de kern der dingen
E pur si muove…
Galileo (†1642) zou deze woorden gemompeld hebben nadat hij onder zware fysieke bedreiging door de pauselijke inquisitie zijn Copernicaanse opvattingen pro forma of ogenschijnlijk had ingetrokken. En toch beweegt ze, de aarde, dat bedoelde hij natuurlijk. Of domme roomse prelaten het aanvaarden of niet, bewegen doet ze.
Maar niet alleen om de zon (en niet andersom, zoals Rome volhield). Ze beweegt ook om haar as. Die complexe combinatie zorgt ervoor dat wij dag en nacht kennen en wegens de schuine stand van de as van de aarde ook de seizoenen. Ze maakt dat wij de sterren zien en de planeten in hun schijnbare beweging aan de hemel.
Alles op aarde is eveneens in voortdurende beweging. Het water en de lucht, dat is evident, maar ook de vaste stof, het zand in de woestijn, de gletsjers en zelfs de rotsen en de bergen: ze zetten uit door de warmte en krimpen in de kou, ze barsten en breken en worden verpulverd, ze slijten af onder de invloed van regen en wind en eindigen als keien in de rivieren en zand op het strand. Vulkanen laten het kolkende binnenste van de aarde naar buiten komen en vervormen het landschap ingrijpend. De meest indrukwekkende beweging van de aarde is zeker het verschuiven van de tektonische platen, waardoor de continenten tegen elkaar aan schuiven en verwoestende aardbevingen veroorzaken.
Al wat op aarde leeft, beweegt. Leven is bewegen, van de kleinste bacterie tot het grootste dier, de blauwe vinvis. Levende wezens bewegen zowel innerlijk als uiterlijk, zowel van binnen en van buiten. Biologisch leven is een proces met bewegende delen, zowel voor eencellige als voor complexe wezens als de mens. Alles in ons en in al het andere leven op aarde beweegt zonder ophouden. Als die beweging stilvalt, gaan we dood, dan zijn we er niet meer en vallen we uiteen in onze samenstellende chemische deeltjes, door rotting of verbranding, naar keuze.
De beweging houdt echter nooit op. Al de materie is in beweging: de kern der dingen is een razende omwenteling van deeltjes om hun kern. Hoe verder we zoeken, hoe meer deeltjes we vinden of vermoeden, tot we niet meer zeker zijn of we nu met massa of met energie te maken hebben, met materie of met krachten. Alles is in eindeloze beweging, zelfs de kern van de hardste diamant. Wat vast is, lijkt alleen maar zo voor ons die er oppervlakkig naar kijken. There lives the dearest freshness deep down things (Gerard Manley Hopkins, klik hier).
Het leven op aarde is beweging, maar niet zomaar. Levende wezens zijn in contact en interactie met hun omgeving. Ze voeden zich en zorgen zo voor hun instandhouding. Alle leven is eindig, kortstondig. Het kan zichzelf slechts gedurende een beperkte periode in leven houden, dan is het versleten en gaat het dood, tenzij het al eerder bezweken is in de strijd om het voortbestaan. Maar het leven kan hetzelfde leven doorgeven, de soorten kunnen zich voortplanten zoals ze zijn, zodat ze zich niet opnieuw van voren af aan gedurende miljoenen jaren moeten ontwikkelen uit het nietigste beginsel. Uit de samenvoeging van twee cellen, waarin al de genetische instructies aanwezig zijn om het reeds bereikte resultaat opnieuw tot ontwikkeling te brengen, ontstaat op korte tijd een nieuw levend wezen met alle kenmerken van de soort, maar uniek in de combinatie ervan. Op enkele maanden tijd doen we in de voortplanting de evolutie van miljarden jaren over.
De hogere biologische soorten hebben zich optimaal aangepast aan hun omgeving. Ze leven relatief lang en goed, dank zij hun hersenen, een orgaan dat zich ontwikkeld heeft uit de noodzaak om te overleven in een wereld die hen niet gunstig gezind is. De strijd om in leven te blijven, zich te voeden, te beschermen en zich voort te planten heeft onze hersenen door natuurlijke selectie van toevallige mutaties gemaakt tot het fenomenale instrument dat wij nu kennen.
Wanneer wij naar de wereld kijken met al onze zintuigen, dan zien we slechts een klein gedeelte van al de bewegingen die we net beschreven hebben en vaak hebben we een verkeerde indruk. Het is niet voor niets dat men zo lang gedacht heeft dat de zon en de planeten en de sterren om de aarde draaien zoals de maan: het lijkt ook zo. Het is niet zonder reden dat de vroegste filosofen dachten dat alles aarde was, of lucht, of water, of vuur: het zag er ook zo uit, voor men instrumenten had om alles van heel dichtbij te bekijken.
Wij zijn nog altijd in het duister aan het tasten, we weten helemaal nog niet hoe de dingen precies in elkaar steken, wat de kleinste deeltjes zijn waaruit alles is samengesteld, we weten niet eens of dat één enkel fundamenteel deeltje is, zoals een atoom, dan wel een oneindig of beperkt aantal verschillende deeltjes.
Wij hebben dus vaak een verkeerde indruk, niet alleen over onze omgeving maar ook over onszelf als een onderdeel van de wereld waarin we leven. Wij spreken over onszelf en over anderen alsof we het eeuwig leven hebben, alsof we er altijd zullen zijn. Ons bestaan is vanzelfsprekend voor ons en onnoemelijk belangrijk. Wij zijn bezig met nu, met onze tijd hier op aarde, niet met de eeuwigheid die eraan voorafging noch met de eeuwigheid die er op volgt. Wij staan niet stil bij de nietigheid van ons zijn, noch bij de oneindigheid in ruimte en tijd van het universum. Als individu zijn we het centrum van dat universum, zoals men vroeger dacht dat de aarde het centrum was waaromheen alles draaide. Als bewust levend wezen staan wij met ons verstand centraal in onze omgeving, een middelpunt van waaruit we alles waarnemen en beoordelen. We zijn ook het brandpunt van de geschiedenis. Alles wat voor ons gebeurd is, draagt bij tot het huidig moment en al wat wij doen vormt mee onze toekomst. Wij bekijken alles van uit het levend weten van het hier en nu.
Maar zoals achter de schijn van de dingen een wonderbaarlijke onderliggende structuur verborgen gaat, zoals de aarde niet het centrum van de wereld is, zo is ook onze eigen centrale positie slechts een indruk die wij hebben. Wij zijn niet het middelpunt van de wereld waarin we leven. Er zijn processen die wij niet doorzien, zowel microscopisch en subatomair als op wereldschaal en universeel. Wij zetten achteloos onze GSM aan ons oor en zijn ons niet bewust van alles wat er nodig is geweest om dat mogelijk te maken, de technische en wetenschappelijke kennis, noch de economische structuren, van fabrieken in Noorwegen tot de kinderarbeid in Afrika om de delfstoffen naar boven te halen, noch de stralingen die de aarde omringen.
Wij mensen zijn de heersers over aarde, we staan op de hoogste sport van de biologische ladder. Maar we zijn niets anders dan een diersoort, behorend tot de familie van de zoogdieren. Onze onvoorstelbaar complexe hersenen zijn niet meer dan dat: een verbijsterende combinatie van miljarden hyperactieve cellen die ons toelaten om in leven te blijven. Het is de activiteit van die cellen die belangrijk is: als die er niet meer is, dan zijn wij er ook niet meer, zelfs als onze hersenen er nog zijn. Er hoeft maar een kleinigheid verkeerd te gaan in de werking van die cellen, of een kleine beschadiging op te treden, een kortstondig zuurstoftekort bijvoorbeeld, en allerlei functies raken definitief verstoord, tot we in een diepe coma wegzinken en hersendood zijn en een humane levensbeëindiging de enige oplossing is.
Wij staan er te weinig bij stil dat leven beweging is en activiteit. Alle materie beweegt in haar subatomaire kern, maar leven is een bijzondere vorm die de materie aanneemt. Het is een tijdelijke constellatie van moleculen die een specifieke zelfstandige activiteit vertoont, bovenop de beweging die in de kern van elk van de moleculen gebeurt. Levende wezens hebben als kenmerk dat ze actief zijn. Ons brein, ons verstand, ons bewustzijn is geen ding, geen tastbaar iets, geen statische toestand maar een activiteit, een gebeuren. Het is een manier van biologisch leven, het is leven. Leven is in contact zijn met de buitenwereld en dat is wat wij doen met ons brein en met ons hele lichaam. Onze hersenen zijn materie, maar ons bewustzijn is dat niet, dat is geen vaste stof maar de levende activiteit van de materie. Het is ook niets anders, zoals een geest, wat dat ook moge wezen.
Dit is een ongemeen belangrijke vaststelling, die ons kan helpen om de vele vragen te beantwoorden die de mens zich gesteld heeft in de loop van zijn geschiedenis. Het is een manier van denken die je niet vaak uitgesproken tegenkomt, maar voor mij is ze de belangrijkste van allemaal, het uitgangspunt voor alle verder denken en doen. Wanneer we ons bewustzijn, ons denken als een activiteit bekijken en niet als een ding, valt alles in de juiste plooi. Dan beseffen we bijvoorbeeld zonder enige twijfel dat het een noodzakelijk tijdelijke activiteit is, die aan haar einde komt wanneer de hersenen ophouden te functioneren.
Onze hersenactiviteit is een precair gebeuren, er kan zoveel verkeerd gaan, door fysische afwijkingen in onze hersenen maar ook door louter psychologische, dat wil zeggen door de manier waarop onze hersenactiviteit reageert op gebeurtenissen in ons leven. We zien dan ook in dat er ook geen absolute norm is waaraan een brein moet beantwoorden: er is niet zoiets als een volmaakt brein dat perfect werkt; er zijn alleen maar miljarden min of meer verschillende unieke stellen hersenen die allemaal op een of andere manier anders werken en allemaal met andere combinaties van ervaringen. We kunnen hoogstens zeggen dat iemand ‘normaal’ is als hij of zij min of meer beantwoordt aan de grootste gemene delers van wat een mens is, dat er geen essentiële kenmerken ontbreken.
Dan hebben we het niet zozeer over louter fysieke handicaps of belemmeringen, zoals bij doofheid, blindheid of lichamelijke misvormingen: niemand zal er ook maar één seconde aan denken dat iemand als Stephen Hawking niet ‘normaal’ zou zijn, dat hij ondanks zijn beperkingen geen volwaardig mens zou zijn. Essentieel voor het typisch mens-zijn is de goede werking van ons brein, binnen een zeer ruime marge van mogelijke afwijkingen.
Dat verplicht ons ook om na te denken over misdaad en straf. Waarom begaat iemand een misdaad? Studies hebben aangetoond dat genetische kenmerken zowel als omgevingsfactoren in hoge mate bepalend zijn voor ons gedrag. De hersenen van psychopaten werken niet alleen anders dan die van andere mensen, ze zien er van dichtbij ook anders uit, ze zijn anders. Zelfs als we zonder meer zouden aanvaarden dat wij persoonlijk verantwoordelijk zijn voor wat wij met onze hersenen doen (wat niet evident is), dan nog stelt zich de vraag of men ook iemand kan straffen omdat hij of zij nu eenmaal dat stel hersenen heeft, met die bepaalde en bepalende afwijkingen. Wij zijn het er al over eens dat sommige mensen niet toerekeningsvatbaar zijn voor hun daden. In het Engels spreekt men van the criminally insane, de misdadige waanzinnigen. Het zijn de mensen die niet veroordeeld worden voor misdaden die ze begaan hebben, maar geïnterneerd, hoewel dat hier in België uiteindelijk evengoed tot opsluiting in een gevangenis leidt.
Maar op welke grond beslissen we over de persoonlijke verantwoordelijkheid van een misdadiger? Enkel wanneer zijn of haar hersenen bepaalde fysieke afwijkingen vertonen? Of volstaan psychische kenmerken, die we alleen maar kunnen afleiden uit iemands gedragingen? Er kan immers zowel iets verkeerd zijn met de hersenen als met de manier waarop die werken en het is verre van duidelijk of de persoon die misdaden begaat dat doet in het volle bewustzijn van alle morele aspecten ervan en van de gevolgen voor zichzelf en voor de slachtoffers. Als wij eraan denken dat die persoon iemand is die het moet doen met de hersenen die hij of zij heeft, dat de activiteit van die hersenen sterk bepaald wordt door hun toevallige fysieke samenstelling, door genetisch bepaalde of accidentele fysieke afwijkingen en door de unieke levensgeschiedenis van elke mens, dan staan we voor levensgrote vragen in onze omgang met misdaad en straf.
Als men op een proces van iemand zegt dat het een onverbeterlijke psychopaat is, dan zouden we niet verbolgen moeten zijn en om wraak roepen, maar in feite behoorlijk medelijden moeten hebben met deze medemens, die ongewild en onbewust een zware last meedraagt in het leven. Ik ben geneigd om veel strenger te zijn voor mensen die volgens alle benaderingen en onder alle omstandigheden en alles in acht genomen volledig ‘normale’ mensen zijn, maar die desondanks toch ernstige misdaden begaan, willens en wetens. Het zal voor rechters en volksjury’s niet eenvoudig zijn om altijd het onderscheid te maken tussen deze categorieën en de vele specifieke gevallen die ertoe behoren.
Een ander voordeel van het benaderen van ons bewustzijn als een activiteit is hierin gelegen, dat de aloude vraag over het dualisme tussen lichaam en ziel zinloos wordt. Drieduizend jaar heeft de filosofie en de theologie en het grootste deel van de andere humane wetenschappen geleden onder de merkwaardige gedachte dat er ‘iets’ was dat niet materieel waarneembaar was, maar dat toch echt bestond, als was het wel materieel. Men dacht dat er naast de voor de mens tastbare wereld een andere wereld was, die wij onder normale omstandigheden niet merken, maar die er toch een indringende invloed op uitoefent. Die niet zichtbare wereld was dan bevolkt met allerlei wezens en krachten, waarmee men rekening moest houden, wou men niet in zijn ongeluk lopen. Die hogere wereld was veel belangrijker dan de zichtbare, alles werd erdoor bepaald, alles werd erdoor verklaard. Ons hele leven moest op dat hogere gericht zijn, niet op het ondermaanse, op ons korte, futiele, onwaardige leven hier op aarde, maar op God.
Daar zijn we met onze moderne opvatting over het menselijk brein als activiteit voorgoed vanaf. Er is slechts één wereld en dat is die waarin we leven en denken. Er is geen geestelijke wereld naast of boven de andere, er zijn geen geesten, er zijn alleen levende wezens die met hun hersenen een specifieke activiteit ontwikkelen, elk naargelang de eigen vermogens. Gedachten en ideeën zijn geen dingen en ook geen immateriële, geestelijke ‘dingen’ in een hogere geestelijke wereld. Het zijn activiteiten van ons brein. Zonder onze hersenactiviteit bestaan ze niet. Ze komen telkens opnieuw tot leven wanneer ergens een mens ze activeert in zijn of haar brein en ze verdwijnen onmiddellijk tijdelijk of voorgoed weer wanneer onze aandacht naar iets anders uitgaat.
De mens heeft dus geen geest, hij is ook niet ‘ergens voor een stuk’ geest of geestelijk, hij is een biologisch organisme dat denkt. Hij is letterlijk homo sapiens, een lid van de biologische soort ‘mens’ die ‘wetend’ is, of ‘kennend’. Sapiens is in het Latijn de werkwoordvorm die wij in het Nederlands het tegenwoordig deelwoord noem(d)en, naar het Franse participe présent en het Latijnse participium praesens. Het drukt een toestand van activiteit uit in het heden, nu: lopend, etend, vechtend, rustend, vrijend, verlangend, lijdend. Leven is geschiedenis, met een verleden en een toekomst, maar het is vooral en essentieel nu, wij leven altijd in het heden. Ons biologisch leven is momentaan, we leven moment na moment, altijd aanwezig, altijd present. Biologisch leven gebeurt op dat ondefinieerbare ogenblik van het nu. We beseffen dat pas goed wanneer er een einde komt aan dat leven, wanneer het nu verdwijnt voor onszelf of voor iemand uit onze omgeving. Het ene ogenblik is men nog, het volgende ogenblik is men er geweest, is men niet meer.
Grote filosofen of hun epigonen hebben een naam bedacht voor hun basisingeving, het fait primitif van hun benadering: idealisme, rationalisme, nominalisme, fenomenologie, positivisme, existentialisme, noem maar op. Sommige denkrichtingen zijn vast verbonden met hun eigen naam: de Socratische methode, het Platonisme, Epicurisme, het Thomisme, het Marxisme. Heeft mijn ‘inzicht’ recht op een eigen naam, is het origineel? Eigenlijk niet: het wordt impliciet of expliciet gedeeld door vele hedendaagse denkers en auteurs, al krijgt het niet vaak de nadruk die ik erop leg. Ik weet dus niet goed of ik er een naam moet voor bedenken. Het zou wel gemakkelijk zijn, daar dienen namen nu eenmaal voor: de naam volstaat dan om te weten waarover het gaat. Maar dan moet de naam sprekend zijn, anders zijn we even ver van huis: karelisme, daarmee weet geen mens wat ik bedoel, nu niet en over honderd jaar nog veel minder, zoveel pretentie heb ik nu ook weer niet. Een geleerde omschrijving die bestaande termen combineert, zoals monistisch humanitair naturalisme, dat zegt ook niet veel, dat moet je weer gaan uitleggen.
Ik zal het dus voortdurend met omschrijvingen moeten doen. Dus niet meer achteloos spreken over het bewustzijn, het brein, onze geest, ons verstand, ons denkvermogen, maar over onze activiteit als levende mens, met heel ons lichaam, met een eersterangs rol voor onze hersenen.
Dit lijkt evident en het is het natuurlijk ook. Maar het is een benadering die haaks staat op heel mijn opleiding en op de manier van denken die we vooral in de Westerse beschaving aantreffen. Wij zien het evidente niet meer, wij zijn teveel gevangen in de metaforen, de beelden die we gebruiken.
Het kan misschien ietwat lachwekkend lijken dat het diepste inzicht waartoe ik gekomen ben na vijfenzestig jaar leven en lezen en leren zo simpel is: de mens is een dier dat zijn hersenen gebruikt. Maar toen men Kant erop wees dat de conclusies van zijn ingewikkelde Kritieken in feite niets anders waren dan wat het gezond verstand zegt, antwoordde hij niet gepikeerd maar verheugd: al goed dat het zo is, het zou maar erg zijn als de filosofie tot conclusies zou komen die niet overeenkomen met het gezond verstand. Zo ook voor ‘mijn’ inzicht: het is evident, maar we zien het niet. Ik hoop dat ik door wat ik schrijf ertoe kan bijdragen dat we de mens en de hele wereld meer van uit dat oorspronkelijk perspectief gaan bekijken.
Ik betrap me er vaak op dat ik onoplettend in typisch christelijke termen denk en schrijf. Als ik er niet op let, zou ik af en toe zeggen, zoals mijn Moeder zaliger zo vaak deed: als ’t God belieft. Of ik spreek over de jaren die ons nog vergund zijn. Vergund door wie? We hebben het over het vele goede dat wij mogen ontvangen, de milde gaven, maar van wie? Het is moeilijk om dat altijd te vermijden. Maar op de duur gaan metaforen een eigen leven leiden, komen ze in de plaats van de werkelijkheid. Descartes was een bijzonder schrander persoon, wellicht een van de meest verstandige die er ooit geweest zijn. Maar hij was voortdurend hopeloos op zoek naar de fysieke plaats waar ons bewustzijn zich bevond en hij was ervan overtuigd dat er twee dimensies waren in het universum. Hij was heel dicht bij de waarheid, maar toch ook weer helemaal naast de kwestie. Hij had niet het voordeel van de medische en wetenschappelijke kennis van de hersenen die wij nu al hebben. Maar hij zat vooral gevangen in de Platonische en neoplatonische christelijke manier van denken, die een tweede dimensie vereist, vooral om een persoonlijke God mogelijk te maken.
De oorspronkelijke Copernicaanse revolutie betrof niet zozeer de plaats van de aarde en de zon en de planeten, die is immers niet veranderd. Copernicus heeft de zon niet in het centrum van ons stelsel geplaatst, daar was ze al de hele tijd. Het gaat enkel om de manier waarop wij ernaar kijken. Copernicus en Galilei hebben ons met andere ogen leren kijken naar dezelfde verschijnselen. Ze hebben ons geleerd dat de dingen niet noodzakelijk zijn zoals we ze zien of zoals men zegt of aanneemt dat ze zijn. Als we zelf onbevreesd en onvooringenomen durven nadenken en experimenteren en overleggen, kunnen we ontdekken hoe de dingen werkelijk zijn, of toch vaak tot een betere benadering komen, een die ons helpt om beter te leven.
De mens is een onderdeel van het biologisch leven op aarde, een zoogdier. Het is een soort die geëvolueerd is via de natuurlijke selectie van toevallige mutaties tot een uiterst schrander en handig wezen, op basis van onze specifieke lichamelijke kenmerken, vooral onze buitengewone hersenen. Wij zijn erin geslaagd zo om een dominante plaats te veroveren op aarde en ons in spectaculaire aantallen voort te planten. We hebben een materiële beschaving ontwikkeld zonder voorgaande. Als individu beleven we dat menselijk bestaan gedurende een relatief korte tijd. We ontstaan uit de bevruchting van een eicel door een zaadcel. We leven en we sterven. En dat is alles, al de rest zijn verzonnen verhalen, mooie verhalen soms, maar dikwijls ook erg misleidende, die veel onheil veroorzaakt hebben en dat nog steeds doen.
We moeten bij alles wat we denken en doen steeds die eerste en diepste waarheid over onszelf voor ogen houden. Alleen dat kan ons ervan weerhouden om minder te zijn dan het beste waartoe we in staat zijn.













