Onnozele Kinderen en Thomas Becket


Gisteren, de 28ste, was het Onnozele Kinderendag. In het Evangelie van Matteus, II, 16 staat het verhaal van de moord op al de mannelijke kinderen jonger dan twee jaar die in Bethlehem geboren waren. Koning Herodes was daarmee niet aan zijn proefstuk, zijn levensverhaal leest als een boek van Stephen King. Zo liet hij, naast ten minste één van zijn dertien vrouwen en een andere zoon, ook zijn zoon Antipater, terechtstellen op verdenking van hoogverraad. Hij had daarvoor de toelating nodig van keizer Augustus, die bij die gelegenheid (in het Grieks) zou gegrapt hebben: Je kan maar beter Herodes’ varken (hus) zijn dan zijn zoon (huios). Ook vandaag nog heb je in Israel meer overlevingskansen als varken dan als Palestijn. Maar terwijl de Palestijnse slachtoffers van het conflict in Gaza maar al te reëel zijn, lijken de onnozele kinderen totaal verzonnen: geen enkele andere bron spreekt over een dergelijke wandaad, terwijl we over de andere hebbelijkheden van Herodes goed ingelicht zijn.
Vandaag, 29 december herdenkt de katholieke kerk Thomas Becket (1118-1170). Hier en daar meent iemand dat het Thomas à Becket moet zijn, maar daar is geen enkele reden toe. Het lijkt wel Mrs. Bucket (emmer) die vindt dat ze Bouquet (ruiker) moet genoemd worden…
Sommigen onder ons herinneren zich misschien Thomas Becket van de geschiedenisles of van het toneelstuk dat T.S. Elliot eraan wijdde en dat voor het eerst werd opgevoerd in de kathedraal van Canterbury in 1935. Daarin is aartsbisschop Becket een figuur die zich verzet tegen de autoritaire macht van de koning, Henry II en die daarom op zijn bevel in de kathedraal vermoord wordt door vier van zijn ridders. Dit is ook wat de katholieke kerk ervan vindt: Becket wordt sinds zijn dood vereerd als een martelaar, maar in Engeland natuurlijk niet meer vanaf Henry VIII en ook vandaag niet in de Anglicaanse kerk. T.S. Elliot gebruikte het historisch personage om zijn ideeën over het rijzend fascisme te vertolken, maar deed daarmee de waarheid danig geweld aan.
Thomas of London, zoals hij door zijn tijdgenoten genoemd werd, begon zijn loopbaan als hoveling en muntte meer uit in de jacht dan in zijn studies. Uiteindelijk kreeg hij rond 1142 een postje toegewezen in de hofhouding van Theobald, de aartsbisschop van Canterbury; hij werd er diaken en daarna aartsdiaken. Het was Theobald die hem in 1154 aan koning Henry II aanbeval als chancellor, kanselier dus, de rechterhand van de koning. De aartsbisschop en zijn collega-bisschoppen hadden gehoopt dat Thomas hen welgevallig zou zijn, hij zou de belangen van de kerk verdedigen bij de koning. Maar dat bleek een misrekening: Thomas koos in alles de kant van de koning en gebruikte zijn kennis van de kerkelijke wereld om allerlei hatelijke belastingen te laten goedkeuren en de privileges van de kerk te beknotten. Ondertussen liet hij zich wel verder uitbetalen als aartsdiaken van Canterbury. Thomas steunde de koning in zijn strijd tegen en in Frankrijk, waar hij ook effectief als ridder deelnam aan de vijandelijkheden.
Na de dood van Theobald stelde Henry II zijn vriend en raadsman Thomas voor om de functie van aartsbisschop van Canterbury, in de praktijk het primaatschap van Engeland, op te nemen, naast zijn taken als kanselier. Dat gebeurde in 1162, maar Thomas nam meteen ontslag als kanselier, zoals gebruikelijk was. En weer bleek hij een fameuze kazakkeerder te zijn: hij betoonde zich een zeer onafhankelijke aartsbisschop, die de koning herhaaldelijk dwarsboomde en van zijn ervaring als kanselier gebruik maakte om uitsluitend de kerk te dienen, tegen de wensen en de belangen in van zijn vroegere vriend en meester, de koning. Hij ging daarin zo ver, dat hij uiteindelijk de vlucht moest nemen naar Frankrijk in november 1164. Hij bleef daar ageren tegen de koning, met de steun van de paus, of een van de pausen, want er was ook een tegenpaus op dat moment. Zo excommuniceerde hij enkele bisschoppen en ook naaste medewerkers van de koning. Henry II reageerde door in 1170 zijn troonopvolger te laten kronen door een van de rivalen van Thomas, zijn aartsvijand en aartsbisschop van York, met wie hij nog samen in Canterbury had gediend. Thomas nam dat natuurlijk niet: het was het traditioneel voorrecht van Canterbury om die kroning te doen; hij schorste van uit Frankrijk meteen alle bisschoppen die eraan deelgenomen hadden. Toen Henry dat vernam zou hij uitgeroepen hebben: Will no man rid me of this turbulent priest? Is er dan niemand die mij verlost van deze woelige priester?
Op kerstdag 1170 excommuniceerde Becket al zijn tegenstanders.
De woedende uitroep van Henry II was genoeg voor enkele van zijn ridders. Zij trokken naar Canterbury en vermoordden Becket in de kathedraal.
De moord op de aartsbisschop van Canterbury, door medewerkers van de koning, ging als een schok door Europa. Becket werd meteen als martelaar vereerd; twee jaar na zijn dood verklaarde paus Alexander III, met wie hij had samengewerkt tegen Henry II, hem heilig. In 1174 ging Henry op boetetocht naar Canterbury. De populariteit van sint Thomas Becket verspreidde zich snel, met volle steun van Henry II en van diens dochters, in hun respectieve huwelijken her en der, zelfs tot in het Heilig Land en in IJsland. Canterbury werd een beroemd pelgrimsoord, onder meer voor de denkbeeldige vertellers van de Canterbury Tales van Chaucer.
Mijn gewoonte getrouw heb ik jullie opmerkzaam gemaakt op het feit dat niet alles wat ons voorgehouden wordt evangelie is, zelfs niet het Evangelie zelf, en zeker niet het bloedige verhaal van de Onnozele Kinderen. Vervolgens heb ik jullie laten zien dat de historische Thomas of London niet de moderne heldhaftige verdediger was van de mensenrechten die T.S. Elliot ervan gemaakt heeft in zijn Murder in the Cathedral, noch de zachtaardige onschuldige dienaar van de kerk die het slachtoffer werd van een absolutistische en hatelijke vorst.
Hij blijkt in tegendeel een zeer onberekenbare en zelfs onbetrouwbare politieke figuur geweest te zijn, die de mensen die in hem hun vertrouwen hadden gesteld wel zeer in hun verwachtingen heeft teleurgesteld, zowel zijn voorganger, de aartsbisschop van Canterbury toen hij zelf kanselier van de koning was, als die zelfde koning toen hij op zijn beurt aartsbisschop van Canterbury geworden was op voorspraak van die koning. Dat is nog geen reden om iemand te laten vermoorden, maar Thomas was een nijdig baasje, een man die niet op zijn kop liet zitten, een kemphaan, een mens met een supergroot ego, onverzettelijk als hij dacht gelijk te hebben, blind voor de mogelijkheid dat anderen misschien ook af en toe een heel klein beetje gelijk konden hebben, niet bereid tot gesprek en zeker niet tot enig compromis, zelfs niet een eervol. Hij was een man van uitersten, die zelfs zijn leven veil had voor zijn gelijk. Bij nader toezien en achteraf bekeken waren zijn overtuigingen misschien toch niet zo belangrijk: de meningsverschillen gingen tenslotte enkel over een paar twijfelachtige kwesties van het kerkelijk recht, niet over Goed en Kwaad. De heroïsche en fatale tweestrijd met Henry II, die vijftien jaar jonger was, kon hij onmogelijk winnen, en dat wist hij wel, maar tot toegeven was hij niet bereid, net zo min als de koning trouwens. Het was een confrontatie van twee vrienden, van een vorst en zijn nauwste medewerker, van een geliefde leerling en zijn even geliefde leermeester.
Het werd een drama van vriendschap en haat, trouw en verraad, van wereldlijke en kerkelijke hoogmoed, van bovenmenselijke karaktersterkte en de onzalige onmacht om met minder dan het absolute vrede te nemen.














