Zoeken naar God, Carl Sagan

Ik had het hier al eerder over de Gifford Lectures, klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=697991 en hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=737118. Voor de bespreking van William James’ Gifford Lectures in Edinburgh in 1901-2 klik je hier.
In 1985 was Carl Sagan aan de beurt in Glasgow. Hij was toen immens populair, dank zij zijn ongelooflijk succesvolle Tv-reeks Cosmos, uitgewerkt in een gelijknamig boek, dat meteen het best verkochte wetenschappelijk boek ooit werd in het Engels. Hij lokte dan ook volle zalen. Het lag in de bedoeling van Sagan om die lezingen uit te werken tot een boek, maar dat is er toen niet van gekomen. In 1996 stierf hij, amper 62 jaar oud, aan longontsteking. Het manuscript van de lezingen bevond zich ergens in de duizenden laden van zijn onmetelijk archief. Zijn weduwe en jarenlange medewerkster, Ann Druyan, kon het niet terugvinden. Het was een anonieme vriend die het uiteindelijk weer kon opdiepen. In 2006 verscheen dan eindelijk de tekst, opgesmukt met de oorspronkelijke dia’s van de lezingen, waar nuttig en mogelijk vervangen door schitterend meer recent beeldmateriaal. Het is een heel nette uitgave, heel mooi ingebonden en gedrukt; ik had de interlinie liever wat kleiner gehad en de letter wat groter, maar dat is een detail.
Carl Sagan, The Varieties of Scientific Experience. A Personal View of the Search for God, edited by Ann Druyan, London, 2006, xvi + 284 pp., hardcover, nieuw $27,95 maar tweedehands gekocht bij Amazon, waar de nieuwprijs nu $7,50 is; een tweedehands exemplaar koop je al voor amper $2,50…
Het verschil met het boek van Iris Murdoch is zeer aanzienlijk. Murdoch heeft na de lezingen nog jarenlang intensief gewerkt aan haar tekst en het resultaat is een moloch van een boek geworden. Een boosaardig biograaf zag in haar obsessie met dat boek zelfs een aanleiding voor haar verval in de ziekte van Alzheimer, die haar enkele jaren later zou treffen. De tekst van Sagan daarentegen is onaangeroerd in zijn archief blijven liggen en is nadien vrijwel onveranderd door zijn weduwe uitgegeven. Zijn boek staat dan ook veel dichter bij de lezingen zelf, is veel korter en meer gevat, meer levendig ook en beter verteerbaar. Als appendix krijg je zelfs een selectie uit de vragen en de guitige, geestige en soms scherpe antwoorden van de auteur. Zeker, er is veel gebeurd in Sagans domein, de astronomie en de astrofysica, sinds 1985 en ook in zowat alle andere domeinen van de wetenschap, de positieve zowel als de menswetenschappen, en de samenleving in haar geheel. Toch is deze publicatie, die de lezingen van destijds onder onze aandacht brengt van een nieuw publiek, een weldaad voor de mensheid.
Niet dat Carl Sagan toen wereldschokkende nieuwe inzichten bracht, of dat ze dat nu na 25 jaar plots wel zouden zijn. Naast zijn wetenschappelijk werk en zijn betrokkenheid bij het Amerikaanse ruimteprogramma was hij erg begaan met het populariseren van de wetenschap en haar resultaten, zoals in Cosmos, het boek en de Tv-reeks. Dat is ook wat hij hier doet en met even groot succes. Men moet daarbij bedenken dat het in 1985 veel minder evident was om uitgerekend in de Gifford-lezingen aan de Schotse universiteiten een rigoureus atheïstisch standpunt te gaan verdedigen, dan bijvoorbeeld Richard Dawkins deed met zijn The God Delusion in 2006. Het valt mij op dat er zoveel meer te doen geweest is over Dawkins’ boek dan over dat van Sagan, terwijl ze toch in hetzelfde jaar verschenen zijn. Het feit dat Carl Sagan toen al tien jaar overleden was, zal daar wel voor veel tussen zitten. Wij vergeten zo gemakkelijk…
De Gifford-lezingen hebben als algemeen thema de redelijke verklaring van het geloof, de aanwijzingen in de natuur voor het bestaan van God. Wat Sagan doet, is een hedendaagse beschrijving geven van de kosmos, om daaruit lessen te trekken voor onze samenleving.
Uit een schitterende diavoorstelling van het zichtbare universum blijkt, in zijn eerste hoofdstuk, dat onze aarde slechts een detail is in het geheel. Hij wijst erop dat de onvoorstelbare omvang van het universum iets is waarmee geen enkele aardse godsdienst ooit heeft rekening gehouden. Onze zeer beperkte plaats in het geheel der dingen zou nochtans een les in nederigheid moeten zijn, ook voor de godsdiensten; de God die zij aanroepen is slechts de God van deze aarde, of van de mensen op die aarde, of van een groep van die mensen op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijd. Het opentrekken van dat beeld tot een dimensie in tijd en ruimte die de oneindigheid benadert, heeft ontnuchterende gevolgen voor elk spreken over God.
In hoofdstuk twee overloopt Sagan de geschiedenis van de kosmologie: hoe dacht men in de oudheid over de zon, de aarde, de maan, de sterren, de planeten, de kometen? Zo komt hij onvermijdelijk bij Copernicus, Kepler en Galilei uit en dan bij Newton, Laplace en Kant en de moderne, wetenschappelijke benadering, waarbij de noodzaak aan een Schepper en een Eerste Onbewogen Beweger steeds minder evident wordt.
De derde lezing was gewijd aan de organische wereld. De vooruitgang van de wetenschap dringt de rol van God steeds verder achteruit. Dat is vooral zo sinds Darwin een principe ontdekte dat kon instaan voor het ontstaan van het leven en de evolutie van de soorten. Daarvoor was het nodig dat de aarde veel, heel veel ouder was dan de vierduizend jaar die de Bijbel stelde. De fossiele resten van vroege levende wezens zijn daarvoor een concreet bewijs. Terloops merkt de auteur op dat de meeste soorten die ooit geleefd hebben vandaag uitgestorven zijn. Extinction is the rule. Survival is the exception. (p. 66). Voor de oorsprong van het leven gaat Sagan op zoek naar organisch materiaal in het universum en dat blijkt abundant aanwezig te zijn in ons zonnestelsel en dus waarschijnlijk ook daarbuiten.
Toch hebben wij tot nog toe geen sporen gevonden van leven buiten de aarde. Statistisch gezien kan men twee kanten uit. Men kan met een grote graad van geloofwaardigheid aantonen dat de voorwaarden om tot (onze vorm van) leven te komen zo uitzonderlijk zijn, dat er slechts één mogelijkheid is, en dat zijn wij. Maar anderzijds is het even goed doenbaar om aan te tonen dat de mogelijkheden van ruimte en tijd in het universum zo groot zijn, dat het vrijwel ondenkbaar is dat het enige leven hier op aarde zou bestaan. In beide redeneringen is er geen enkele reden om uit te gaan van een Schepper, maar het is wel een interessante denkpiste om over die Schepper na te denken, vanuit die beide veronderstellingen.
Het vierde hoofdstuk sluit daarbij aan: is er intelligentie buiten de aarde? Sagan vertelt ons over de ‘ontdekking’ van de ‘kanalen’ op Mars in 1877, die aanleiding gaf tot allerlei veronderstellingen over een uitgestorven ras van Marsmannetjes. Sindsdien is gebleken dat die kanalen er niet zijn. Wij zijn op Mars zelfs geland (onbemand) en we hebben vastgesteld dat er geen leven is. We speuren het heelal af, met zeer verfijnde technische middelen, maar wij hebben nog geen zinvol spoor opgevangen. Dat lijkt aannemelijk, als men ervan uitgaat dat een andere beschaving, ander leven, totaal verschillend zou kunnen zijn van wat zich hier op aarde heeft ontwikkeld. Maar de wetten van de natuurwetenschap zijn overal van toepassing, in alle uithoeken van de kosmos en als er ergens enig intelligent leven is, dan kan het niet anders dan dat zij die wetmatigheden ook ontdekken en dus een wetenschap ontwikkelen, vroeg of laat, die hen in staat stelt met ons in contact te treden. Maar dat is (nog) niet gebeurd.
In het vijfde hoofdstuk rekent Sagan af met wat hij buitenaardse folklore noemt: Ufo’s, vliegende schotels, Erich von Däniken en zijn fantasieën over buitenaardse bezoekers aan de Aarde: het zijn verhaaltjes, er is nooit ook maar enig bewijs gevonden, terwijl er voor alle aangehaalde zogenaamd onverklaarbare verschijnselen telkens zeer goede logische en redelijke wetenschappelijke verklaringen gevonden zijn. Men wist dat al in de 18de eeuw. Hume stelde het zeer duidelijk: als men het over een mirakel heeft, dan moet je de keuze maken; wat is het meest waarschijnlijke: dat het mirakel echt gebeurd is, of dat de ‘getuigen’ liegen of zich vergissen? Het is een feilloos middeltje tegen onzin.
In de volgende lezing paste Sagan deze redenering toe op de hypothese van het bestaan van God. Telkens wanneer iemand het bestaan van God inroept om een natuurverschijnsel te verklaren, zoals de Bijbel doet en zoals de kerk ook voorhoudt, kan men vrij gemakkelijk afdoende natuurlijke verklaringen vinden. Trouwens, wanneer wij over de God van het Westen spreken, wat is dat dan? De Grieken hadden hun opvattingen, de Romeinen ook, de Joden evenzeer en de christenen op hun beurt. Moderne theologen zoals Tillich zeggen dat er geen God is met bovennatuurlijke macht. Spinoza, daarin gevolgd door Einstein ziet God als de natuurwetten die het heelal beheersen, niet als een persoonlijke God die zijn almacht gebruikt om het heelal te doen draaien zoals hij wil, tot in het kleinste detail.
De zogenaamde godsbewijzen hebben in Sagans ogen afgedaan, indien ze ooit al enige bewijskracht hadden. Hij begint met een Indische filosoof uit de elfde eeuw, Udayana, die zeven ingenieuze godsbewijzen bedacht en weerlegt die handig en simpel. Dan neemt hij de Westerse godsbewijzen onder de loep: het kosmologisch argument, het argument from design (ID, Intelligent Design), het morele argument (Kant), het ontologisch bewijs (Anselmus), het bewijs vanuit het bewustzijn (Descartes), het bewijs vanuit de religieuze ervaring (met een verwijzing naar zijn voorganger in de Gifford-lezingen, William James). Wat hij daarover te zeggen heeft, is telkens zeer verhelderend in zijn bondigheid. Dat geldt ook voor de klassieke bezwaren tegen het bestaan van God: de onvermijdelijkheid van het geweld en het kwaad in de wereld en in het universum, geconfronteerd met de oneindige goedheid, het medelijden, de liefde en de almacht van God.
Hij gaat ook in op de afwezigheid van duidelijke bewijzen in de natuur voor het bestaan van God en daar permitteert hij zich wel enkele grapjes: God had bijvoorbeeld een enorm kruis in een baan rond de aarde kunnen laten draaien, of de tien geboden in de maan beitelen… Of hij had de natuurwetten in de Bijbel kunnen zetten, in plaats van de verhaaltjes die helemaal niet kloppen met de natuurwetten.
In het zevende hoofdstuk neemt Carl Sagan ons mee naar de vroegste samenlevingen op aarde en naar de overblijfselen daarvan in primitieve stammen, op zoek naar de oorsprong van godsdienst, religie. Hij wijst op het traditioneel gebruik van alcohol en andere drugs bij het opwekken van religieuze gevoelens; op het onderscheid tussen agressieve ‘jagers’ en vreedzame ‘verzamelaars’; op de rol van godsdienst en priesters en de vraag naar de efficiëntie van het smeekgebed en offers. Zo komt hij als vanzelf uit bij Freud (Totem und Tabu), maar ook bij het gebruik van chemische middelen om het bewustzijn te manipuleren, zoals LSD en het nu massaal gebruikte Prozac. Wat Marx daarover zei is duidelijk: godsdienst is de opium van het volk. Het volk is zich daarvan echter veel minder van bewust dan degenen die het volk bewust de opium toedienen.
In de achtste lezing gaat de auteur in op wat hij ‘misdaden tegen de Schepping’ noemt. Vetrekkend van de onooglijkheid en de kwetsbaarheid van de aarde, bespreekt hij eerst de mogelijkheid en de gevolgen van een natuurramp zoals de inslag van een grote komeet of een asteroïde, klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=429. In 1985, in volle, late Koude Oorlog, was de dreiging van de atoomwapens emotioneel veel concreter dan nu, hoewel het fysieke gevaar ervan vandaag niet minder is. Sagan is steeds een voorvechter geweest (als we dat woord mogen gebruiken) van de vernietiging van het militair nucleair materiaal in de wereld. Hij wijst erop dat geen enkele godsdienst zich met enige overtuiging heeft uitgesproken tegen het bestaan en het gebruik van atoomwapens, terwijl die toch de hele schepping kunnen vernietigen.
Het laatste hoofdstuk is getiteld The Search, de zoektocht en handelt over de plaats van de mens op aarde en in de kosmos. Wij mensen beschikken over een verstand dat veel krachtiger is dan andere diersoorten. Wij zijn steeds op zoek naar inzicht, enerzijds in het groter geheel, het heelal en anderzijds naar inzicht in onszelf. De zoektocht naar wie en wat wij zijn stoot op weerstand doordat een groot deel van onze mentale activiteit onbewust is, spontaan, automatisch, oncontroleerbaar. Wij zoek naar waarheid, de waarheid en we bestrijden anderen die een andere waarheid nastreven of beweren gevonden te hebben. We bevechten elkaar op deze aarde, we trekken duidelijke grenzen tussen wij en zij, grenzen die vanuit de ruimte onzichtbaar zijn. De mensheid bedreigt zichzelf met algehele uitroeiing, bedreigt het milieu, bedreigt misschien, wellicht, het enige leven dat er in het heelal is. Wij hebben geen oog voor het groter perspectief, ruimtelijk en in de tijd, die al dertien miljard jaar loopt, grotendeels zonder de mens. Wij verdoen onze tijd met elkaar te bestrijden, meestal omwille van dwaze religieuze en ideologische overtuigingen, en de aarde in gevaar te brengen, terwijl we goed weten dat we zonder een gezond milieu niet kunnen bestaan. Waarom?
Wij moeten leren lessen te trekken uit wat de mens is in het geheel der dingen.
Deze samenvatting doet natuurlijk geen recht aan de spontaneïteit, de scherpzinnigheid, de humor en de overtuigingskracht van het boek van Carl Sagan, daarvoor moet je het maar zelf lezen en dat kan ik je alleen maar aanraden. Ik heb herhaaldelijk zitten denken, tijdens het lezen: ik wou dat ik die negen lezingen had kunnen bijwonen, toen in 1985! Hoe zou dat mijn leven ingrijpend veranderd hebben… Maar ik ben al blij dat ik het boek nu gelezen heb en dat ik het eventjes onder uw aandacht heb mogen brengen. Een zeer goed idee trouwens voor een mooi en zinvol eindejaarsgeschenk, voor uzelf of voor anderen; voor de prijs moet je het voorwaar niet laten.










