
Er zijn altijd al mensen geweest die een probleem hadden met religie, met de kerk en met God. Ik schreef hier al eens, onder de titel Homo sapiens, over de naam die men geeft aan on-gelovigen. Ik vermeldde daarbij ook de agnost of agnosticus. Op die term wil ik hier nog even terugkeren.
Het is een van die zeldzame termen waarvan we weten wie hem heeft gemaakt en wanneer. De dader is de Brit Thomas Huxley (1825-1895), vader van de schrijver Leonard Huxley en de grootvader van de schrijver Aldous Huxley, de fysioloog Andrew Huxley en de UNESCO-directeur Julian Huxley. Hij was arts van opleiding en combineerde zijn werk met wetenschappelijk onderzoek. Toen Darwin in 1859 eindelijk zijn beroemde Origin of Species publiceerde, vond Huxley daarin de wetenschappelijke gronden voor wat hij zelf in zijn opzoekingswerk had vastgesteld. Hij werd de belangrijkste verdediger van de opvattingen van Darwin, hij kreeg daarvoor zelfs de bijnaam van Darwin’s bulldog, Darwin zelf was een zeer timide man. Vandaag draagt de Amerikaanse wetenschapper en auteur Richard Dawkins, van wie ik onlangs nog The God Delusion vermeldde, de analoge eretitel van Darwin’s pit bull. Waarom het Nederlands van die eerste Engelse hond een buldog gemaakt heeft met één l, en van de tweede een pitbull, aaneen geschreven en met tweemaal l, dat is zo een van de raadsels van de Taalcommissie.
Terug naar onze agnosten.
Op een bijeenkomst van de Metaphysical Society in London in 1869 stelde Huxley vast dat de wetenschappers die daar vergaderden zich allemaal een of ander soort –ist noemden: deïst, theïst, atheïst, pantheïst… Ze waren ook allemaal heel zeker van zichzelf, ze wisten hoe de vork in de steel zat. Huxley had de oude zekerheden al in zijn jonge jaren achter zich gelaten onder invloed van zijn werk, maar had er geen nieuwe gevonden: hij wist niet hoe de vork in de steel zat, en of er wel een vork was, en een steel. Hij was onzeker. Een beetje als een grap noemde hij zich agnostic, letterlijk iemand die niet weet, met een geamuseerde verwijzing naar de Gnosis en het gnosticisme, een naam die men geeft aan een stroming rond het begin van onze jaartelling, waarbij men kennis (Gnosis) kon krijgen van mysteries en het goddelijke via een esoterische geheime leer. Huxley vond dat men over God eigenlijk niets kon zeggen: als er iets bovennatuurlijks is, dan ligt dat zonder meer buiten ons bevattingsvermogen, wij kunnen alleen kennen wat binnen de natuur van de mens ligt. We kunnen niet eens zeggen of er een God is of niet, we kunnen daarover geen mening uitspreken, we hebben daarvoor geen gegevens. Dat was zijn agnosticisme, en het heeft sindsdien tal van bekende en belangrijke mensen aangesproken.
Ook ik was lang op zoek naar een term om mijn opvattingen over het bovennatuurlijke samen te vatten, ik wilde ook wel een naam voor mijn opvattingen. Agnosticisme leek me een passende omschrijving en dus was dat het woord dat ik in gesprekken gebruikte om over mezelf te spreken. Ik merkte trouwens dat ik niet de enige was.
Maar er is iets aan de hand met die term, dat heeft Huxley zelf nadien ook ingezien. Want als we over dat bovennatuurlijke niets kunnen zeggen, niet eens of het er is, als we er niets over weten, als het geen enkele rol speelt in de natuur of in ons leven, wat is dan het verschil met… niets? Emeritus professor Etienne Vermeersch legt ook regelmatig de vinger op die wonde in gesprekken met collega’s en opponenten: natuurlijk geloven de mensen niet meer in de God met de lange witte baard, natuurlijk zijn ze het niet eens met al wat de paus zegt, maar ze geloven nog, zonder goed te weten wat, ze geloven in iets, dat er iets is. Hij noemt dat vrolijk het ietsisme, en dat is eigenlijk wat het agnosticisme ook zegt: het is mogelijk dat er iets is buiten de mens en de wereld, maar meer dan dat kunnen we niet zeggen.
Stellen dat we de mogelijkheid moeten open houden voor het bestaan van iets waarmee we dan voor de rest absoluut geen rekening moeten houden, waarvoor kan dat wel goed zijn? Huxley heeft later duidelijk gesteld dat hij ervan overtuigd was dat alles wat de godsdiensten over God zeggen, niet aanvaardbaar is. Maar hij heeft zich nooit een atheïst genoemd.
Dat woord, atheïst, heeft altijd al een zeer negatieve bijklank gehad en dat is nog altijd zo en nog altijd even volkomen ten onrechte. Maar nog altijd aarzelen mensen om luidop te zeggen of op papier te zetten dat ze atheïst zijn, en dus gebruiken ze een eufemisme, en dat eufemisme is vaak: agnosticus, dat klinkt beter, dat aanvaardt men, dat stoort niemand, men weet niet heel goed wat het is, het laat ergens een achterpoortje open, het is niet echt anti of zo.
Maar het is een beetje oneerlijk, vind ik, een soort mentaal voorbehoud. Ik denk dan aan Clinton, die volhield dat hij geen seks had gehad met zijn medewerkster, het was ‘maar’ een blow job; of aan priesters die wel misdienaars ‘misbruikten’, een verwerpelijk eufemisme voor verkrachten, maar geen seks hadden met vrouwen, want dat was tegen het celibaat. Vandaag vindt men dat seks mét condoom eigenlijk geen seks is: het is maar spel, tijdverdrijf, amusement.
Dat er dingen zijn die we niet kennen, akkoord. Misschien zullen we zelfs nooit alle dingen helemaal kennen en doorgronden, nog altijd akkoord. En dat overweldigend bewustzijn van de wereld maakt ook mij nederig, maar ook extatisch; zeggen dat er evenwel dingen bestáán die we nooit kúnnen kennen, dat gaat te ver voor mij, tenzij dat men erbij zegt: en die dingen hebben ook geen enkel belang; dan gaat het om een vrij steriel 'filosofisch' onderscheid en als dat iemand gelukkig maakt, vooruit dan maar.
De godsdienst daarentegen zegt iets helemaal anders: er is wel degelijk iets bovennatuurlijks, en hoe raar het ook mag klinken, wij kunnen dat bovennatuurlijke ook kennen, want het spreekt tot ons! Zoals de Leuvense filosoof-psycholoog-theoloog-priester en emeritus professor Antoon Vergote zeer duidelijk stelt: het christendom is een openbaringsgodsdienst, God spreekt tot de mens. Het bovennatuurlijke is niet onbelangrijk, integendeel, het is het belangrijkste dat er is. Dat is theïsme, dat is geloof, dat is religie. En dat is ook de kritiek van Etienne Vermeersch op zijn ‘gelovige’ gesprekspartners: zij zijn niet overweldigd door hun geloof, God is niet het belangrijkste in hun leven, het bovennatuurlijke neemt in hun leven niet de plaats in die het zou moeten krijgen als ze echt zouden geloven dat het bestaat. Geloven in ergens iets is iets anders dan geloven in God. Misschien is ‘iets’ ook maar een eufemisme voor ‘niets’.
Laten we dus eerlijk zijn. Wie niet gelooft in God is geen agnosticus, maar een atheïst.
Overigens zal ik proberen om in het vervolg in mijn hoofdlettergebruik consequent te zijn. Ik zal God met een hoofdletter schrijven als ik de God van het christendom bedoel, en Allah voor die andere en zo verder. Maar ik zal god van zijn kapitaal beroven als ik het heb over datgene wat de mens zich als een bovennatuurlijk ‘iets’ heeft ontworpen. Daarmee zal ik toch niemand tegen de haren in strijken, meen ik.