Een


Lichaam en geest, niet voor het eerst en zeker niet voor het laatst drijven bij mij vragen naar boven over het geheel dat we zo vaak opdelen in twee. Een dichotomie, heet dat, van het Grieks dicha, ‘in twee’; twee is in het Grieks dis; en tomein, snijden. Ik las een stukje van Gerard Bodifée over dat onderwerp en bleef met vele vragen zitten.
Door de hele geschiedenis heen heeft de mens getracht om het denken en voelen waarvan hij zich bewust is, een naam te geven, een plaats, een taak. Ik denk, dus ik ben, maar ook: ik heb lief, dus ik ben, er zijn maar weinig gemoedstoestanden waarin men zich zo bewust is van zijn bestaan als bij het verliefd zijn. Maar wie of wat is dat ik? Men voelde aan dat denken en voelen iets anders is dan het materiële, dat het aan andere wetten onderworpen is en andere mogelijkheden biedt. Het leek wel alsof er in ons beperkt lichaam een veel vrijere ‘geest’ aanwezig is. Dat was de interpretatie die in de oudheid en de middeleeuwen gebruikelijk was; het is pas met de opkomst van de wetenschap dat men proefondervindelijk vaststelde dat die geestelijke activiteit zich in de hersenen afspeelt. Ook vandaag nog blijft die hersenactiviteit grotendeels mysterieus: we weten er al heel veel over, maar waarschijnlijk is dat nog uiterst weinig van wat men erover kàn weten. Toch kunnen we zeggen dat de ‘geest’ in feite datgene is wat de hersenen doen; er is geen kaboutertje dat in ons lichaam huist, geen spook of denkbeeldige persoon, nee: wij zijn ons lichaam; ons bewustzijn, in de ruimste betekenis van het woord, is een functie van onze hersenen.
Ik benadruk: in de ruimste betekenis van het woord, want vaak stelt men de hersenactiviteit gelijk met het rationele denken. Maar dan moeten we voor de gevoelens, de emoties, de opwellingen, het irrationele, het dromen, verlangen, verliefd zijn, haten… een andere plaats geven, en het hart is daarvoor dan de eerste kandidaat, naast de gal en de lever in sommige oude en nieuwe alternatieve benaderingen. Maar het hart is een spier en totaal onmachtig om dat soort activiteiten te ontplooien. Nee, het speelt zich allemaal af in de hersenen.
Het is ook niet zo dat de hersenen als heer en meester over het lichaam heersen, althans niet als een bewuste activiteit. Er zijn mensen die hun hartslag en hun lichaamstemperatuur actief kunnen beïnvloeden, maar dat zijn uitzonderingen en zoiets kan enkel na veel oefening, zoals je ook pas na jaren oefenen kan koorddansen. De hersenen regelen onze lichamelijke functies, maar dat gebeurt in zeer belangrijke mate onbewust. Als we ons zouden moeten bewust zijn van hoe we lopen, dan zouden we niet ver geraken, zoals iedereen weet die revalidatie heeft moeten doen. Net zo met praten, trouwens. En naast die onbewuste of autonome handelingen en taken van ons lichaam, zijn er inderdaad ook gevoelens en gedachten en dromen die spontaan opwellen, of we dat nu willen of niet: aan verliefd worden kan je niet veel doen, het is een coup de foudre; je kan iemand spontaan een kus geven, maar ook even onweerstaanbaar een draai om de oren…
Anderzijds bieden onze hersenen wel de mogelijkheid om keuzes te maken, om nà te denken voor we iets doen. Je kan je bewust worden van je verliefdheid en eraan toegeven, het gevoel koesteren en het voorwerp van je gevoelens trachten te benaderen, of integendeel van je ‘hart’ een steen maken en zeggen: het is mooi, maar het heeft geen zin en het zal wel overgaan. Je kan je woede onderdrukken en het bij een rake opmerking houden of gewoon je mond houden.
Waarom we de dingen doen is trouwens meestal verre van duidelijk. In onze hersenen spelen miljoenen elementen een voortdurend spel van onderlinge beïnvloeding, honderd miljard neuronen wisselen met de snelheid van het licht informatie uit en het resultaat is, zoals we al eerder zegden, onvoorspelbaar in de individuele mens en met enige waarschijnlijkheid voorspelbaar als het gaat om grote aantallen of gemiddelden.
Toen ik aan de universiteit studeerde, dacht ik veel na over intuïtie, omdat ik toen en nu nog zeer intuïtief denk en leef. Ik ga af op wat in mij opkomt. Gedachten en gevoelens komen en gaan als rijke geschenken, als lastige opgaven of snerpende pijn, maar ik probeer ze ruimte te laten, me er niet tegen te verzetten, ze mogen er zijn, want ze zijn mij en ik ben hen. Van Dale omschrijft intuïtie als een inzicht dat men heeft door een soort van innerlijke waarneming, niet door redenering. Dat is praten in het luchtledige, want wat is die ‘onmiddellijke innerlijke aanschouwing’? Je moet het eens uitproberen bij gelegenheid. En toch weten we allemaal wat intuïtie (van het Latijn in + tueri: in-kijken) is: het is een inzicht dat zich spontaan aanbiedt, een gevoel dat iets zo is en niet anders, een snelle conclusie die met grote gedachtesprongen bereikt wordt, niet na lang gepalaver of knagende twijfels. Een coup de foudre met de snelheid van een Franse bliksem (van het Latijn fulgur). Maar intuïtie is niet on-redelijk, niet irrationeel, net zomin als verliefd worden dat is. Het zijn diezelfde hersenen die aan het werk zijn en die een oplossing aanreiken die als betrouwbaar wordt ervaren: die ladder staat zo stevig genoeg; ik moet hier rechtsaf; dat lijkt me een betrouwbaar persoon; die aandelen moet ik nu verkopen; deze situatie is onhoudbaar; ik heb gelijk! alleen weet ik niet meteen waarom, in elk van die gevallen.
In wat ik te horen kreeg in de cursussen ontbrak elke intuïtie, meer nog, intuïtie was uit den boze. Bij de examens werd je verondersteld te herhalen wat in de cursus stond en het was een zeldzame prof die kon appreciëren dat je iets anders vertelde. Mijn werkinstrument bij uitstek, intuïtie gevoed door informatie en gekleurd door emotie, werd buitenspel gezet. Dat is wetenschappelijk denken in de slechtste betekenis van het woord: enkel wat verifieerbaar is, kwantificeerbaar, bewijsbaar volgens vooraf vastgelegde regels, is waar, heeft waarde. En ik studeerde wijsbegeerte en letteren, stel je voor, het domein bij uitstek voor de intuïtieve mens, de kunstenaar, de denker, de schrijver… Ik heb het daar niet lang uitgehouden.
Dus geen dichotomie tussen lichaam en geest, of tussen hersenen en hart, of tussen rationeel denken en emoties, of tussen redenering en intuïtie.
Le coeur a ses raisons que la raison ne connaît pas klopt dus niet, ons hart klopt in onze borst maar bloedt in onze hersenen.
Er is geen onderscheid, er is alleen maar het ene en onverdeelbare, enige, eigene ik.



















