Idee


’t Is maar een idee…
Ik weet niet meer hoe het begonnen is, maar tijdens mijn humaniora ben ik in de ban geraakt van Plato. Mijn Moeder zaliger heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld. Niet dat ze ook maar iets over die Plato wist, maar ze heeft me de prachtig uitgegeven vertaling van Xaveer De Win gekocht, boek na boek, tot ze me trots kon melden dat ook het derde en laatste deel verschenen was. Zo wordt een mens gemaakt, eerst materieel en dan later ook spiritueel, en dat door diezelfde Moeder en Vader.
Als men over Plato spreekt, dan zegt men onmiddellijk: de Ideeën, de allegorie van de grot. Plato heeft het in zijn werk voortdurend over die Ideeën, maar wat zijn die precies?
We gaan het niet te ingewikkeld maken. Wat mij altijd bijgebleven is, is zijn nadruk op het nadenken. We mogen niet blijven stilstaan bij de uiterlijkheden, bij het voorbijgaande. In alles moeten we de belangrijke waarden proberen te vinden. Neem bijvoorbeeld beeldhouwkunst. Wij worden getroffen door een bepaald beeld, zonder goed te weten waarom, het spreekt ons aan, we zijn ontroerd. We kunnen het daarbij laten, maar zo zit een mens niet ineen: wie eenmaal ontroerd is, wil dat opnieuw ervaren en zoekt naar nieuwe bronnen van ontroering. Hetzelfde met literatuur. Als je een goed boek gelezen hebt, ga je onmiddellijk het andere werk van die auteur lezen. Zo leer je die auteur beter kennen en kan je nog intenser genieten. We gebruiken dus ons verstand om te weten te komen hoe we het best kunnen genieten van wat ons bevalt. En zo leren we stilaan wat de kenmerken zijn van het schone, het goede, het lekkere… Plato zegt dan voortdurend: niet met dat ene mooie beeld moet je bezig zijn, maar met mooie beelden, niet met een prachtig gedicht maar met de pracht van gedichten.
Men heeft daaruit soms afgeleid dat Plato die concrete beeldhouwwerken en die gedichten minderwaardig vond en dat hij zich enkel bezig hield met die grote principes van Schoonheid, Goedheid, Waarheid, Eerlijkheid en zo verder, de Ideeën dus. Dat is wat wij meestal lezen in de allegorie van de grot, waar de mensen niet rechtstreeks naar de dingen kunnen kijken, maar enkel de schaduw te zien krijgen die ze werpen op een muur. Wat Plato vooral wil aantonen met die voorstelling is de verbazing van de mensen in de grot als zij plots geconfronteerd worden met de werkelijke beelden en inzien dat wat zij steeds als de realiteit beschouwden in feite maar een zwakke afspiegeling is van een wereld die zoveel duidelijker, helderder, mooier en echter is. Hij vraagt ons na te denken over onze ervaringen zodat we bewuster kunnen leven en niet zoals een dier onze instincten zouden achternalopen.
Men zegt dat Plato de wereld van de Ideeën als de échte wereld beschouwde, dat de rest maar zwakke schaduwen zouden zijn. Enkel de Ideeën bestaan, de realiteit om ons heen is niet belangrijk. Maar dat is niet wat ik mij van Plato herinner. Wij kunnen maar tot die grote principes komen door aandachtig naar onze omgeving te kijken. Dat is de realiteit, de voedingsbodem, dat is de werkelijkheid, maar die komt maar tot leven als wij ook ons verstand gebruiken in ons omgaan met de dingen en de dieren en de mensen.
Plots vallen dan de schillen van onze ogen en zien we de wereld helemaal anders. Denk aan de uitbundige reacties van kinderen die leren lezen en schrijven en rekenen en zwemmen en naar muziek luisteren en aan sport doen…
Maar bestaan die Ideeën dan wel? Zijn het niet enkel abstracties? Leiden wij de Waarheid niet af uit allerlei ervaringen met waarheid en leugen? En wat is zo’n abstractie dan? Is het maar een idee?
Wat is een gedachte eigenlijk? Is dat iets immaterieels, een soort geestelijke werkelijkheid, los van alle tastbare dingen? Er zijn in de wereld heel wat ontastbare dingen, zoals allerlei stralingen die we niet horen of zien of ruiken of voelen of smaken, maar waarvan we weten dat ze er zijn, zoals radiogolven en magnetische stralingen en allerlei gassen. Maar wij voelen aan dat onze gedachten toch nog iets anders zijn, zij zijn totaal ontastbaar want wij kunnen ze ook niet met meetapparatuur waarnemen, ze lijken echt van een andere orde te zijn, vluchtig en ongrijpbaar. Ze zijn er, maar hoe?
Ik ben geen neuroloog, maar ik denk dat onze gedachten even materieel zijn als al de andere dingen. Ik zei vroeger al: wij zijn ons lichaam; onze ‘geest’ is wat onze hersenen doen. Welnu, dan zijn onze gedachten activiteiten van onze hersenen. Wij denken met onze hersenen, en het bewustzijn van dat denken, dat zijn onze gedachten. En men kan die activiteit wel degelijk vaststellen met meetapparatuur. In strips stelt men een idee, een plotse ingeving soms voor als een lichtje dat gaat branden in de kop van een stripfiguur, aan de hand van een ballonnetje met een lamp of een kaars. Dat is niet zo ver van wat er echt gebeurt: het is, om het wat ruw en onnauwkeurig te zeggen, een chemisch en elektrisch gebeuren in onze hersenen dat ons bewust maakt van iets. Wij kijken naar iets, bijvoorbeeld een beeldje. Het licht dat van dat beeldje weerkaatst bereikt ons oog en van daar gaat het signaal naar onze hersenen. Daar wordt het omgezet en herkend of niet herkend. Als we nog nooit een kiwi gezien hebben, dan zullen we niet herkennen wat het is. Maar het is voldoende dat we al vaker een beeldje gezien hebben om onmiddellijk te weten wat we voor ons hebben. Die herkenning is een chemisch en elektrisch proces in ons lichaam. Gedachten zijn niet los te maken van degene die ze heeft, ze bestaan op het moment dat ze tot het bewustzijn doordringen. Er is dus naast de wereld van het materiële geen wereld die daarvan los staat, die louter ideëel is, louter gedachte, nee, ook de Ideeën bestaan, zijn materieel, als hersenactiviteit.
Wij kunnen die gedachten ook communiceren, door te spreken, te schrijven, blogs bijvoorbeeld, of boeken. Als ik een gedachte omzet in taal, dan kan ik die gebruiken. Als ik ze op papier zet, dan blijft ze daar als een uitnodiging staan, verdord in inkt en papier, wachtend om opnieuw tot leven te komen als een gedachte van een lezer, een gedachte die onnoemelijk anders is dan mijn oorspronkelijke gedachte, maar hopelijk herkenbaar, zoals de woorden die je nu leest.
Dat maakt me dus tot een materialist, en Plato was een idealist, dé Idealist?! Plato had ook geen flauw idee van wat er zich in onze hersenen afspeelt en hij heeft dus ook nooit kunnen ontkennen wat wij nu stilaan te weten komen over wat onze hersenen precies doen. Net zoals men vroeger nauwelijks wist hoe de menselijke voortplanting gebeurde en een moraal bouwde op allerlei rare veronderstellingen, heeft men al die tijd ook een filosofie gebouwd op allerlei rare veronderstellingen over ons denkvermogen. Er is dus ‘geest’ zolang onze hersenen werken. Daarna is het gedaan.
Laten we de wetenschap zo goed mogelijk volgen, want van daar komt het licht dat eeuwen duisternis kan doen verdwijnen.



















