De ballade van de pooier
Uit De driestuiversopera, Bertolt Brecht
Vertaling © 2014 Karel D’huyvetters
Mac
Er was een tijd, die is nu wel voorbij,
Toen leefden we nog samen, zij en ik,
En wel van mijn koppie en van haar buik.
Ik beschermde haar, en zij onderhield mij.
Het kan ook anders, maar zo kan het ook.
En als er een vrijer kwam, kroop ik uit ons bed
En verdween met een glaasje kirsch en was heel net.
En als hij afdokte, zei ik hem ‘Meneer,
Als je nog een keertje wil, met veel plezier!’
Zo hielden we het uit, een goed half jaar vast
In dat bordeel waar ons huishouden was.
Jenny
En in die tijd, die nu wel voorbij is,
Heeft hij meer dan eens mijn poen gegapt.
En als het geld op was, kreeg ik op mijn kanis.
Dan was het meteen: ’Kom hier, dat ik je hemd verpand!
Een hemd, dat is leuk, maar zonder gaat het ook.’
Maar dan werd ik gemeen, weet je, ik baalde,
Ik vroeg hem dan vaak, waar hij het lef wel haalde.
Maar dan verkocht hij me zomaar een muilpeer.
Ik was er dan meteen vaak danig van in de weer.
Samen
Het was me wat moois, in dat half jaar, vast
In dat bordeel waar ons huishouden was.
Samen, en afwisselend
Er was een tijd, die nu voorbij is,
Mac
Toen was het nog niet echt zo erg als het nu is,
Jenny
Toen het ook zomaar overdag in bed van jetje was
Mac
Aangezien zij zoals gezegd ‘s nachts meestal bezet was.
(’s Nachts is meer gewoon, maar overdag lukt het ook.)
Jenny
En als ik dan ook nog eens zwanger werd van jou,
Mac
Dan deden we het zo: ik lig wel onder jullie, vrouw,
Jenny
Omdat hij het kind al niet in het moederlijf verdrukken wou
Mac
Dat hoe dan ook toch maar bij het vuilnis belanden zou.
En zo kwam het dat ook dat halve jaar al bijna om was
In dat bordeel waar ons huishouden was.
Het gebeurt me wel eens, wanneer ik geconfronteerd word met een ongewone wending, of een niet alledaagse gebeurtenis, dat ik, meestal in gedachten, om toch niet (weeral…) al té pedant te lijken, dit versje van Bertolt Brecht neurie: Es geht auch anders, aber so geht es auch.
Vroeger, toen ik klein was, verliep alles meestal zoals gebruikelijk. Iedereen leefde in een gezin met drie, vier kinderen, met een vader die ging werken en een moeder die het huishouden deed. Je ging naar school om later op jouw beurt zo’n gezinnetje te stichten en te leven zoals je ouders, en je grootouders, enzovoort. Daar kwam een einde aan in de woelige jaren 1960. Plots leek niets meer wat het was, heilige huisjes tuimelden naar beneden, de wereld werd een dorp, er waren plots geen zekerheden meer, en ook geen normen.
Vroeger was alles en iedereen eender: iedereen was blank, sprak dezelfde taal, had dezelfde gewoonten, ging naar dezelfde kerk, kocht dezelfde dingen in dezelfde winkels, en werd begraven op hetzelfde kerkhof. Er was nauwelijks afwijkend gedrag, en het weinige dat er toch was, werd angstvallig verborgen en verzwegen, zeker voor de kinderen. Het hoogste ideaal was: beantwoorden aan de verwachtingen, conformeren aan de norm. Wij zijn grootgebracht in dat nauwsluitend perspectief, en met de onomstotelijke kleinburgerlijke overtuiging dat al wat afweek van het gewone onmogelijk goed kon zijn.
Als je dan plots een neger ziet, dan weet je niet waar je het hebt. Ik zeg wel: neger, want zo heette een zwarte Afrikaan toen, zonder denigrerende bijbedoelingen of neerbuigendheid. Nu heeft dat woord vanuit het Engels een zo negatieve bijklank gekregen, dat het in de omgangstaal nog amper mag gebruikt worden, maar dat terzijde.
Het gewone was zo in ons ingehamerd, dat wij niet in staat waren ons voor te stellen dat er nog iets anders kon zijn. Het gewone, of normale, was de norm. Wat daarvan afweek, was abnormaal, en dat betekende: slecht, verkeerd, foute boel, hel en verdoemenis. Alles was zoals het was, en zo moest het ook blijven. Alle verandering was uit den boze: wat goed genoeg was voor onze ouders en voorouders, was goed genoeg voor ons.
Die mentaliteit heerste overal: thuis, op school, in de kerk, in de jeugdbeweging, op straat, overal waar je kwam, en ze werd ons met gezag ingeprent gedurende de eerste twintig jaar van ons leven. Geen wonder dat die mentaliteit zo diep ingeworteld is. Het is pas wanneer we kennis maakten met andere toestanden, die vaak even diep ingesleten waren bij anderen, dat we de relativiteit van het gewone gingen inzien. Tenminste, als we erin slaagden om te ontsnappen aan de houding die ons was opgelegd, namelijk dat alleen onze eigen gewoonten goed waren, en die van de anderen des duivels. Dat kon enkel door ons verstand te gebruiken, door niet telkens terug te vallen op wat ons voorgehouden was, maar de dingen onder ogen te zien, vrank en vrij, en dan te beslissen wat goed was en wat niet. Dan bleken plots heel veel ongewone dingen even goed als de gewone, en heel veel slechte dingen zelfs beter dan wat men ons als alleenzaligmakend had voorgehouden. Meteen verloor het loze gezag, dat enkel op macht steunde, al zijn overtuigingskracht, en stond de weg open voor vernieuwing in verscheidenheid. Zelf durven nadenken, in plaats van klakkeloos aanvaarden wat men je voorhoudt. Echt nadenken, dat wil zeggen voor en tegen afwegen, alle mogelijkheden bekijken, te rade gaan bij anderen die er ook over nagedacht hebben. Rekening houden met je spontane voor- en afkeur, maar je niet zomaar laten leiden door je emoties alleen. Zo ga je stilaan de juiste afwegingen maken, en leren uit je ervaring wat goed is en wat uiteindelijk niet goed. Leren overleven, leren leven.
Terugkijkend naar de tijd van toen, die nu wel echt voorbij is, stel ik vast dat ik er niet in geslaagd ben me helemaal vrij te maken van de harde beginselen van mijn opvoeding. Ik ben meestal kleinburgerlijk blijven denken, ik heb niet vaak buiten de lijntjes van mijn opvoeding gekleurd. Mijn stoutste dromen heb ik niet waargemaakt, mijn dierbaarste idealen heb ik niet altijd nagestreefd. Ik heb meestal gehandeld volgens de normen en de verwachtingen, en niet de morele of intellectuele moed gehad om nuchter en bedachtzaam alle mogelijkheden onder ogen te zien en dan moedig te kiezen voor het beste. Ik heb, bewust en onbewust, meestal gekozen voor het compromis, voor minder dan het uiterste, en ben de meeste risico’s uit de weg gegaan.
Ik zeg dat zonder veel teleurstelling: het is niet altijd wijs voor jezelf en voor anderen de extremen op te zoeken. Maar toch vraag ik me af hoe het zou gegaan zijn indien ik op bepaalde momenten in mijn leven vrijmoedig ja had gezegd, of neen.
Het is goed zoals het geweest is. Maar het had ook anders gekund.