
Wie mij een beetje gevolgd heeft sinds ik hier begon te schrijven in januari 2006, toen ik op pensioen ging, zoals men zegt, heeft een zekere evolutie kunnen meemaken in mijn levensbeschouwelijke teksten. Ik was toen al een jaartje of zo halftijds aan het werken, kwestie van de overgang naar het rentenieren niet te bruusk te maken. Dat gaf me plots veel meer vrije tijd die om zinvolle opvulling vroeg. Ik heb mijn hele leven boeken verzameld, meestal klassiekers, precies in het vooruitzicht van ooit tijd te hebben om ze te lezen en wat kan je vooral tijdens de wintermaanden beter doen?
Ik ben dan begonnen, naast wat meer ontspannende dingen om er weer in te komen, met een aantal werken over religie in het algemeen en over de joodse en de christelijke godsdienst in het bijzonder. Ik wou er het fijne van weten, ik kon me niet tevreden stellen met wat ik me herinnerde uit de godsdienstlessen, vijftig jaar tevoren en de vage informatie die een mens oppikt uit een occasioneel boek of een artikel in een tijdschrift. Ik heb dertig jaar van mijn leven doorgebracht, als administratief secretaris, in de Leuvense Faculteit der Godgeleerdheid en ook dat had me een zekere vertrouwdheid bijgebracht met de christelijke leer, maar veel te oppervlakkig om goed te zijn.
Een eerste moeilijkheid was het vinden van de juiste bronnen. Iemand die zich wil verdiepen in het katholicisme heeft het voorwaar niet gemakkelijk: er is geen officieel basiswerk, geen catechismus of toch geen die bruikbaar is voor een moderne lezer; er is ook geen website waar je terecht kan voor de fundamentele gegevens. Er zijn een aantal theologen, sommigen controversieel zoals Schillebeeckx, Küng en ook anderen, zoals Antoon Vergote, Jan Walgrave, Albert Dondeyne en van hen heb ik toen een en ander gelezen. Sommige werken waren verouderd en daardoor nauwelijks overtuigend, soms zelfs ronduit onleesbaar omdat ze vertrokken van een wereldbeeld dat totaal voorbijgestreefd was en van een geloof dat niet meer bestond in de praktijk. Er is na de Tweede Wereldoorlog veel veranderd in onze wereld.
Al wat ik las veronderstelde al wat ik zocht, namelijk een gelovige houding. Waarom je gelovig zou zijn werd niet verduidelijkt en wat dat precies was, daarover bleek veel onenigheid te bestaan. Hoe meer ik me erin verdiepte, hoe meer het me duidelijk werd dat ik daar niets meer te zoeken had. De zeer sterke geloofstwijfels van mijn prille jeugd kregen hun bevestiging in de teleurstellende antwoorden op mijn oprechte vragen naar verduidelijking. Ook enkele ontmoetingen en briefwisseling met gelovigen bevestigden de noodzaak om gans andere paden te betreden.
Stilaan ging ik dan uitkijken naar mensen die zoals ik, vanuit de zelfde twijfels en de zelfde afwijzing van de al te traditionele antwoorden van Bijbel en kerk hun ontevredenheid en ongenoegen hadden geuit en die bleken er genoeg te zijn, tot mijn verrassing, en niet van de minste. Door de geschiedenis heen heb je niet alleen steeds afwijkende opinies gehad binnen de kerk, maar ook mensen die zich tegen de kerk en zelfs tegen de religie in het algemeen verzetten. Zij kozen niet de weg van de minste weerstand, in tegendeel. Ze stierven niet zelden in de vervolging die hun deel werd, ironisch genoeg net zoals de eerste christenen de marteldood vonden in het Romeinse Rijk. Meer en meer ging mijn aandacht, belangstelling en sympathie naar deze fascinerende figuren, die zich vanuit hun overtuiging verzetten tegen de gevestigde opvattingen en die, zoals Copernicus voor het zonnestelsel, pleitten voor een radicale ommekeer: er is geen God!
Ik bleek overigens niet de enige te zijn die in deze tijd met dergelijke gedachten rondliep. Er blijken volop auteurs te zijn, niet alleen uit het verleden en nog zeer goed leesbaar, maar ook hedendaagse, die de moed hadden hun ongeloof uit te spreken en te schrijven op een eerlijke, wetenschappelijk verantwoorde manier en bovendien in een meesterlijk boeiende stijl. Voor mij en voor tientallen miljoenen anderen overal ter wereld was Richard Dawkins’ The God Delusion een hart onder de riem (of een riem onder het hart, beide zijn mogelijk). Sindsdien heb ik nog heel wat dergelijke werken gevonden, gelezen en hier besproken en er zijn er nog meer die klaarliggen.
Het zwaar onderkoeld geloof van mijn volwassen jaren, dat eigenlijk een verregaande en misprijzende onverschilligheid was, of zelfs een nauwelijks verholen ongeloof (het leek me ongepast om, in mijn specifieke situatie aan de Theologische Faculteit en later in de centrale administratie de Katholieke Universiteit te Leuven, dat geloof expliciet in twijfel te trekken of de kerk heviger aan te vallen dan binnen de kerk zelf gebruikelijk is), dat ongeloof werd gaandeweg een manifeste zekerheid.
Het afscheid van de kerk en van het geloof van mijn vaderen (en van mijn Moeder!) valt me nog steeds zwaar: het gaat in tegen mijn hele opvoeding, mijn hele professionele loopbaan. Ik keer mij tegen vele vrienden, vertrouwden en kennissen en ook in mijn familiekring was niet iedereen opgetogen over mijn afkering (het omgekeerde van bekering). Ook een van mijn trouwste lezers haakte onlangs af: hij wou mijn vurig antiklerikale en atheïstische teksten niet meer lezen. Ik heb me vaak pijnlijk eenzaam gevoeld, met enkel de auteurs die ik las als bemoediging. Afscheid nemen is emotioneel een onnoembaar belastende bezigheid voor een mens. Het kostte me af en toe wel moeite om in de nieuw ingeslagen richting door te gaan, maar ik was en blijf ervan overtuigd dat ik op de rechte weg was, daaraan heb ik enkel in de donkerste uren getwijfeld.
Gelukkig is zelfs het meest pijnlijke afscheid niet zelden tevens een nieuw begin. In de ‘ongelovige’ boeken die ik las, leek alles zoveel beter op zijn plaats te vallen dan in welk religieus werk ook. De atheïstische wereldopvatting is helder en klaar, overtuigt zonder moeite, is vanzelfsprekend en bovendien zonder enig probleem en zonder lastige uitzonderingen te verzoenen met de wetenschap. De onnodig duistere en gecompliceerde theologie, de al te wereldse kerk maakten plaats voor een frisse aanpak, een Nieuwe Tijd, voor mezelf en voor de wereld; de droom van de talloze vrijzinnigen uit onze geschiedenis is bezig zich te realiseren.
Het is één ding om in te zien dat de hele christelijke constructie die onze beschaving en onze levens zo getekend heeft, een grote vergissing is. Eens je bewust die stap hebt gezet en ook andere, niet-christelijke religies als alternatief hebt verworpen, blijf je toch enigszins met lege handen achter. Je hebt schoon schip gemaakt, een beeldenstorm gehouden, de kooplieden uit je tempel gejaagd en ook een aantal duivels bezworen en uitgedreven. Wat overblijft, geeft een gevoel van leegte, als wanneer je in een nieuw huis gaat wonen: het is onwennig leeg. Maar dan ontdek je dat je het kan en moet en wil aankleden, het tot jouw thuis maken. Sommige van je oude meubels blijken er te passen, je zoekt een plaats voor je boeken en je bed en ook een deel van je niet te oude kleren passen nog.
Er is leven na het christendom, een toekomst zonder te geloven. Maar het is geen gemakkelijke weg. Uitgesproken ongelovigen, atheïsten, vrijzinnigen, humanisten, naturalisten, leken of hoe je ze ook wil noemen, zijn nog niet talrijk. Niet iedereen die zich de facto heeft afgewend van het geloof is daarom een overtuigd vrijdenker en nog veel minder lid van een vrijzinnige vereniging. Mijn toenaderingen tot dergelijke verenigingen in eigen streek waren ronduit teleurstellend. Blijkbaar voelen heel weinig vrijzinnigen de nood aan een gemeenschapsleven of zelfs maar ontmoetingen met gelijkgezinden. Misschien hebben ze ook moeite om elkaar te vinden.
Als vrijzinnige hoef je ook niet alles te verwerpen, natuurlijk, je gaat niet plots op de maan gaan wonen. Er is enorm veel in onze beschaving dat perfect past in een ongelovige levensopvatting, ook al omdat niet al het religieuze ook kerkelijk is en niet al het artistieke religieus. Ik luister nu niet minder graag naar de muziek van Bach, al moet ik bekennen dat sommige teksten, ook uit de Passies, nu ik ze misschien aandachtiger beluister, me wel meer afstoten dan vroeger, al heb ik ze altijd al te piëtistisch of zelfs gewoon flauw gevonden, zoals de meeste mensen die van Bach houden, trouwens.
Het is ook niet zo dat, zoals veel misleide of kwaadwillige christenen denken en zonder enige grond (blijven) beweren, als je de kerk verlaat, je meteen een baarlijke duivel bent, een libertijn, zonder moraal, een ongebreidelde levensgenieter, een seksuele veelvraat, een zorgeloze hedonist, een ongemitigeerde egoïst. Ook zonder God en gebod is het leven geen duiveltjeskermis. Mijn eigen levensstijl heeft alvast geen noemenswaardige wijzigingen ondergaan, ik ben helemaal niet anders gaan leven, alleen anders gaan denken. Ik heb nu andere redenen om te doen en te laten wat ik al deed en liet en ik voel niet onmiddellijk de nood om heel andere dingen te gaan doen.
In die context ben ik me beginnen afvragen of er wel een uitgesproken vrijzinnige levenshouding is, een uitgebouwd alternatief voor de christelijke. Dat bracht me bij enkele publicaties uit de wereld van het vrijzinnig humanisme. Een eerste werk, van de hand van de huidige voorzitter van de overkoepelende Humanistisch Vrijzinnige Vereniging, besprak ik hier onlangs: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=298185. Verder dankbaar gebruik makend van de ruime handbibliotheek - en van het vriendelijk onthaal - van het Leuvense Provinciaal Centrum voor Morele Dienstverlening, las ik van de onlangs overleden Jaap Kruithof Het Humanisme, 279 blz., EPO, 2001. De volledige ondertitel luidt: Over de klassieke erfenis, de interne verdeeldheid, de toets van de praktijk en de actuele waardencrisis. Deze uitvoerige opsomming had nog heel wat langer kunnen zijn, want dit is een werk dat bijzonder wijdlopig en breed van opzet is. In zijn bekende, beurtelings badinerende, combattieve en scherp analyserende stijl pakt Kruithof zo ongeveer alles aan wat je, hetzij van uit een historisch, hetzij van uit de hedendaagse actualiteit ook maar enigszins met humanisme in de ruimste betekenis van het woord in verband kan brengen. Dat is op zich interessant en echt ook wel heel vlot leesbaar, maar af en toe is de borstel waarmee de auteur verft zo dik (en de verf zo dun), dat er maar een heel vage schets geboden wordt van wat de bedoeling is, de rest moet je er zelf bij denken of opzoeken, maar dat laatste is sterk bemoeilijkt door het ontbreken van enige bibliografie, naar mijn aanvoelen een must voor een zo algemene inleiding, en door de aanwezigheid van slechts de aller-noodzakelijkste maar even weinig nuttige voetnoten. Dit is blijkbaar een ruim verzamelwerk, waarin de auteur oudere thema’s opnieuw verwerkt heeft, aangevuld met wat erg op cursusnotities en materiaal voor lezingen lijkt. Af en toe is de toon en stijl dan weer veeleer wetenschappelijk, waarbij het discours van de oorspronkelijke auteur door het commentaar van Kruithof heen schijnt; zeker daar mis je de concrete verwijzingen zeer nadrukkelijk.
Van een gans andere aard is Christian Van Kerckhove (ed.), Grondslagen Vrijzinnig Humanisme, 275 blz., met bijdragen van Leo Apostel, Dirk Batens, Hubert Dethier, Jean Paul Van Bendeghem, Rudolph Boehm, Eddy Borms, Willy Coolsaet en Koen Raes: zowat de fine fleur van de vrijzinnige academici in Vlaanderen. In de inleiding stelt de editor dat men niet heeft getracht om de bijdragen in een strak verband te brengen: elkeen kreeg de vrije hand, zowel qua inhoud als naar opzet en stijl, om zijn (er zijn geen dames aan het woord gelaten…) eigen inzichten in wat humanisme is of zou moeten zijn naar voren te brengen. Dat lijkt meer een toegeving van redactionele onmacht dan een verdienste van de gehanteerde methode. De verscheidenheid heeft haar charmes, die echter niet opwegen tegen de nadelen van een wel erg heterocliete verzameling (dit woord dat we rechtstreeks uit het Grieks of via het Frans hebben overgenomen, betekent letterlijk: anders verbogen en komt dus uit de spraakkunst. In het Grieks heb je woorden die normaal verbogen zijn, zoals boulè, ‘raad’, genitief boulès; er zijn ook andere, zoals gynè, ‘vrouw’, genitief niet gynès maar gynaikos. In het Nederlands heb je dat ook: lui, meervoud lieden. Heterocliet betekent nu: zeer verscheiden van aard, niet bij elkaar passend, ongelijksoortig.)
Ik heb zeer genoten van ten minste twee bijdragen. De ene, van Dirk Batens, is zoals de titel zegt een kennistheoretisch pleidooi, maar laat die titel geen lezer afschrikken, want wat volgt is een uiterst helder geschreven uiteenzetting van het vrijzinnig standpunt over het verwerven van kennis en inzicht en van de humanistische wereldbeschouwing. Wie afstand gedaan heeft van elke kennis die gesteund is op openbaring of dogmatische gezagsargumenten, is aangewezen op andere instrumenten en dat kan, naar de aloude traditie van onze westerse beschaving, niets anders zijn dan de rede, de rationaliteit. De auteur zuivert deze begrippen uit en verruimt ze tegelijk, vult ze grondig aan met elementen uit onze intellectuele erfenis, zodat we een zeer aannemelijk beeld krijgen van een evenwichtige menselijke denk- en handelswijze. Batens stelt herhaaldelijk dat vrijzinnigheid geen volledige uitgebouwde levensbeschouwing is, maar een kennistheoretisch standpunt; wie dat ‘redelijk’ vrijzinnig standpunt inneemt, kan en zal van mening verschillen met anderen die dat standpunt delen, over ‘hun mensbeeld, hun visie op een rechtvaardige maatschappij, hun kijk op de structuur van de kosmos, hun opvatting over de zin van het leven, het bestaan van een godheid, hun morele principes, en vele andere punten’.
Voor mensen zoals ik, opgevoed binnenin een piramidaal opgebouwde hiërarchische gezagsstructuur die zich uitspreekt over alle aspecten van het menselijk bestaan, wat ervoor komt en wat erna, is dat even slikken: neen, er is geen hapklaar alternatief voor het christendom, geen andere jas om aan te trekken tegen de existentiële kou… Maar de auteur leidt de vrijzinnige neofiet feilloos naar de kern van de zaak, van waaruit hij of zij zich verder kan verdiepen in concrete dan wel algemene aspecten van een correcte vrijzinnige levensbeschouwing. Hij geeft ook duidelijke maar respectvolle argumenten tegen theïstische alternatieven. Vrijzinnigheid kan noch mag een vorm van lekenreligie zijn: het dwingt de mens steeds tot originaliteit, tot autonoom en kritisch denken, tot het blijvend en radicaal afwijzen van elk gezagsargument. ‘Er zijn vandaag geen degelijk uitgewerkte wereldbeelden. De meeste mensen hanteren een impliciet wereldbeeld en een oppervlakkig expliciet wereldbeeld. … Mensen hollen door het leven, bezeten door kortetermijndoelen, nemen niet de tijd daarover na te denken’, maken zichzelf en elkaar meestal iets wijs en gedragen zich allerminst zoals het hoort. ‘Vrijzinnigen zijn niet zomaar nog een ander ideologisch groepje. Zij zijn de mensen die, over individuele wereldbeschouwelijke invullingen heen, de rationaliteit verdedigen. … De hoofdbekommernis moet blijven de maatschappij te veranderen in een maatschappij die beter is met betrekking tot kennis, rechtvaardigheid, moraliteit en schoonheid; een maatschappij waarin mensen (en groepen van mensen) de vorming en de middelen en de psychologische (sociologische) eigenschappen hebben die hen toelaat vrij te denken, autonoom hun leven in te richten, en zo bij te dragen tot een betere wereld.’
Zo mag ik het horen. Chapeau!
Even briljant is het laatste artikel van deze verzameling; het is geschreven door Koen Raes (foto): Een politieke ethiek voor het vrijzinnig humanisme. Zelden heb ik, binnen het bestek van nauwelijks veertig bladzijden, zoveel bijgeleerd over een zo belangrijk onderwerp. Wat is immers de vraag? Indien, zoals Batens ons leerde, het vrijzinnig standpunt enkel een methode biedt, geen uitgewerkte moraal, dan mag ook het samenlevingsmodel van de mensen niet uitgaan, zoals dat in een christelijke gemeenschap het geval is, van een geheel van geboden en verboden die hun oorsprong vinden buiten de (individuele) mens zelf, in een Openbaring, een Heilige Schrift, een kerkelijke hiërarchie, een dogmatische leer. Met verve schildert Raes wat hij noemt de ‘neutrale en rechtvaardige sociale rechtsstaat: zijn historische wortels; de scheiding tussen het publieke en private; de opvattingen van ‘het goede’ en rechtvaardigheid; sociaal-economische en levensbeschouwelijke neutraliteit; de grondslagen van een seculier politiek gezag; mogelijke kritiek op neutraliteit en formalisme; waarheid en respect; de bedreigingen van het neutraliteitsbeginsel. Een tweede luik gaat uitvoerig en zeer concreet in op de tolerantienorm: de verschillen tussen verklaren, begrijpen, verantwoorden en verdragen; moreel en ethisch waarderen; permissiviteit, onverschilligheid en ‘gedogen’; tolerantie en reciprociteit; tolerantie en persoonlijke vrijheid; tolerantie, groepsrechten en dwang. Ten slotte behandelt hij de ethiek van het goede leven; het neutrale kader dat de staat biedt moet immers ook een invulling krijgen, ook voor vrijzinnigen, mensen die ‘vrij’ hun keuzes maken uit vele mogelijkheden. Hij spreekt over vrijheid en anti-paternalisme of wie doet de keuze? en vervolgens over objectivisme: wat wordt gekozen als ethisch relevant gegeven?
Dit is niet alleen heel erg belangrijk materiaal, dat thuishoort in elke schoolse opleiding, van het lager onderwijs tot de universiteit, maar ook in elke huiskamer, vrijzinnig of niet: dit kan je niet negeren, dit mag je niet missen! Bovendien schrijft Raes als een meester: ernstig, waardig, maar nooit ver weg van de realiteit, van het menselijk aanvoelen; dit is een verademing…
Er is zin in het leven na het christendom!