

Er is leed op deze wereld en dat heeft velerlei oorzaken. Tegen het leed dat kan vermeden worden, moeten we ons blijven verzetten, vanuit onze principes. Maar we moeten ook beseffen dat we voorlopig met heel wat leed zullen moeten leren leven. Ook daarin is een atheïstische levenshouding nuttig en zelfs noodzakelijk. Ons persoonlijk leed en dat van anderen is niet iets dat ons overkomt omdat een hogere macht dat wil en daarmee een bedoeling heeft. Het is ook geen straf voor iets dat wij zouden misdaan hebben, noch een beproeving om ons te louteren. Het is louter het gevolg van onze omstandigheden en die hebben we niet helemaal in de hand. Het besef dat wat ons overkomt niet zo bedoeld is, kan ons helpen om een gelijkmoedige houding aan te nemen en het beste te maken van elke situatie, hoe pijnlijk of beperkend die ook is. Een dergelijke houding is niet alleen intellectueel meer verantwoord, maar ook levenskrachtiger dan de onrust van onterechte schuldgevoelens of woede en vertwijfeling, die enkel tot verbittering leiden en nog meer ongeluk.
Dit zijn enkele elementen die ik heb willen aanbrengen om aan te tonen dat een leven zonder God niet alleen mogelijk is, maar een beter leven is; dat er schoonheid en troost te vinden is in een eerlijke, bewuste, redelijke en autonome levenshouding.



