Geweld


Geweld. Het is een vast onderdeel van ons leven, gelukkig meestal op veilige afstand, als een fait divers in het nieuws of een duidingprogramma. Soms komt het angstwekkend dichtbij: het huis van de buurman dat afbrandt, een kennis die omkomt in een brutale aanrijding, de zelfdoding van een kind. Soms duikt agressie op waar men het niet verwacht, zoals op de aandeelhoudersvergadering van onze grootste bank, waar beschaafde mensen menen dat ze met fysiek geweld iets kunnen bereiken dat ze met legale middelen niet konden gedaan krijgen.
In onze maatschappij is geweld vrijwel steeds verdrongen naar de marginaliteit. Wij hebben als burgers sinds eeuwen het recht op fysiek verzet tegen onrecht afgestaan aan de staat, die het monopolie van het geweld heeft gekregen. Het leger zorgt – in principe – voor onze nationale veiligheid, de politie voor de binnenlandse. Als een buur ons te na komt, dan treden wij niet zelf op, maar vertrouwen erop dat de gevestigde macht dat voor ons doet, dat zij, desnoods met geweld, onze rechten herstelt. Dat is een van de belangrijkste verworvenheden van de beschaving.
Geweld hoort niet thuis in de normale omgang. Wie zich er toch schuldig aan maakt, plaatst zich in de marge van de samenleving, in de criminaliteit. Gewelddadig optreden, door criminelen of door op hol geslagen burgers en zelfs door het leger of de ordetroepen, aanzien we als de meest schokkende misdaden, ze halen steeds de voorpagina van de krant en vormen de hoofdpunten van het nieuws. Hoe meer slachtoffers, hoe meer bloed, hoe hoger de sensatiescore. Een land waar men het recht in eigen handen neemt, beschouwen we niet eens als een land, maar als een schurkenstaat: Somalië, Afghanistan, Jemen, Noord-Korea… Een land dat zijn burgers niet onder controle heeft, is een misprezen bananenrepubliek.
Dat wil niet zeggen dat alle geweld verdwenen is uit onze leefwereld. Je ontmoet het elke dag, op een min of meer subtiele wijze. Mensen gaan met elkaar om op een nogal agressieve manier. We manifesteren ons tegenover anderen, we eisen onze plek onder de zon op, ons territorium, ons eigenbelang. We zijn dominant, we staan op onze rechten, vermeende of echte. We laten ons niet doen. En aangezien we allemaal zo zijn, al was het maar een beetje, ervaren we de anderen als agressief: de jongelui met hun rugzakken en roltassen die ons hinderen op de bus; de wielertoeristen die de hele breedte van de weg innemen of met zijn tweeën weigeren op het fietspad te rijden; de chauffeur van de hip getunede wagen of donker dreigende SUV die je bijna van de baan rijdt; de slecht gezinde baas die zijn frustraties op zijn of haar personeel uitwerkt; de collega die maar al te vaak ziek is en zich ook anders aan zijn of haar taken onttrekt; of gewoon maar die andere man of vrouw die tegen je aanloopt op straat omdat je niet tijdig uitwijkt.
We hebben het geweld geritualiseerd, vooral in de sport (voor de etymologie van dit in de grond vreemde woord klik je hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=111). De Romeinse keizers wisten het al: het plebs, het volk kon je maar tevreden houden met panem et circenses, gratis uitgedeeld brood en bloeddorstige spelen in de arena. In de sport vechten we met onszelf of met anderen. Nog een stapje verder is het oxymoron ‘kijksport’. Een oxymoron, van Gr. oxys (scherp, puntig) en moros (dom, dul), is een stijlfiguur waarin twee tegengestelde woorden of begrippen naast elkaar staan, zoals ‘zwarte sneeuw’ of een ‘eerlijke politieker’ of een korte blog van Karel; het woord zelf is daar een voorbeeld van. Kijken is niet aan sport doen, kijksport is geen sport maar kijken. Als we naar ‘vechten’ gaan kijken, dan vechten we niet zelf, maar sympathiseren met een van de ‘vechtende’ partijen. Niet zelden mondt dat uit in gewelddadige confrontaties tussen aanhangers van de betrokken sportploegen. Voor heel wat sportfans (fan staat voor fanatiek, natuurlijk) gaat het veel minder om de kijksport dan om de agressieve gevoelens die bij de botsing tussen ploegen naar boven komen.
Al wat leeft, staat in conflict met zijn omgeving. Het enige wat een levende cel wil, is twee cellen zijn. Als je niet eet, kom je om. Stilstaan is achteruitgaan. De aanval is de beste verdediging. De grote vis eet de kleine op. Homo homini lupus. Om in leven te blijven, moeten we ander leven doden, met stenen kunnen we ons niet voeden, ook granen zijn leven, lieve vegetariërs en veganisten. Die basishouding zit in onze genen, we dragen onze evolutie van drie miljard jaar met ons mee, onverbiddelijk. In een moderne maatschappij moeten we niet meer vechten voor een prooi, we kijken er naar in spectaculaire documentaires, gefilmd in verre natuurreservaten. Maar de mens zoekt en vindt wel uitlaatkleppen voor zijn agressiviteit.
Heeft zelfs een pacifist als Obama dat beter begrepen dan zijn achterban of zijn verdwaasde Europese bewonderaars? Weet hij dat er een gedeelte van elke bevolking nood heeft aan actieve geweldbeoefening? Is het die waarheid die ook een simplicissimus als onze minister van oorlog voor ogen heeft als hij ‘onze jongens’ (veel ouder dan jongens zijn ze niet) naar Afghanistan stuurt? Is dat wat de leiders van het islamistische terrorisme weten?
In het ontstellend verhelderende boek van Barbara Tuchman, The Calamitous 14th Century(klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=340) beschrijft de auteur op indringende wijze hoe rondtrekkende benden huurlingen een eeuw lang Europa tot een ware hel maakten. In dergelijke omstandigheden, in oorlogstijd en in periodes of streken waar wetteloosheid heerst, zijn het de agressievelingen, de geweldenaars, de overweldigers die de bovenhand halen. Zoals de evolutionaire psychologie en de sociobiologie (eigenlijk is dat hetzelfde) zo helder aangetoond hebben, is agressiviteit in een beschaafde samenleving een minpunt. Wie zijn omgeving niet respecteert, wordt uitgestoten; wie moordt, brandt steelt en verkracht, heeft minder kansen om zich voort te planten. De geschiedenis van het mensdom bewijst dat samenwerking, compromis, de zorg voor de eigen kinderen, het respect voor de persoon en het eigendom van anderen een voordeel zijn: individuen die zich daardoor laten inspireren, maatschappijen die dergelijke regels opleggen en onderhouden, hebben een evolutionair voordeel, zij hebben meer kansen om te overleven en zich voort te planten, uit te breiden. Niet zo voor de roofridders en de woestelingen die rondtrokken in de 14de eeuw of hun soortgenoten uit onze tijd, zoals de Afrikaanse genocidaire bendes, de Latijns-Amerikaanse druggebonden doodseskaders: zij konden en kunnen overleven en gedijen door te stelen en te verkrachten wat ze op hun weg vonden. Tot de rest van de maatschappij er genoeg van heeft. Dan worden de benden naar andere streken gezonden of gelokt, of uitgemoord door andere benden of door het geregeld leger, of cynisch geïntegreerd in dat leger.
Van een echt vredelievend mens zegt men: hij zou nog geen vlieg kwaad doen.
Tot welke groep wil jij behoren?
Naschrift
Ik schreef deze woorden op het ogenblik zelf van de gebeurtenissen in Apeldoorn. Geweld ontziet niets of niemand. We weten niet of het gaat om een zorgvuldig geplande kwaadwillige aanslag of een wanhoopsdaad van een gefrustreerde enkeling. Overweldigende emoties hebben van een mens een niets ontziende moordenaar gemaakt. De keuze van de dader ging duidelijk naar een gebeurtenis waarbij de media-aandacht verzekerd was. Dat is de wereld waarin wij nu leven. We zijn nergens meer helemaal veilig, niemand.




















