Religie en atheïsme

Een van mijn lezers is zelf ook behoorlijk actief op het internet, meer bepaald als dichter. Jacques Quekel schrijft elke dag een gedicht, behalve op zondag. Hij stuurt die met een mailtje aan zijn vrienden en kennissen. Je vindt ze ook op een Nederlandse poëziewebsite, klik hier en op zijn eigen blog, klik hier:
Dit is er eentje dat hij speciaal voor mij schreef, toen hij mijn inleiding op de retrospectieve tentoonstelling van mijn buurman Desiré had gelezen:
Een blamage,
Bij de Vernissage.
Het is uw verantwoording, maar niet wijs,
Om te spreken over god in het paradijs,
Maar ook het atheïsme te verdedigen tot elke prijs.
Maar we zullen bij leven,
Die lieve Karel het graag vergeven.
En dit stuurde hij me toe als een reactie op een artikel in de Nederlandse pers, waarbij de voorzitter van de atheïstische vereniging De Vrije Gedachte de agnosten op de korrel had genomen, met ongeveer dezelfde argumenten en bewoordingen die ik gebruikt heb in mijn recente tekst over het onderscheid tussen agnostici en atheïsten:
Atheïst
Een atheïst,
Is iemand die het religieus gevoel mist.
Maar even waardevol leeft,
Als iemand die dat gevoel van nature heeft.
Het is het gemis, dat hier beslist.
Dat gevoel is je wel of niet geven,
En kan de ander niet worden aangewreven.
Ik vind het een heel leuk versje en het is best wel diepzinnig. Maar ik ben het hier niet met Jacques eens en ik vind het belangrijk om dat duidelijk te maken, met dank aan Jacques voor de gelegenheid die hij me daartoe biedt. Laten we de kwestie eens van nabij bekijken.
Er zijn verscheidene mogelijke etymologieën voor ‘religie’. Cicero hield het op relego: her- of intensief lezen, of het nauwgezet volgen van godsdienstige voorschriften. Lactantius verwees naar religo: samenbinden, verenigen. Wie een Latijns woordenboek openslaat zal versteld staan over de verscheidenheid aan betekenissen die het woord had in de oudheid. Geen daarvan komt overeen met wat wij hier vandaag onder religie verstaan: (een van) de overheersende godsdienst(en). In Vlaanderen en in Nederland is dat het katholicisme. Maar wij weten maar al te goed dat ‘overheersend’ nog nauwelijks van toepassing is. De katholieken vormen nog slechts een zeer beperkte minderheid en de kerkelijke praktijk is tot bijna niets teruggelopen. Bovendien zijn de meningen binnen de kerk(en) zo verdeeld dat men geredelijk mag zeggen: tot capita, tot sensus, zoveel hoofden, zoveel zinnen. Godsdienst is in ruime mate een persoonlijke zaak, niemand laat zich opleggen wat hij of zij moet geloven. De meeste gelovigen weten overigens vrijwel niets over het officiële geloof, de dogma’s; hun geloof is vooral een traditie, enkele rituele overblijfsels, een taalgebruik. Ondervraagd over hun diepere gevoelens en overtuigingen, blijven zij het antwoord schuldig of geven blijk van een verregaand secularisme.
Religie is vanzelfsprekend veel ouder en veel ruimer dan het christendom.
Het christendom is slechts één specifieke vorm die religie heeft aangenomen in de geschiedenis. Dat christendom is zelf is overigens uiterst verscheiden: hedendaagse westerse katholieken of protestanten hebben nog nauwelijks iets gemeen met de eerste christengemeenten uit Paulus’ tijd, met kerkvaders als Augustinus, met scholastieke denkers als Thomas Aquinas, met fanatieke hervormers als Luther en zijn bestrijders zoals Philips II van Spanje, met de inquisitoren en de contrareformatie, met de triomfalistische kerk van het 19de en vroeg-twintigste-eeuwse katholicisme of met de gewone gelovigen uit deze perioden uit de kerkgeschiedenis. Er is dus niet één christendom, maar een veelheid van kerken en bewegingen, met daarbinnen nog talrijke officieel afwijkende meningen, nog los van het persoonlijk geloof van de individuele gelovige.
Maar er is in de wereld veel meer godsdienst dan het christendom alleen, zowel vroeger als nu. Er zijn andere wereldgodsdiensten zoals het Boeddhisme, het Taoïsme, het Hindoeïsme, het Judaïsme, om maar de grootste te noemen. Er zijn wereldgodsdiensten geweest die ondertussen volledig verdwenen zijn, zoals die van de Egyptenaren en de Oosterse volkeren van de oudheid, van de Grieken en de Romeinen, van de Germanen, maar ook van de andere continenten, Afrika, de Amerika’s, Azië, Oceanië, elk in bonte verscheidenheid en sterk evoluerend in de tijd.
Het zou dus een ernstige denkfout zijn om religie te beperken tot een momentopname op één geografische plaats, ook als dat ons moment en onze plaats is. Men kan dus wel zeggen dat iemand nu niet katholiek is, maar daarmee is nog niets gezegd over zijn of haar religiositeit. Men kan duizend andere dingen zijn dan rooms-katholiek en nog steeds zeer religieus. Ik denk dat dit wel zeer duidelijk is.
Een vraag die men vandaag steeds vaker stelt is deze: bestaat er een religieus atheïsme? Is dat überhaupt denkbaar of mogelijk?
Het is goed dat we heel duidelijk afspreken wat we met de beide termen bedoelen. Als religie inhoudt dat men aanvaardt dat er een persoonlijke God is die boven de wereld verheven is en die ingrijpt op die wereld en op alles wat erop leeft, dan kan men onmogelijk spreken van een religieus atheïsme, dan hebben we te maken met een contradictio in terminis. Ook dat is duidelijk. Maar in het voorgaande hebben we vastgesteld dat religie helemaal niet hoeft te betekenen, noch ooit uitsluitend betekend heeft dat men gelooft in één transcendente, almachtige en algoede God. We kunnen dus hoogstens stellen dat men niet tegelijk rooms-katholiek en atheïst kan zijn.
Voor andere godsdiensten is dat al veel moeilijker: er is een vrijzinnig protestantisme en idem judaïsme. De oosterse godsdiensten kennen evenmin de roomse persoonlijke God, zodat het niet per se ondenkbaar is dat bijvoorbeeld een Zen-boeddhist of een Hindoeïst zich ook atheïst noemt.
We moeten, dat is wel overduidelijk, een andere, ruimere betekenis geven aan de term ‘religieus’. We moeten terug naar de bron, naar het religieuze aanvoelen, het religieuze vermogen van de mens dat ten grondslag ligt aan de onvoorstelbare diversiteit van de concrete menselijke religiositeit. Dat betekent tevens dat we de gevestigde kerken het a priori monopolie ontzeggen op religie. Wij moeten integendeel nagaan in hoeverre zij nog religieus kunnen genoemd worden, in welke mate zij trouw gebleven zijn aan hun oorspronkelijke religieuze inspiratie en aan de historisch onmiskenbare menselijke behoefte aan religie. Dan zal blijken dat georganiseerde godsdienst er vrijwel nooit in slaagt om zich te onttrekken aan de verleidingen van de wereldse macht. Vooral de rooms-katholieke kerk heeft zich daaraan op een ontstellende manier schuldig gemaakt. Dat heeft in de loop van haar geschiedenis geleid tot talloze hervormingsbewegingen en schisma’s, tot een virulent intellectueel en maatschappelijk antiklerikalisme en uiteindelijk tot haar definitieve ondergang als wereldgodsdienst in het Westen. Rome is ten onder gegaan aan het eigen schrijnend gebrek aan oprechte religiositeit, niet aan onverschilligheid of ten gevolge van de verleidingen of de inspanningen van het atheïsme.

Er is vandaag een duidelijke herleving merkbaar van de
behoefte aan religie. Men heeft zich afgekeerd van de kerk als machtsinstrument
en van de godsidee en dus is men onkerkelijk en zelfs antiklerikaal enerzijds
en atheïst anderzijds. Maar daarmee is men nog niet a-religieus. De geschiedenis,
de filosofie, de antropologie, de sociologie en de psychologie, om nog te
zwijgen over de studie van de letteren en de kunst, leren ons dat de mens een
religieus wezen is en dat wij dat uiten op alle mogelijke manieren. Religie beantwoordt
wel degelijk aan een diepmenselijke behoefte.
Eenmaal we dat hebben vastgesteld, rijst de vraag hoe religie dat kan doen. Het is meteen duidelijk dat dit niet op een eenvormige manier kan gebeuren. Dat is precies de vergissing die onder meer Rome gemaakt heeft. Religie is niet onder één potsierlijke rode saturno-hoed of tiara te vangen. Er is niet één antwoord op de hunkering naar zingeving en naar samenhorigheid, net zo min als er één norm is voor kunst, schoonheid, of liefde. Voor de ene persoon zal religie een zeer persoonlijke kwestie zijn, een individuele levenshouding die zich uit op eigenzinnige, soms zelfs erg bizarre manieren. Voor anderen is vooral het samen met anderen ritueel beleven van de eigen overtuigingen en emoties van belang. Je hebt eenzame langeafstandslopers en je hebt luidruchtige voetbalfans.
Weinigen voelen zich nog goed in een traditionele kerk of gemeenschap. Maar even zeldzaam zijn degenen die het kunnen stellen zonder een of andere vorm van persoonlijke inkeer en bezinning of van gezamenlijke viering.
Atheïsme staat religie niet in de weg. Het is zeer goed mogelijk of zelfs waarschijnlijk dat men van uit een overtuigd atheïsme terugkeert naar de diepste grond van het religieus aanvoelen dat de mens kenmerkt. Ik althans ben ervan overtuigd ik wel zonder God kan, maar niet zonder een welbegrepen religie. Als atheïst heb ik een wereldbeeld dat me onvermijdelijk aanzet tot ontzag en dankbaarheid voor het leven in een universum dat me ver overstijgt in tijd en ruimte, maar waarin ik me thuis weet. Het is niet omdat ik niet geloof dat er een persoonlijke God is, dat het Al mij niet zou raken. Het is niet omdat ik niet meega in de versleten mythologieën van de ene of de andere godsdienst dat ik geen behoefte heb aan zingeving. Het is niet omdat ik geen goddelijk verordende en door een hautaine kerk verkondigde moraal aanvaard, dat ik geen nood heb aan een ethiek die me helpt te leven in respect en zelfs liefde voor de anderen, samen met het andere leven op deze rijke maar kwetsbare aarde.
We bevinden ons op een keerpunt. Dat is een gemeenplaats, ik weet het, er is nooit een moment geweest waarop niet ergens iemand zich liet verleiden tot deze vaststelling. Maar wij zien vandaag toch dat de traditionele kerken een ongelooflijk zware en misschien wel definitieve crisis doormaken. De kerkelijke praktijk is vooral in de landen van haar oorsprong zo goed als uitgestorven. Maar heel wat mensen, zowel eenvoudige gelovigen als overtuigde ongelovigen zijn ernstig op zoek naar alternatieven. Ze kunnen zich niet meer vinden in de oude verhalen en mythologieën waaraan de kerken zich wanhopig blijven vastklampen in een valse hoop op een herleving, terwijl ze precies daardoor de schapen de wildernis injagen die hen zijn toevertrouwd. Het zoeken van de moderne mens naar een individuele of collectieve invulling van de vraag naar zingeving lijkt echter veeleer een veertigjarig zwerven in de woestijn. Wij hebben geen behoefte aan een nieuwe Mozes, noch aan wetten die door God zelve in steen gebeiteld zijn. Wij wensen zeker niemand te verdrijven uit enig land van melk en honing om daarvan dan zelf na-ijverig en exclusief bezit te nemen.
Maar dat wij allen vertwijfeld op zoek zijn naar een land ‘waar rust ons hart verblijdt’ (Tolkien), daar ben ik zeker van.











