God is niets omdat hij alles is (C. Verhoeven)
Een aandachtige lezer stuurde me naar aanleiding van mijn verhaal over de (…) paradox dit citaat van Johannes Scotus Eriugena:"Deus propter excellentiam non immerito nihil vocatur." God is niets omdat hij alles is, vertaalt C. Verhoeven, steeds volgens onze lezer.
De paradox zien we heel duidelijk in de ‘vertaling’ van Kees Verhoeven. Hoe kan God tegelijk niets en alles zijn? En zelfs ‘niets’ precies omdat hij ‘alles’ is? Een eerste, voorlopige en meer letterlijke vertaling van het origineel zou kunnen zijn: het is niet onterecht om God vanwege zijn uitmuntendheid niets te noemen. Of: God is zo excellent dat hij niets is. De redenering zou dan kunnen zijn: God is zo verheven dat hij met geen ander wezen kan vergeleken worden. Dat geldt inzonderheid voor de mens, het voor de hand liggende vergelijkingspunt. De God van het traditioneel christendom is een persoonlijke God. Dat houdt onvermijdelijk een antropomorfisme in: God is een soort mens, maar dan een supermens. Wij zijn sterfelijk, met alles wat daarbij hoort; God is dat niet, met alles wat daar dan weer bij hoort. God heeft de mens geschapen naar zijn beeld en gelijkenis wordt dan: de mens heeft God geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. God is wat de mens is, maar dan in overtreffende trap. God is een superlatieve mens.
Wanneer je elk van de kenmerken van de mens in superlatieven toepast op God, ontken je daarmee meteen die kenmerken. De mens is een tijdelijk verschijnsel, bij God is die tijd in beide richtingen oneindig; je kan dus evengoed zeggen dat hij niet tijdelijk is. De mens kan het goede doen, maar slaagt daar niet altijd in; God kan enkel het goede doen, hij is niet in staat om het kwade te doen. De mens is beperkt in zijn praktische mogelijkheden, God niet. En zo kan je doorgaan. Door iets uit te breiden tot zijn oneindige dimensie, reduceer je het tot niets. Tijdelijk – tijdloos; eindig – oneindig; beperkt – onbeperkt enzovoort. Uiteindelijk is God helemaal niet zoals de mens, hij is alles wat de mens niet kan zijn, omdat hij geen enkele beperking kent. Hij munt in alles zo uit, dat hij niets meer is dat een mens wel is. Hij is de totaal andere, hij heeft met de mens geen enkel kenmerk gemeen, omdat hij elk aspect zo volmaakt belichaamt dat hij niet meer menselijk is; over zo iemand kan je eigenlijk niets meer zeggen, hij is onvoorstelbaar.
Dat is precies wat Scotus Eriugena lijkt te zeggen in dit citaat: God is zo excellent dat je ook gewoon kan zeggen dat hij niets is. Verhoeven zegt het lapidair: God is zo volmaakt dat hij alles is, maar precies daardoor is hij ook niets. Het klinkt bij hem als een Zen koan, een raadselachtige, paradoxale uitspraak die de Zenmeester aan de leerling geeft om hem of haar een gedachtesprong te doen maken: hoe klinkt het klappen van één hand?
Godsdiensten houden van paradoxen. Ze proberen daarmee het onnoemelijke te laten aanvoelen, inzichten te provoceren die men met gewone, logische verklaringen niet kan teweegbrengen. Godsdiensten zitten vol mysteries en mystiek. Op zijn best is dat zoals (goede) poëzie en filosofie en daar zijn heerlijke voorbeelden van, zowel in het Oosten als in het Westen en ook in het Zuiden. Maar op zijn dunst is het vage prietpraat, gewild duister gewauwel, automatisch gegenereerde antithesen die geen draagvlak hebben, goedkope woordenkramerij die nergens op slaat, een middel dat geen doel heeft en dus ook geen resultaat.
Laten we dat eens proberen.
Zwart is wit. Warm is koud. Het begin is het einde. Leven is sterven. Vandaag is morgen. Water is droog. Langzaam is snel. Duur is goedkoop.
Je ziet het systeem: zet gewoon twee tegengestelde woorden of antoniemen naast elkaar en zie wat dat geeft. Meestal niets, maar soms kan je er wat mee doen. Leven is sterven, dat heeft wel wat: leven is langzaam doodgaan, inderdaad. Duur is goedkoop: ik kocht ooit een vrij dure vulpen, een Montblanc Meisterstück 149. Ik heb die nog altijd; het is dus soms beter om wat meer geld uit te geven voor één goed stuk dan een hele boel rommel te kopen. Langzaam is snel: festina lente…
Zo zie je maar, gewoon met een paar willekeurige paren kom je ook al tot echte paradoxen, schijnbare tegenstellingen die een diepere kern van waarheid blootleggen. Maar meestal hebben we niet zoveel geluk en zijn het geen schijnbare tegenstellingen, dus geen paradoxen, maar gewoon tegenstellingen; niet elke tegenstelling heeft een diepere grond.
Laten we terugkeren naar ons citaat. De mens heeft blijkbaar behoefte aan God, anders hadden we hem niet zo vaak en overal uitgevonden. Het ligt ook voor de hand om God als een persoon voor te stellen, iemand zoals wij, die ingrijpt op zijn omgeving. Zo proberen we de gebeurtenissen te verklaren: ‘het regent’ is in het klassiek Grieks huei Zeus, God watert. Maar precies daar zit de fout: er zit geen machinist in het raderwerk en er is ook geen oppermachtige meester-ontwerper die het raderwerk getekend en gemaakt heeft. Elke poging om de natuur te verklaren vanuit een extern principe, zoals een transcendente scheppende en almachtige God, is gedoemd om te mislukken, en wel om een heel simpele reden: wie heeft die God dan gemaakt?
Er zijn altijd mensen geweest die doorhadden dat het veel simpeler was dan dat: de natuur is geen aangestuurd systeem maar een zelfsturend systeem. Alles gebeurt volgens natuurwetten, die wij met enige moeite kunnen doorgronden, of toch enigszins. Er kan in principe van alles gebeuren, binnen zekere grenzen, maar niet alles gebeurt ook in de praktijk. Er is geen persoonlijke God die ervoor moet zorgen dat alles gebeurt en die daar de hand in heeft.
Voor mensen die gewoon zijn om te denken in die termen laat dat een enorme leegte achter. Die kan men dan opvullen door God te vervangen door de zelfsturende Natuur. Het aantrekkelijke daaraan is dat het zo’n simpel begrip is, maar wel een met enorme gevolgen. Het is echt een Ockham’s Razor.
John Scot Eriugena ziet men als een vertegenwoordiger van de negatieve theologie, de via negativa om God te leren kennen, namelijk door ons te concentreren op alles wat hij niet is. Men noemt dat ook de apofatische theologie. Onze theoloog zou gezegd hebben: We do not know what God is. God Himself does not know what He is because He is not anything. Literally God is not, because He transcends being. Dat komt goed overeen met ons eerder citaat, helaas is het niet echt van onze auteur, maar van een befaamd sciencefictionschrijver, Phillip K. Dick, in een kortverhaal, getiteld Faith of our Fathers, oorspronkelijk verschenen in de roemruchte bundel Dangerous Visions, ed. Harlan Ellis, 1967. Dick geeft zijn bron niet aan, en dat hoeft ook niet in SF. Ik vermoed echter dat het teruggaat op het citaat van Eriugena dat mijn lezer me bezorgde.
Maar ook dat blijkt niet helemaal onverdacht te zijn: het verschijnt in een minuscule voetnoot in het meesterwerk van William Jammes, The Varieties of Religious Experience (1902), p. 417, waar hij het citaat toeschrijft aan Eriugena, maar via een citaat in een eerder boek van Andrew Seth, Two Lectures on Theism (1897), p. 55, waar het aan Eriugena toegeschreven wordt zonder precieze verwijzing. Het duikt ook op in het ooit zo bekende boek van Johan Huizinga uit 1919, die daar duidelijk James ‘citeert’.
Na lang zoeken vond ik op internet toch een citaat van Eriugena zelf en dat loopt als volgt:
Lib. III 19. Dum vero (divina bonitas) incomprehensibilis intelligitur,
per excellentiam nihilum non immerito vocitatur. . . . Prima siquidem ipsius progressio in primordiales causas in quibus fit, veluti informis quaedam materia Scriptura dicitur ; materia quidem, quia initium est essentiae rerum; informis vero quia informitati divinae sapientiae proxima est. (Het tweede deel van het citaat laten we hier buiten beschouwing.)
Er zijn enkele verschillen. Vocitatur betekent: wordt gewoonlijk genoemd; dat verschilt nauwelijks van vocatur: wordt genoemd. Nihilum is iets anders dan nihil; het verschijnt meestal in vaste uitdrukkingen, maar het betekent net zoals nihil ‘niets’. Propter en per kunnen ook dezelfde betekenis hebben; hier is het een uitdrukking: per excellentiam, bij uitstek. Belangrijker dat niet Deus (God) het onderwerp is, maar divina bonitas: de goddelijke goedheid. De voorafgaande bijzin is weggelaten.
Proberen we dat nu te vertalen, dan wordt dat: aangezien de goddelijke goedheid als onvatbaar gezien wordt, is het niet zonder reden dat men haar bij uitstek voor niets houdt.
Zoals alle andere eigenschappen van God is voor Eriugena ook zijn goedheid niet te vatten, ze gaat ons verstand te boven, we kunnen er niets zinvols over zeggen. Ze is dan zo goed als niets.
Dat wijkt nogal af van de ‘vertaling’ van Verhoeven: ‘God is niets omdat hij alles is’. Dat komt natuurlijk door het verschil in de Latijnse tekst, maar het is ook een kwestie van interpretatie. Voor Verhoeven is het de volmaaktheid van God (excellentiam) die de bovenhand haalt: hij is alles. Als Eriugena vervolgens zegt dat die niets is, dan heb je je paradox. Ik vertaal per excellentiam zoals het Franse par excellence, bij uitstek en ik leg de nadruk op het ongrijpbare (incomprehensibilis), een woord dat men ook voor gladde worstelaars gebruikt, maar dat ook ‘onbegrijpelijk’ of ‘onkenbaar’ kan betekenen. Zo blijkt uit de volledige tekst van het citaat de via negativa van Eriugena. Al onze auteurs hebben het essentiële incomprehensibilis nonchalant weggelaten in hun slaafse navolging van Andrew Seth, in plaats van zijn citaat na te trekken. Foei…
Verhoeven zit veeleer op het spoor van Spinoza. Ook in Spinoza’s filosofie is er geen sprake meer van een persoonlijke God, die vervangen wordt door de Natuur, die alles is. Als de Natuur alles is, is er geen God die daarbuiten bestaat. Er is dus geen aparte God, of: er is geen God, of nog: God is niets. Maar Spinoza zegt voortdurend dat God alles is, namelijk de Natuur. Hij herdefinieert God en vereenzelvigt hem met de Natuur, of al wat is. Spinoza ontkende ten stelligste dat hij een atheïst was (zie Brief 43); zijn gelovige tegenstanders hadden het unaniem anders begrepen: door God en de Natuur als identiek voor te stellen, schaft Spinoza in feite God af (zie Brief 42).
Laten we het hierbij laten. We hebben nog maar eens gezien dat het belangrijk is om altijd je bronnen na te trekken, anders bouw je op los zand.
In een nagekomen bericht meldt mijn even vriendelijke als aandachtige lezer me in dat verband dat het citaat van Verhoeven hier te vinden is:
Rondom de leegte, Ambo, Utrecht, 1° druk 1965, pag. 186 (Nr 276 van de autobibliografie) of
Rondom de leegte, Damon-Best, 1998, werken "5", pag. 140 (Nr 3512 van de autobibliografie).


