
Lang geleden, in het laatste jaar van de humaniora,
moesten we een opstel maken over een poëtisch onderwerp, waarbij onvermijdelijk
een roos te pas kwam. Dat ontlokte me toen al, meer dan 45 jaar geleden,
filosofische overpeinzingen. Ik herinner me alsof het gisteren was dat ik me
vragen stelde over die roos. Inspireert de roos mij tot ideeën en gevoelens? Of
dicht ik de roos kenmerken toe die ze niet heeft? In mijn opstel bekende ik dat
ik het antwoord niet wist. Mijn leraar Nederlands was daarover zeer verbaasd.
Hij leek totaal ongevoelig voor mijn filosofische drukdoenerij, hij zag het
probleem niet. Ik wel en ik zie het nog altijd als een probleem en met mij een
schare van filosofen, psychologen, neurologen, kunstenaars en critici en nog
vele anderen, vroeger en nu. A rose is a
rose is a rose (Gertrude Stein), maar wat gebeurt er als wij naar een roos
kijken?
We kunnen een nuttig onderscheid maken tussen twee
aspecten van dat gebeuren. Enerzijds is er de waarneming: met onze zintuigen nemen
wij contact met een voorwerp dat zich in onze nabijheid bevindt. Wij zien
afmetingen, kleur, vorm; we ruiken een geur; we situeren de roos in haar
omgeving, waarbij ook ons gehoor en onze tastzin meespelen; zelfs onze
smaakpapillen worden geprikkeld door de geur van de roos. We onderscheiden de
delen van de roos, de bloemblaadjes, de meeldraden, de bladeren, de stengel, de
doornen. We zien de kleurschakeringen en hoe het licht en de schaduw erop
spelen. We zien de roos in perspectief, we zien één kant maar denken de andere
erbij, we zien geen postkaart maar een reële roos in drie dimensies. Als je er
een beetje over nadenkt, is het een wonderbaarlijk gebeuren, zo’n roos waar je
naar kijkt.
Een gans ander aspect is dat van de betekenis die een
roos kan hebben. Als ik morgen een bloem ga kopen en ik schenk die aan Lut, dan
zal ze om te beginnen niet weinig verbaasd zijn, want bloemen schenken is niet
mijn gewoonte. Ze zal dus blij verrast zijn en zich misschien ook afvragen wat
de reden of de aanleiding voor mijn gedrag is. De roos is met andere woorden de
drager van een boodschap van mij aan haar. Bij de bloemist kan je een kaartje
kopen waarop die boodschap gedrukt staat: gelukkige verjaardag! (alsof degene
die ze krijgt dat niet weet), of: zomaar! (om duidelijk te maken dat er geen
speciale gelegenheid is, dat het puur uit genegenheid is). Als ik een rode roos
zou aanbieden aan een andere vrouw dan Lut, dan zou de betekenis daarvan even duidelijk
zijn, voor Lut, voor die andere vrouw, voor iedereen die het zou weten en ook voor
mij, terwijl die betekenis voor elk van ons verschillend zou zijn.
Maar laten we wel wezen: een roos is een verzameling
atomen, zoals de hele fysische werkelijkheid. Hoe kom je dan van nietszeggende
stukjes materie tot enerzijds een prachtige roos en anderzijds tot de betekenis
van die roos voor een persoon?
Het is duidelijk dat je in de eerste plaats een
toeschouwer nodig hebt, een persoon die waarneemt. Als niemand naar de roos
kijkt, is die er nog wel, daar gaan we van uit, maar er gebeurt niets. Je hebt
dus een mens nodig (of een dier, zoals een bij…). Die mens moet ook waarnemen:
als hij of zij niet kijkt, achteloos voorbijloopt, of niet kan zien omdat hij
of zij blind is, dan is de roos er nog altijd, we weten zelfs dat ze er is,
maar we laten de aanwezigheid niet tot ons doordringen. Er is geen zintuiglijk
contact en dat is essentieel. Maar is het ook voldoende? Iemand die niet
geïnteresseerd is in rozen ziet ze wel, maar minder goed dan een liefhebber.
Als ik een roos geef aan een baby, zal die daarop anders reageren dan wanneer
ik die aan een aantrekkelijke vrouw geef (hoop ik).
Het verschil ligt bij de persoon die de waarneming
doet. Het gaat niet alleen om de zintuigen, hoewel die essentieel zijn, het
gaat ook om wie de waarnemer is, wat zijn of haar verwachtingen zijn, hoe hij
of zij denkt; het gaat om de hele persoon, met zijn of haar hele geschiedenis,
cultuur, kennis enzovoort.
We hebben dus zintuigen nodig, maar ook onze hersenen.
Het is daar dat de zintuiglijke impulsen worden verwerkt. De morgenzon koestert
de bedauwde roos: fotonen afkomstig van een ster vallen op een organische stof
en weerkaatsen naar ons oog, waar ze via de lens op de retina geprojecteerd
worden, vandaar als elektromagnetische impulsen naar onze hersenen gaan, waar
ze specifieke elektromagnetische en chemische reacties teweegbrengen. De
fysische beschrijving zegt ons niets over rozen of liefde. En toch is dat
fysisch proces het enige dat echt gebeurt. Al de rest, de betekenis, is op zich
niet fysisch, maar is natuurlijk onlosmakelijk met dat fysische verbonden:
zonder de ‘gebeurtenis’ is er geen betekenis.
Een van de vragen die men zich stelt bij dat proces van
waarneming is die van de qualia. Dat
is een Latijns woord, het betekent: welke. Het duidt op de kenmerken die de
dingen hebben voor ons, bijvoorbeeld de ‘roodheid’ van de roos. Wat is dat
eigenlijk, rood? Is dat hetzelfde voor jou en voor mij? Enerzijds wel: tenzij
we kleurenblind zijn, zullen we allebei zien en zeggen dat de roos rood is.
Maar kunnen we er zeker van zijn dat rood voor jou en voor mij dezelfde vorm
aanneemt? Kleurenblinden zien rood en groen helemaal anders en wij kunnen hen
op geen enkele manier uitleggen wat rood is, we kunnen het hen enkel tonen en
als ze het niet zien, tja… Een persoon die volledig gehoorgestoord is, doof
zeggen wij gemeenzaam, hoort niets. Hoe maak je hen duidelijk wat klanken zijn,
of muziek?
Zintuiglijke waarnemingen zijn individueel. Maar ook
weer niet. Wij zijn allemaal mensen en we lijken heel sterk op elkaar. Er zijn
afwijkingen, blinden en doven en mensen die niets ruiken en zelfs personen die
geen hitte voelen en zich dus voortdurend verbranden, maar dat zijn
uitzonderingen. De meeste mensen hebben zintuigen die op dezelfde manier
werken. Onze hele maatschappij is daarop gebouwd. Wij vertrouwen er voortdurend
op dat de meerderheid van de mensen globaal op dezelfde manier zullen reageren.
Soms is dat spontaan, zoals op een slang; soms is het aangeleerd, zoals bij een
verkeersbord. Als onze waarnemingen totaal individueel zouden zijn, dat wil
zeggen totaal verschillend van die van elke andere persoon, dan zouden we niet
kunnen communiceren en zou samenleven onmogelijk zijn. Ik ben dus de mening
toegedaan dat we niet te lang moeten nadenken over de uniciteit, het unieke
karakter van onze individuele waarnemingen. We kunnen niet bewijzen dat wat ik
als rood herken precies hetzelfde is als wat jij rood noemt, maar wij herkennen
allebei rood als rood en dat is een fundamenteel gegeven. De reden waarom is
eenvoudig: omdat wij mensen zijn, een specifieke biologische soort. We zijn
geen bijen, die de wereld op vele punten anders waarnemen; zij zien
bijvoorbeeld kleurspectra die wij niet zien en kunnen zo vormen onderscheiden
die ons helemaal ontgaan, tenzij we met technische hulpmiddelen gaan kijken.
Maar wij mensen zien over het algemeen en in grote lijnen dezelfde dingen,
omdat we mensen zijn, omdat we genetisch nogal eender zijn, omdat we allemaal
afstammen van dezelfde voorvaderen, omdat we ons onderling kunnen voortplanten.
Voor mij is de arcane discussie over de onuitspreekbaarheid van de kenmerken
van de dingen daarmee afgedaan als irrelevant.
Een andere, naar mijn aanvoelen even zinloze vraag is
deze. Kunnen wij de dingen kennen zoals ze werkelijk zijn? Of alleen maar zoals
wij ze waarnemen? Wat betekent dat, de dingen zoals ze werkelijk zijn? Wij
proberen steeds verder door te dringen in de eigenschappen van de dingen,
vooral met de wetenschap en de technologie. Maar de waarneming is zelfs in de
meest ingewikkelde technische processen, zoals in de deeltjesversneller in
CERN, nog steeds zintuiglijk. Als ze niet zintuiglijk is, dan is er geen
waarneming, punt. Wij kunnen ingewikkelde conclusies trekken uit onze
waarneming, maar we kunnen niet anders dan vertrekken van waarnemingen, ook als
dat bijvoorbeeld ideeën zijn die we opdoen bij het lezen of resultaten die we
aflezen van instrumenten. Als we ze niet lezen, dan is er geen
betekenisoverdracht. Waarneming is dus alles, of althans de voorwaarde voor
alles. En die waarneming gebeurt steeds door mensen.
Wij zijn dus beperkt in wat we kunnen zien en horen
enzovoort. We kunnen daaraan verhelpen met technische middelen en zo kleuren
ontdekken die we met het blote oog niet zien en temperaturen die we niet kunnen
onderscheiden met onze tastzin, en geuren die we anders niet zouden ruiken en
toonhoogtes die geen mens hoort (maar een hond wel). Al die hulpmiddelen doen
evenwel niets anders dan het zomaar onwaarneembare waarneembaar te maken voor
ons, als mensen. We dringen dus steeds verder door in de dingen zoals ze zijn,
maar nog altijd zoals ze er voor ons zijn. Hoe ze zijn voor een hypothetische
soort van levende wezens ergens op een planeet aan de andere kant van het
universum, daar hebben we geen idee van. En of we zelf alle kenmerken van alle
dingen zullen ontdekken daar heb ik ook geen idee van. Op zeker moment zal de
zon aan haar aftakeling beginnen en dan wordt het hier eerst veel te warm om te
overleven, maar het kan nog een miljard jaar duren, of zelfs twee, of nog meer,
voor het zo ver is. Wat wij allemaal nog zullen ontdekken in die tijd en of we
zelf als soort zo lang zullen meegaan, dat weten we niet.
Het heeft dus niet veel zin om ons vragen te stellen
over de dingen an sich, tenzij als
een stimulans om te ontdekken hoe ze zijn ‘voor ons’.
Nog een zinloze vraag: hoe komt het dat wij een roos
zien? Hoe kunnen we van puur fysische gebeurtenissen, licht dat valt op een
voorwerp en weerkaatst in ons oog, tot betekenis komen? Dat is wat men ‘het
harde probleem’ noemt, the hard problem.
Ook hier is het alleen een probleem in die zin dat we niet precies weten hoe
het gebeurt en dus de moeite om het verder uit te pluizen. Maar we weten dat
het gebeurt, dat we de roos wel degelijk zien, dat Lut blij is met de roos die
ze krijgt en veel minder blij met de hypothetische roos die ik aan een al dan
niet hypothetische andere vrouw of man zou geven. We moeten ons met andere
woorden niet afvragen of we die roos wel degelijk zien, dat is immers evident.
Wij zien ze en onze individuele ervaring wordt bevestigd op duizend manieren:
als ik straks nog eens kijk, zal de roos er nog altijd zijn; als ik Lut vraag
wat ze ziet, zal ze me verbaasd aankijken en zeggen: een roos natuurlijk! Als
ik aan de bloemist vraag wat ik gekocht heb, zal hij me bevestigen dat het een
roos was, op het kasbonnetje zal staan: roos, 1 en de prijs. Ik kan mijn
waarnemingen dus verifiëren, er is geen enkel moment denkbaar waarop iemand zou
zeggen: een roos? Nee, ik weet van niets; of: een roos? Nee, dat was een distel!
Hoe komt het dat wij allemaal die roos herkennen? Omdat
wij mensen zijn. We kijken met dezelfde ogen, we denken met dezelfde hersenen,
daar heeft de evolutie voor gezorgd, de natuur. Maar er is ook nog de cultuur.
De baby van twee maanden oud zal misschien op de roos gaan knabbelen en zal
wenen als hij zich prikt, of zal wellicht totaal ongeïnteresseerd zijn in mijn
geschenk. Wij mensen hebben een hoop te leren, we doen er twintig jaar of meer
over voor we enigszins kunnen meeklappen over de dingen en zelfs als we leven
tot we honderd zijn en goed van geest blijven, zal het altijd zo zijn dat er
meer is dat we niet weten dan wat we wel weten: etsi multa scio, plura tamen ignoro, zo stond het destijds in de
Latijnse spraakkunst van Pater Geerebaert, S.J.
We moeten dus leren om onze waarnemingen te duiden. Dat
is een langdurig en ingewikkeld proces en ook hier is het zo dat het maar
mogelijk is omdat we allemaal mensen zijn. We spreken wel een andere taal, maar
we hebben in elke taal een woord voor rood. We kunnen woordenboeken maken met
daarin de overeenkomende woorden in alle talen. Soms is er wel eens een
probleempje, zoals ook Spinoza ontdekte toen hij de veelheid van emoties van de
mens beschreef: Quo nomine autem
appelanda sit Laetitia quae ex alterius bono oritur, nescio (Ethica III p22s);
hoe we de blijdschap moeten noemen die geboren wordt uit het geluk van iemand
anders, dat weet ik niet. Er is ook geen Engels woord voor leedvermaak. Maar voor
vrijwel al het andere wel, kijk maar eens in een vertalend woordenboek.
We stellen vast dat wij als mens, na een langdurige
vorming, in staat zijn om te overleven in onze wereld. Wij hebben dan de
cultuur min of meer, zo goed en zo kwaad als het gaat tot de onze gemaakt, we
hebben ons geassimileerd, geïntegreerd in de samenleving. Dat is trouwens wat
we, terecht of ten onrechte van vreemdelingen verwachten die zich hier
aanbieden: dat ze onze taal spreken, dat ze onze wetten, gewoonten en gebruiken
kennen, dat ze een zekere wetenschappelijke achtergrond hebben, dat ze zich
gedragen zoals wij. Maar dat is een ander verhaal. Het geven van betekenis aan
de wereld om ons heen is het resultaat van een lang en intensief leerproces.
Het vertrekt van onze zintuiglijke gerichtheid op de wereld: onze zintuigen
zijn zo geëvolueerd dat ze ons toelaten om te overleven in de wereld. Precies
die kenmerken die ons betere overlevings- en voortplantingskansen opleverden,
zijn geselecteerd in de lange evolutie die onze soort heeft doorgemaakt sinds
het ontstaan van het leven op aarde.
Onze hersenen hebben een zelfde evolutie doorgemaakt;
ze zijn een soort zesde zintuig, of beter, een vorm van synesthesie, waarbij
alle zintuigen samenwerken om een totaalbeeld te vormen. Onze hersenen zijn een
orgaan, zoals onze ogen en ons hart, maar het is een superorgaan, dat ons
toelaat om de informatie van onze zintuigen optimaal te gebruiken. Maar dat is
ook zo voor andere dieren, vooral zoogdieren. Wat een hond met zijn hersenen
kan is behoorlijk indrukwekkend. Zijn wij dan niet meer dan een hond? Ja en neen.
Neen, we zijn niet essentieel verschillend van een hond of een aap, we stammen
van dezelfde voorouders af, we lijken verbazend goed op andere dieren, we
hebben grotendeels dezelfde genen. Maar er is een verschil, een groot verschil dat
zich vooral situeert in de ontwikkeling van de hersenen van de mens: wij hebben
niet alleen meer hersenen in verhouding tot ons lichaamsgewicht, maar ook meer
complexe hersenen, meer ingewikkelde, meer gedifferentieerde. Maar het
belangrijkste onderscheid is wat we doen met onze hersenen. Dieren, of moet ik
zeggen, andere dieren hebben dus ook hersenen en doen daar ook van alles mee,
op een indrukwekkende manier, denk maar aan de trekvogels. Maar wij kunnen nog
meer.
Men zegt dat dat komt omdat wij een bewustzijn hebben:
wij zijn ons bewust van onszelf en van onze omgeving. Maar dat klinkt vals:
zijn dieren zich daarvan dan niet bewust? Dat klopt niet. Ik zou veeleer
zeggen: wij zijn ons meer bewust en anders. Het menselijk bewustzijn is niet iets
anders dan dat van zelfs de kleinste bacterie, het is alleen maar een van de
meest complexe en verfijnde vormen van dat belangrijke kenmerk van elk leven:
de mogelijkheid om in contact te komen met de omgeving en die omgeving aan te
wenden voor het eigen overleven en de voortplanting.
We kunnen natuurlijk uitvoerig ingaan op dat menselijk
brein en zijn onvoorstelbare vermogens. Maar dat mag ons er niet toe verleiden
om te gaan stellen dat wij intrinsiek anders zijn dan de andere dieren, dat wij
een bewustzijn of een ziel of verstand hebben en zij niet. Het gaat om een
verschil in gradatie, over meer en minder, om anders, beter en minder goed. In
wezen gaat het om hetzelfde vermogen. Neem nu dat grote woord, zelfbewustzijn. Kan
je één goede reden bedenken waarom een mens zoiets zou hebben en een bonobo
niet? Kan je dat afleiden uit onze respectievelijke gedragingen? Ik meen van
niet.
Over dat fameuze menselijke bewustzijn en/of onze ziel
kunnen we het ook even hebben. Het is niets anders dan een activiteit van onze
hersenen. Dat we er behoefte aan hebben om een naam te geven aan een specifiek
gedeelte wat wij met onze hersenen doen is tegelijk vreemd en normaal. Door er
een eigen naam voor te gebruiken leiden we onterecht de aandacht af van het
feit dat het evengoed om een activiteit van ons brein gaat als de controle op
onze spijsvertering of onze bloesomloop. Maar anderzijds is het misschien wel
verantwoord om, zolang we dit fundamentele feit niet uit het oog verliezen, een
specifieke term te gebruiken voor ons bewustzijn. Wat is dat bewustzijn dan?
Biologisch gezien zijn wij een afzonderlijke entiteit,
wij zijn een mens, één exemplaar van de soort homo sapiens. Men kan een mens
niet opdelen in afzonderlijke delen zonder afbreuk te doen aan zijn integriteit
als mens. Wij hebben een individuele autonomie, een onafhankelijkheid, we
kunnen in leven blijven en ons voortplanten, maar voor beide hebben we de
anderen nodig. Die individuele autonomie die we als biologisch wezen hebben,
vertaalt zich in de geestelijke voorstelling die we ons van onszelf maken. Wij
zijn niet alleen een lichaam, we zijn ook een persoon, met een geheugen en met
plannen voor de toekomst. Door onze sterk ontwikkelde hersenen zijn we in staat
om ons een voorstelling, een beeld te maken van onszelf. We zien onszelf als de
regisseur van ons eigen leven, we hebben of we zijn een Ego, een Ik, we spreken
in de eerste persoon. Ik doe, ik kies, ik geniet, ik lijd.
Maar we moeten er steeds bij denken dat het om een
voorstelling gaat, iets dat onze hersenen doen. Naar het beeld van ons
biologisch lichaam en naar het beeld dat wij van andere mensen en andere
levende wezens hebben, creëren wij een persoon, zoals de dramatis personae; persona
betekent oorspronkelijk een rol in een toneelstuk, of het masker dat de acteur
draagt en waardoor men ziet welke rol hij speelt. Ons veelgeroemde ego is niet
meer dan een fictie, een masker. Het is een handige truc die onze hersenen
gebruiken om gemakkelijker met de dingen om te gaan. Het is iets dat we aan
onze kinderen aanleren zodat wij met hen en zij met ons kunnen omgaan en in de
wereld kunnen functioneren. We geven een naam aan mensen: Kareltje is braaf,
hij heeft alles opgegeten! Of: netjes in de po! Of: stout, Kareltje, stout! Kareltje
heeft weer in zijn broekje gedaan! Van kleins af aan doen we er alles aan om de
persoon te creëren, het ego dat ons toelaat om in de wereld te zijn, om er een
eigen plaats in te nemen, als een ik, een acteur, een actor. We denken er niet
meer over na, het is er zo in gehamerd dat het een evidentie is: we zijn een persoon,
maar we vergeten dat een persoon een rol, een masker is.
Onze bewuste hersenactiviteit is slechts een miniem
gedeelte van al de activiteiten die zich daar afspelen. In feite leven we voor
de volle honderd procent op automatische piloot. Wij hebben nauwelijks controle
op wat onze hersenen doen, wij kunnen ze niet sturen, niet verhinderen om
bepaalde dingen te doen en andere te laten. Wij kunnen onze hartslag niet
controleren of onze spijsvertering. Maar in feite kunnen we evenmin onze gedachten
controleren. Het denken is evenzeer een spontane, autonome activiteit als onze
bloedsomloop. Daarin zijn we zoals de dieren, die instinctief leven, letterlijk
in reactie op prikkels (in-stinguo).
Ons bewustzijn is slechts een theatervoorstelling die wij maken voor onszelf,
om het ons gemakkelijk te maken. Wij creëren ons een ik dat bewust denkt, maar het
denken gebeurt in en door de hersenen, nog voor wij ons ervan bewustzijn. Wij
reageren via onze zintuigen op stimuli lang (in microseconden of nog kleiner)
voor wij ons dat realiseren. Ons bewustzijn bestaat hoofdzakelijk hierin dat
wij de reacties analyseren die ons lichaam heeft op de stimuli die ons
bereiken.
Denk aan een agressieve hond die plots voor jou staat:
zijn aanblik bereikt je hersenen, veroorzaakt daar een opstootje wanneer het
beeld van die hond in verband gebracht wordt met alle andere dergelijke
signalen die je ooit bereikt hebben en alle waarschuwingen die in je geheugen
zijn opgeslagen. Er volgt een onmiddellijke fysieke reactie, je hersenen doen
je lichaam reageren: je trekt je terug, maakt de afstand groter tussen jou en
de bedreiging, je wordt bleek omdat het bloed wegtrekt uit je gelaat om elders
nuttiger ingezet te worden, je krijgt misschien kippenvel, je haren rijzen ten
berge, je schreeuwt het uit, je ogen zijn wijd opengesperd, je pupillen
verwijden, adrenaline stroomt door je bloed, je ademhaling versnelt enzovoort.
Dat gebeurt allemaal automatisch, seconden voor je je expliciet realiseert dat
het een hond is, voor je bewust schrik hebt. Pas dan begin je te beven, omdat
je pas dan bewust inziet dat er echt een bedreiging is en dat je iets moet
bedenken om die af te wenden. Je schrik komt dus na de eerste spontane reacties
van je hersenen. Je emotie is een stukje theater dat opgevoerd wordt door je
hersenen, omdat dat handig en efficiënt is.
Het feit dat wij onszelf zien als een bewust denkend
persoon is een evolutionair voordeel: door zo te leren denken, kunnen we nog
beter reageren op onze omgeving. We kunnen bijvoorbeeld zien dat het maar de
hond van de buren is, die altijd zo reageert als je voorbijkomt, die blaft en
op je komt afgestormd, maar veilig achter de afsluiting blijft en je lacht om
je eigen schrik. Of je merkt dat het wel degelijk een loslopende hond is die je
niet kent, een dobermann en zelfs met schuim op de lippen; dan denk je meteen:
hondsdolheid! Zorgen dat ik niet gebeten wordt!
Het vraagt misschien enige inspanning, maar het loont
de moeite om te leren inzien dat onze hersenen veel belangrijker zijn dan alleen
maar onze bewuste gedachten, dat ons zogenaamd bewustzijn slechts schijn is,
theater. Op die manier krijgen allerlei theorieën over de menselijke
psychologie weer zin, zoals die van Freud over het onderbewuste: dat is niet
ergens iets dat we verdrongen hebben, het is een onderdeel van de normale
manier van werken van onze hersenen. Het geeft ook zin aan wat wij onze
intuïtie noemen, of vindingrijkheid, of genie: wij moeten leren vertrouwen op
de spontane werking van onze hersenen en ons zeer beperkt bewust ego niet te
veel baas laten spelen over de rijke mogelijkheden waarover onze hersenen
beschikken. Wij zijn het geheel van ons lichaam en dus ook het geheel van onze
hersenen, met alles wat ze doen, ook het voor-, onder-, boven- en onbewuste.
Wij zijn zoveel rijker en krachtiger en machtiger dan we ‘denken’.
Begrijp me nu niet verkeerd: ik suggereer hier helemaal
niet dat we louter instinctief zouden gaan leven, zonder na te denken of te
overleggen. Rationeel denken, zoals we het noemen, is een van de hoogste
verwezenlijkingen van de menselijke geest. Het stelt ons in staat om door na te
denken, te experimenteren en te communiceren met elkaar, tot oplossingen te
komen voor problemen die men met intuïtief denken nooit zou kunnen bereiken,
zeker niet in onze hoogtechnologische maatschappij. Maar alle wetenschappers
zullen het je bevestigen: de grote doorbraken komen er bijna altijd wanneer
zeer hoog gekwalificeerde en pientere mensen plots een geniale ‘ingeving’
hebben, een inzicht dat zich als het ware uit het niets aan ons aanbiedt. Dat
is dan het resultaat van combinaties die in onze hersenen spontaan leiden tot
conclusies die we door logisch nadenken in geen duizend jaar zouden bereiken.
Dat is wat Copernicus na jarenlang naar de hemel turen op een mooie dag of
nacht plots moet meegemaakt hebben: de zon en de planeten draaien helemaal niet
om de aarde zoals de maan, de aarde draait om de zon en de planeten ook!
Over al deze onderwerpen schrijft Nicholas Humphrey in
zijn recent boek Soul Dust. The Magic of
Consciousness, Quercus-London, 2011, xii + 243 pp., noten, index, hardcover,
officieel £25, bij Amazon de helft van de prijs. Het is bij momenten een taai
boek, maar zeker na de eerste twintig bladzijden of zo echt goed leesbaar. Het
is gebaseerd, zoals zo vaak, op lezingen en seminaries die de auteur, emeritus
professor psychologie in Oxford, Cambridge en nu London, gehouden heeft in de
loop van de voorbije jaren en het draagt daar ook de sporen van. De toon is bijna
voortdurend die van de causerie, de geanimeerde uiteenzetting met de glimlach
om de lippen. Maar af en toe zou je willen dat de auteur de grapjes en de bon
mots achterwege zou laten en zich op een ernstige en geconcentreerde manier zou
bezighouden met de kern van de zaak. Het is leuk om allerlei aspecten te
belichten aan de hand van talrijke literaire voorbeelden, maar van uit
wetenschappelijk oogpunt is het veel belangrijker dat men duidelijk zegt waar
het op staat en waarop men zijn stellingen baseert. Voorbeelden uit de
experimentele psychologie of de statistiek zijn zeldzaam in dit boek, poëzie is
er des te meer.
Ik ben het vaak oneens geweest met wat ik hier gelezen
heb. Een groot aantal bladzijden is gewijd aan de dood en wat dat betekent voor
de mens. De auteur vertrekt van een mensbeeld dat naar mijn aanvoelen onjuist
of grotendeels achterhaald is, wanneer hij volhoudt en als basis van zijn
redenering neemt dat de hele mensheid gelooft dat er een hiernamaals is, dat
men niet kan aanvaarden dat de dood het radicale en definitieve einde is van
ons autonoom bestaan, materieel of anderzijds.
Dat is niet mijn aanvoelen en wel sinds mijn
aller-prilste jeugd. Ik heb op geen enkel ogenblik van mijn bestaan ook maar
één seconde rekening gehouden met de mogelijkheid dat er leven is na de dood.
Dat spontane aanvoelen is keer op keer bevestigd door alles wat ik gelezen heb
over dat onderwerp, zowel bij auteurs die wanhopig probeerden om toch maar iets
te redden van de gedachte aan een hiernamaals als bij hen die van uit diverse
oogpunten argumenten aanhaalden om daaraan te twijfelen of het uit te sluiten.
De dood is voor mij nooit afschrikwekkend geweest, zoals de auteur stelt als
algemeen menselijk verschijnsel. Huisdieren die ik had gingen dood en dat vond
ik normaal; mijn Vader slachtte een overtollige haan en ik stond erop te
kijken, met net zoveel wrevelige afschuw voor het onnodig bloederig gebeuren
als Vader zelf. Huisgenoten, familieleden, kennissen en goede vrienden stierven
en dat heb ik aanvaard als de normale gang van zaken, ook na ziekte of ongeval.
Wel heb ik vaak geweend van verdriet om hun afsterven en soms lang getreurd en
gerouwd, tot vandaag toe en wellicht zo lang als ik leef. Maar nooit heb ik
vermoed of verlangd dat de dood iets anders zou zijn dan het definitieve einde
van die personen, dat zij op een of andere manier als zodanig zouden
voortbestaan of op een betekenisvolle manier als individuen zouden opgaan in
een groter geheel, tenzij in de al te beperkte en wankele menselijke herinnering.
Ik kan niet geloven dat ik daarin een uitzondering ben.
Het valt me niet moeilijk om bona fide auteurs te vinden die standpunten
verdedigen die met de mijne overeenkomen op vele gebieden. Statistieken geven
mij vaker gelijk dan ze me tegenspreken. Als dat meestal zo is, waarom zou dat
anders zijn in verband met de dood? Ik heb hier al vaak verwezen naar de
volkomen onwetenschappelijke maar precies daarom zo sprekende enquête of poll
die Seniorennet enkele jaren geleden hield onder haar leden: van de drieduizend
of zo antwoorden op de vraag naar het hiernamaals antwoordde twee derden
resoluut: neen!
Priesters zalven en beloven
maar ik kan het niet geloven.
Neen, er is geen wenden aan:
als wij dood zijn is ’t gedaan,
ja gedaan, …
(Willem Elsschot, Spijt)
Het is duidelijk dat er veel
geschreven en gezegd is over de onsterfelijkheid van de mens. Voor het
christendom, gedurende bijna tweeduizend jaar van onze beschavingsgeschiedenis
de overheersende (letterlijk!) godsdienst, was dat het fundamenteel dogma. Het
mag ons dus niet verwonderen dat de officiële leer en al de afgeleide vrome
werken daarop gehamerd hebben. Of dat ooit enig succes heeft gehad, durf ik
stellig te betwisten. Ik ben ervan overtuigd dat Elsschot en ikzelf geen
uitzonderingen zijn, dat zowel de gewone mens (ik) als de grote geleerde (Dawkins)
of de geïnspireerde kunstenaar (Elsschot) steeds uitgegaan zijn van de dood als
eindpunt. Al het gepraat over hemel en hel was en is niet meer dan dat:
gepraat. Als het erop aankomt, bekennen we allemaal: als we dood zijn is ’t
gedaan. In de Verenigde Staten zouden naar verluidt nog steeds vier op vijf
mensen beweren te geloven in een hiernamaals. Ik betwijfel die statistieken
niet. Ik zou wel graag het antwoord kennen op enkele bijkomende vragen, zoals:
wat stelt u zich daarbij voor? Waarop steunt u zich? Heeft die overtuiging
enige weerslag op uw doen en denken? We mogen ook niet vergeten dat tot een
jaar vóór de verkiezing van Obama ongeveer niemand in de V.S. het mogelijk
achtte dat een zwarte tot President zou verkozen worden.
Ik laat het hierbij,
voorlopig, allicht. Als er iets is waarover we nooit uitgepraat zijn, dan zeker
onze ziel, ons ego, ons bewustzijn, leven en dood.