Rik Pinxten: de strepen van de zebra


Rik Pinxten, De strepen van de zebra. Voor een strijdend vrijzinnig humanisme, 220 blz., Houtekiet, 2007
De auteur (°1947) is sinds 2003 voorzitter van de Humanistisch Vrijzinnige Vereniging van Vlaanderen (HVV) en gewoon hoogleraar antropologie en religiestudies aan de Universiteit Gent. De tekst is de neerslag van de lessenreeks die hij tijdens het academiejaar 2006-7 aan de Vrije Universiteit Brussel verzorgde in het kader van de Leerstoel Willy Callewaert. Het is dan ook een levendige tekst, die op vele plaatsten de sporen draagt van het geëngageerd gesproken woord.
Inhoudelijk is het een ambitieuze poging om op zoek te gaan naar de betekenis van een actief vrijzinnig humanisme vandaag. De auteur zet zich daarbij herhaaldelijk af tegen de meer traditionele opties van de humanisten, die zich tot nog toe vooral bezighielden met het uitbouwen van een eigen ‘zuil’, zoals de katholieken maar in vrijwel open strijd met hen, en met het ijveren voor wettelijke erkenning en bescherming van de vrijzinnigheid, wat zich vooral uitte in de zorg voor het pluralistisch gemeenschapsonderwijs, de lessen zedenleer en moraal en progressieve vrijzinnige maatschappelijke standpunten inzake morele kwesties zoals voorbehoedsmiddelen, abortus, euthanasie, homohuwelijk &c, waarmee ze ook hun belangrijkste successen hebben behaald.
Pinxten vertrekt terecht van zijn eigen specialisme, de antropologie, om een levendig en verhelderend beeld te tekenen van de moderne mens in de hedendaagse samenleving, die gekenmerkt is door verstedelijking en een contrast van culturen, en tevens door een toenemende globalisering onder de invloed van het neo-liberale extreme kapitalisme. In die maatschappij is de vrijzinnigheid, mede door haar geringe sociologische basis, voor het realiseren van haar doelstellingen, aangewezen op samenwerking met andere, ook religieuze groeperingen die streven naar humane(re) samenlevingsvormen, gebaseerd op de grote principes van de Verlichting (en de Franse Revolutie): vrijheid, gelijkheid en solidariteit, wars van elk fundamentalisme, egoïsme en kortzichtig denken.
Voor de onbevooroordeelde lezer is het af en toe onduidelijk welke richting Pinxten wil uitgaan. Enerzijds bepleit hij terecht de volkomen gelijkwaardigheid van elk menselijk wezen; enkele belangrijke basisprincipes daarvan zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Maar hij gaat verder: zoals de zebra’s (uit de titel) er op het eerste gezicht allemaal eender uitzien, maar in feite telkens een uniek strepenpatroon vertonen, vergelijkbaar met onze vingerafdrukken of het irispatroon, zo is elke mens ook verschillend, elke groep, elke gemeenschap. Er zijn niet alleen de drie grote westerse godsdiensten en enkele grote oosterse: er zijn er 4000… Pinxten put zich uit om het belang van deze verscheidenheid (tout autre est tout autre) te benadrukken en om de (vrijzinnige) mens op te roepen daarmee voortdurend rekening te houden: anders is niet slechter, wij zijn niet beter, onze objectiviteit is verre van objectief; elke persoon moet respect opbrengen voor elke andere.
Anderzijds wijst hij ook op gevaren die uitgaan van bepaalde groepen en krachten binnen deze verscheidenheid: fundamentalisme van religieuze of politieke aard, racisme, plutocratie… en roept hij op tot krachtdadig verzet.
Het is dan ook niet steeds duidelijk waar en wanneer wij ons moeten beperken tot respect voor het anders zijn, noch vanaf welk moment of hoe wij ons strijdbaar moeten opstellen tegen de krachten die bijvoorbeeld de democratie, het milieu of de solidariteit bedreigen. Als iedereen gelijk heeft en iedereen ook moet gerespecteerd worden, is samenleven wellicht onmogelijk, want er zijn nu eenmaal onverenigbare standpunten, en niet op de minst belangrijke punten, die mensen verenigen in godsdiensten en talloze andere belangengroepen. Terecht veroordeelt de auteur het militair ingrijpen door de Verenigde Staten, evenzeer als het mensonterend religieus fundamentalisme van de Taliban. Wanneer is het moment gekomen om zich met álle middelen te verzetten tegen een bedreiging? Zeker is dat de Europese landen daarmee te lang gewacht hebben in het geval van Hitler, Stalin, Pol Pot, Rwanda, Soedan…
Een ander gevaar van extreme gelijkheid en solidariteit is het Marxisme, dat de auteur nog steeds als een waardevolle maatschappelijke analyse vermeldt, evenwel zonder te wijzen op de desastreuze gevolgen van de invoering van Marxistische ideologieën in concrete staten.
De raadgevingen van de auteur, onder de slogan (een oud Schots Gaelic woord dat letterlijk oorlogskreet of slagzin betekent): think global, act local, zijn dan ook vaak zoals hij zelf zegt: wollig, weinig concreet en zelfs (meer dan een beetje) utopisch. Vanzelfsprekend is het nuttig of zelfs noodzakelijk bij elke lokale beslissing uit te gaan van regels waarvan we zouden wensen dat ze algemeen geldend, global zijn (zoals Kant zijn morele imperatief al stelde), maar zo’n algemene richtlijn is nauwelijks voldoende voor zelfs de meest algemene normen, zelden voor de meer concrete, waar goed en kwaad dichter bij elkaar liggen en het wel van de ene groep steunt op het wee van een andere.
Toch is dit een zeer leesbaar en boeiend boek, dat met zijn optimisme en ‘voluntarisme’ (gedrevenheid om er iets aan te doen) een aantrekkelijke boodschap brengt, in het bijzonder voor het jong publiek waarop het oorspronkelijk gericht was, niet in het minst door de vele praktische voorbeelden en interessante verwijzingen, ook al zijn sommige commentaren af en toe minder subtiel dan men zou verwachten van een auteur die het respect voor tout autre zo hoog in het vaandel draagt.
Met dank aan het Provinciaal Centrum voor Morele Dienstverlening in Leuven, waar ik dit exemplaar mocht ontlenen uit hun interessante handbibliotheek.




















