Waarom ik geen nihilist ben

Enkele dagen geleden kon je hier mijn overpeinzingen lezen bij het boekje van Cornelis Verhoeven, De Duivelsvraag. Een pleidooi voor beschouwelijkheid. Ik zette me daarin af tegen de overdreven nadruk die ik bij Cornelis Verhoeven bespeurde op de ‘blote feiten’, het Ding an Sich. Ik wil daarop nog eens terugkomen, naar aanleiding van enkele lezersreacties.
Men begrijpe me niet verkeerd: het is niet dat er geen ‘blote feiten’ zouden zijn of dat ze onbelangrijk zouden zijn. De aardbevingen in Haïti en zeer onlangs nog in Japan zijn inderdaad in de eerste plaats louter fysische feiten. Zelfs het bloedbad op Utoya is een louter fysisch feit: de inslag van de kogels in het lichaam van de jongeren heeft een einde gemaakt aan hun biologische en persoonlijke integriteit. Maar je ziet meteen de armoede van een dergelijke redenering: de fysische feiten, op zichzelf totaal van betekenis verstoken, zijn de oorzaak van onnoemelijk menselijk leed en onvoorstelbare schade. Wie abstractie maakt van de gevolgen voor de betrokken mensen, voor de mensheid en voor het hele universum, mist een essentiële dimensie van wat een gebeurtenis is.
Meteen komen we tot de kern van de zaak. Het gaat om de abstractie, om het bekijken van iets van uit slechts één oogpunt, waarbij we alle andere mogelijke benaderingen buiten beschouwing laten. We moeten ons concentreren, zegt Verhoeven, op het ‘dat’ van het gebeuren, niet op het hoe of waarom. Dat er een aardbeving is geweest is het belangrijkste, dat moet ons verwonderen. Die redenering aanhouden voor wat op Utoya gebeurde, is al veel moeilijker: het is alsof de inslag van het metaal van de kogels in het vlees, het bloed en de botten van die mensen het belangrijkste of enige ‘feit’ zou zijn.
Ik ben het daarmee vanzelfsprekend niet eens, het is een redenering die indruist tegen al mijn overtuigingen en mijn diepste intuïties. Ik betwist natuurlijk het belang niet van de feiten zelf, dat zou al te dwaas zijn. Ik geef zelfs graag toe dat de enormiteit van naakte feiten allerhande mij voortdurend tot verwondering en beschouwelijkheid dwingen, daarvan getuigt elke bladzijde die ik schrijf. Denk aan de vele teksten over astronomische onderwerpen, zoals die over de maan, of over de seizoenen. Het zijn misschien vooral die grootschalige gebeurtenissen die zo’n diepe indruk op ons maken, zoals ons planetenstelsel of zelfs de kosmogonie zelf, het ontstaan van het universum en zijn explosieve geschiedenis van 13 miljard jaar. Maar ook de even ontastbare grootheid van het allerkleinste, het subatomaire houdt niet op ons te verstommen, naast het schrijnende leed van mensen hier op aarde.
Ik deel dus de verwarrende, ontstellende gevoelens van een trouwe lezer, die hij in zo prangende woorden beschrijft: de kille leegte, de eeuwige ijzigheid van de ruimte, de onafwendbare tijdloosheid van het universum, het onverstoorbaar voortschrijden van de fundamentele wetten van de materie en onze eigen nietigheid in het licht van dat alles.
Maar…
Er is een grote maar, inderdaad. Die overweldigende gevoelens zijn reëel, ze zijn diepmenselijk, ze zijn zelfs ‘normaal’, in die zin dat ze het natuurlijk gevolg zijn van onze ‘condition humaine’. Maar het is manifest niet zo dat het de enig mogelijke gevoelens zouden zijn, noch dat ze op een of andere manier onze diepste of meest belangrijke of meest waardevolle gevoelens zouden zijn, noch dat ze onvermijdbaar of onoverkomelijk zouden zijn. Wij moeten ons voortdurend bewust zijn van de hoge graad van abstractie die nodig is om tot dergelijke gevoelens te komen. En het is tegen die eenzijdige, exclusieve abstractie dat ik mij zo hevig verzet.
Wij mogen niet uit het oog verliezen dat zelfs wanneer wij dat uiterst abstracte standpunt innemen, waarbij wij onszelf herleiden tot een toevallig conglomeraat van subatomaire partikeltjes, totaal onbetekenend in het geheel der dingen en in de tijd, dat wij dan nog denkende en handelende, levende mensen zijn. Indien wij dat niet waren, dan was ook die gedachte niet aanwezig, zoveel is duidelijk. De verwondering is een verwondering van een mens en wij kunnen nooit afstand doen van ons mens-zijn, op geen enkele manier. Wij zijn biologische wezens, wij moeten volop moeite doen om in leven te blijven en we zijn daar onafgebroken mee bezig, ons lichaam is een levende machine met een complexiteit die nergens in het universum overtroffen of zelfs maar benaderd wordt.
Met ons verstand zijn we in staat tot zeer abstract denken en dat heeft ons in staat gesteld om, vooral door de wetenschap, de materiële wereld ingrijpend te veranderen in ons voordeel.
Maar zelfs wanneer wij op de meest abstracte manier aan wetenschap of filosofie doen, blijven we mensen. We moeten eten en drinken en derhalve ook urineren en ons ontlasten. Probeer daar maar eens abstractie te maken!
En dat is maar een begin. Als we erover nadenken, dan zijn we als mens op miljarden manieren verbonden met alles en iedereen om ons heen, in de tijd en de ruimte. Wij kunnen als mens niet alleen bestaan, los van onze omgeving, wij zouden het geen ogenblik uithouden. Wat we ook doen, we doen het altijd ergens, ooit. We kunnen ons niet losmaken van wat ons omringt.
Wij zijn historische wezens: wij hebben een persoonlijke geschiedenis, fysiek en mentaal, die bepaalt wat en hoe we in de wereld zijn. Bovendien leven wij in een historische dimensie: wij dragen in ons de geschiedenis van de hele mensheid mee, in onze genen, maar ook in onze beschaving, in onze cultuur.
En wij zijn solidaire, sociale wezens: wij hebben de anderen nodig om te overleven, materieel en emotioneel. Er zijn geen overlevingskansen voor een lone wolf, niet in de dierenwereld en niet onder de mensen, het volstaat om daar dertig seconden over na te denken om te weten dat het zo is.
Ik heb dus geen principieel bezwaar tegen het soort abstract denken dat aandacht vraagt voor of verpletterd wordt door de ‘blote feiten’, het is zowel onvermijdelijk als potentieel heilzaam. Maar het is en blijft een abstractie, een onvolkomen manier om de zaken te bekijken. Het is goed dat we kunnen getroffen worden door de overweldigende ruimte, door de fundamentele eenzaamheid van het individu, door de onverbiddelijke zinloosheid van alle bestaan en zelfs van alle leven. Maar dat kan en mag niet anders dan ons aansporen om die andere even essentiële dimensie van alle zijn en alle leven te onderkennen en te aanvaarden: dat alles structureel deel uitmaakt van het Universum, dat alles met alles verbonden is door wetmatigheid en toeval, dat leven onmogelijk is zonder ander leven, dat mensen altijd samenleven met anderen, met al het ander leven en met de rijke dode stof en het levend water op deze aarde, in een ononderbroken geschiedenis die begon toen het eerste leven op aarde ontstond.
Ik ben dus geen nihilist en ik betwijfel of iemand echt nihilist kan zijn tot op het bot. Zelfs Camus, die toch die reputatie heeft, was dat niet, zoals ik aantoonde toen ik zijn Le mythe de Sisyphe hier besprak. Wie echt nihilist is, kan niet anders dan op de composthoop gaan liggen en wachten to hij of zij begint te rotten, want zelfs actieve zelfdoding is voor de nihilist uitgesloten als een bewuste daad. Er is niemand die kiest voor de composthoop en dat is voor mij het beste bewijs dat er geen consequente nihilisten zijn. De enige echte nihilist is een dode nihilist, zou je kunnen zeggen in een gewaagde parafrase van een verschrikkelijke uitspraak over de Amerikaanse Indianen. Er zijn geen nihilisten, alleen maar mensen die er door persoonlijke omstandigheden gebracht worden om bij tijd en wijle toe te geven aan de nihilistische gedachten die ons allen besluipen.
Absoluut nihilisme heeft ook niets van doen met atheïsme,
zoals gelovigen en deïsten vaak denken en schrijven. Het is niet omdat er geen
externe zingever is zoals de God van het Christendom, het Jodendom of de Islam,
dat er helemaal geen zin is, dat alles absurd is en om het even, verre van. Wij
putten de zin voor het bestaan uit dat bestaan zelf: wij zijn er nu eenmaal en
we proberen er het beste van te maken, dat is al. Hoe dat in zijn werk gaat,
welke principes we daarbij hanteren, daarover zijn ontelbaar veel boeken
geschreven en nog zijn we het niet eens. Er is ook niet één antwoord, er zijn
er vele en we maken veel fouten voor we zelfs maar een idee hebben over hoe het
moet. Maar het is duidelijk dat sommige daden niet goed zijn, zoals het
vermoorden van achtenzestig vreedzame geëngageerde jonge mensen en dat andere
dat wel zijn, zoals in liefde een kind verwekken, daar zijn we het wel over
eens, dacht ik.
Als overtuigd atheïst vind ik in mijn levenshouding een sterke steun voor de momenten waarop gedachten over de absurditeit van het bestaan ook mij verontrusten of droef te moede maken. Ik weet dat wij er als mensen alleen voor staan, dat er geen Deus ex machina is, dat we ons geen illusies moeten maken, dat wij onszelf niets moeten wijsmaken (Hubert Dethier in Knack). Maar dat wij atheïsten geen verwachtingen zouden mogen koesteren, zoals Dethier beweert, dat betwist ik ten stelligste. Wij moeten niet hopen dat het onmogelijke gebeurt, zoals gelovigen doen, maar wij hebben wel het volste recht om te hopen dat het ons en onze geliefden en alle anderen goed zal gaan, ook al weten we dat dit niet het geval zal zijn. Dat is een vruchtbare hoop, die ons helpt om het goede te doen.
Atheïsten zijn geen wanhopige mensen, dat blijkt uit talrijke
enquêtes en statistieken, ze zijn dat zelfs veel minder dan gelovigen. Wij
weten dat er geen God is zoals die van het christendom of een andere godsdienst
omdat er zo geen God kán zijn, dat zo’n God niet kán bestaan, dat het bestaan
ook zonder zo’n God kan en dat wij mensen veel beter af zijn zonder zo’n
Godsbeeld. Wij weten ook dat we er helemaal niet alleen voor staan, omdat we
leven in verbondenheid met het Universum, met het leven op aarde, inzonderheid
onze medemensen, vroeger, nu en in de toekomst, waar die ook leidt.












